Hoogbegaafde volwassenen

Ik ben ‘bijzonderling’!

By | september 4th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Gedurende mijn hele leven zijn er, om mij te omschrijven, woorden gebruikt als apart, raar, een kluizenaar, anders, te gevoelig en irritant. Dat laatste omdat ik blijf doorvragen en/of omdat ik het regelmatig bij het rechte eind blijk te hebben. Dat klinkt wellicht arrogant, maar zal voor veel hoogbegaafden herkenbaar zijn. Ook zijn er woorden gebruikt als bijzonder, te open, te eerlijk, te bijdehand, en als ik geluk had, wijs en puur. Mijn moeder gaf me in ieder geval (onbewust) vertrouwen mee door aan anderen te vertellen:

‘die loopt niet in zeven sloten tegelijk’.

Vroeger en nu nog steeds kunnen mensen mij “niet plaatsen”. Ze kunnen gewoon niet geloven dat ik ècht geen bijbedoelingen heb en ècht zo oprecht en open ben. Er zijn maar weinig mensen die met mijn eerlijke directheid kunnen omgaan en vaak blijk ik daarmee ook een gevoelige snaar te raken waarvan ze liever niet gewild hadden dat ik die raak… Maar door mijn hoogsensitiviteit – ik noem het ‘mijn antennes’ – voel ik nu eenmaal verborgen dingen.

Wat daar dan veelal uit voortkomt is dat ik die mensen bij wie ik verborgen pijn en verdriet voel wil helpen, wat ik dan ook vanuit mijn goede hart probeer. Tijdens dat “therapeutische proces” probeer ik die persoon dan zelf aan het denken te zetten en vooral ook te laten voelen, en in het gehele proces ben ik brutally honest alsook zeer oprecht, open en meelevend. Dit wens ik dan ook van de ander, anders kan ik ze niet helpen.

Ik hoef niet omzichtig benaderd te worden omdat ik hoogsensitief ben, maar wel gewoon eerlijk, met respect en vriendelijkheid, wat ik ook aan de ander geef.

Ondanks dat mijn hulp meestal wel (maar lang niet altijd) gewaardeerd wordt ga ik vaak toch “te ver” in mijn behulpzaamheid, in mijn oprechte wens om iemand te willen helpen. Ik vermoed dat vele hoogbegaafden zich ook wel zullen herkennen in dit plaatje: wij zien vaak de uitkomst al terwijl de ander nog door een (verwerkings)proces heen moet.

Eigenlijk is het (willen) helpen van anderen voor mijzelf ook een leerproces (en ik leer nu eenmaal graag, óók over mezelf). Veel mensen willen namelijk geen hulp aannemen en ik moet dat accepteren, hoe moeilijk ik dat ook vind. Meestal omdat ik ze dan “te dicht bij zichzelf breng”, of omdat ze er nog niet aan toe zijn, of (nog) niet voor open staan. Ergens is dat ook wel te begrijpen en vergelijkbaar met de uitspraak ‘ongevraagd advies voelt als kritiek’.

Later kwam bij mij het inzicht dat ze nu eenmaal zelf door hun éigen proces heen moeten gaan, anders worden zij er ook niets wijzer van. Je kan het een beetje vergelijken met huiswerk: als ik het antwoord op de vraag al geef, en mijn zoon er dus niet eens over na heeft hoeven denken dan léért hij daar niets van! Dat inzicht heeft mij veel rust gegeven, al blijft het voor mij moeilijk om niet te (mogen) helpen.

Al met al, en op velerlei gebieden, moeten hoogbegaafden accepteren dat ze niet altijd het antwoord al vóór mogen zeggen en dat ze regelmatig als “zonderling” bestempeld worden.

Onder andere door al het bovenstaande heb ik mezelf grotendeels teruggetrokken uit het zakelijke en sociale leven.

Omdat iedere hoogbegaafde, met zijn eigen eigenaardigheden en (hoog)gevoeligheden bijzonder is en nooit goed “geplaatst” kan worden, geef ik ze hun eigen “hokje”, namelijk: ‘Bijzonderlingen’!

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Hoogbegaafd! Volwassenen Vlaanderen

Vlaanderen

 Lid worden


© Alicia Puik | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

De intensipaat

By | september 2nd, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Ik had eigenlijk al lang een burn-out moeten hebben. Ik heb mezelf uitgewoond, vermoeid, bijna door de toeslaande verveling in de academische mallemolen laten vermalen, ik heb lood in mijn schoenen gehad, jeuk gehad van protocolneukers en rondjes gezwommen in de circulaire bureaucratie. Uiteindelijk werd ik moe van mezelf, oververmoeid, maar het is me niet gelukt om een burn-out te krijgen. Ik bleef hongerig naar kennis en inzicht.

Dat betekent dat ik je ook geen “I came from the darkest depths of hell and now I rose to fame and fortune, and so can you” motivatieverhaal kan vertellen, zoals goeroes dat zo mooi nep kunnen met een grote grijns op hun gezicht en een nietsontziend ego dat zó aanwezig is dat het velen verblindt en tot volgzaamheid maant.

De laatste jaren wordt ineens veelvuldig het woord millennial in één zin genoemd met het woord burn-out. Ik zie mezelf niet als millennial. Eigenlijk ben ik ook geen 28, maar 50. En toch ook weer 28. En 40. En soms zelfs 20 of 60. Maar dat hangt van de context af; fysieke leeftijden zijn maar getalletjes. Eigenlijk is niets in mijn ontwikkeling normaal, en normaal hangt dan weer af van de cultuur en het milieu waarin je geboren en opgegroeid bent. Vaak is me gevraagd of ik expres zo abnormaal doe.

Burn-out is niets meer dan de funeste ontrafeling van het te lang niet in een passende omgeving verkeren. Als je hoogenergetisch bent heb je jezelf dus wel heel hard en heel lang moeten uitputten door in een context gevangen te zitten die te veel afbreuk doet aan de essentie van je zijnswijze.

Als kind was ik al hoogenergetisch. In plaats van uren wakker te liggen omdat ik nou eenmaal naar bed moest terwijl ik nog lang geen slaap had, kroop ik met een leesboek en een zaklamp onder de dekens. Ik zat letterlijk met mijn neus in de boeken, want vooral de geur van versgedrukte boeken op zwaar, glanzend papier was een genot en had al lang als parfum op de markt gebracht moeten zijn.

Ik trok me terug in het veilige semi-kluizenaarschap van mijn rijke innerlijke leven, waarbinnen ik intens genoot van het bezoeken van vreemde landschappen en sterrenstelsels. Mijn vrienden vond ik vooral in heimelijke innerlijke dialogen. Ondertussen las ik over de levenscycli van verschillende soorten sterren, de klimatologie van manen om de planeten in ons zonnestelsel, de vorming van landschappen, het ontstaan van leven. Ik bedacht systemen waarmee een neerstortend vliegtuig op zee veilig zou kunnen landen en waarmee energie kon worden opgewekt uit golfkracht. Ik verzamelde en sorteerde insecten in de achtertuin, uit het zicht van schreeuwerige buurtkinderen, en zeediertjes langs rotskusten.

De confrontatie met mijn externe leven maakte me in vlagen verdrietig en eenzaam. Mijn leeftijdgenoten hadden geen kaas gegeten van mijn gedachtegangen, kennis, vocabulaire en fantasie. Mijn taalgebruik in de klas maakte me daar tot het professortje, terwijl ik zocht naar raakvlakken met kinderen die om wat voor reden dan ook afweken van het vulgair-populaire. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat ik in verre van alles raakvlakken vond bij anderen. School was niets meer dan een dagbesteding zonder dat ik er wezenlijke aandacht aan besteedde. Als ik me aanpaste was er weer iets anders waarin ik afweek. Ik probeerde mezelf dan gerust te stellen door de mensheid als nietig evolutionair product te zien in een immens groot heelal.

Het was een kunst om mijn hoofd koel te houden. Het zichzelf in eenzaamheid staande moeten houden in die claustrofobische scholen zonder werkelijke steun van enige volwassenen zorgde voor een verzengende hitte in mijn hoofd. Ik beeldde me dan in dat ik opstond, mezelf voorzag van een vlammenwerper, en daarmee de schoolmuren wegfakkelde. Of ik stelde mezelf voor met mijn hoofd in een krat met ijsklontjes. Toen ik op scouting zat, enigszins een verademing ten opzichte van school, heb ik uiteraard meermaals gerotzooid met een deodorant-bus en een aansteker.

Dat intense kind is een intense volwassene geworden. Ik zal mijn leven lang een intensipaat zijn. Nog altijd is mijn innerlijke wereld onzichtbaar voor velen en dat zal wel zo blijven. Wel ben ik me nu meer bewust van de kracht die ervan kan uitgaan richting de externe wereld en met dat besef kan ik zorgen dat ik in de context van andere personen en organisaties zichtbaarder word zonder in egomania door te schieten, het tegenovergestelde van onzichtbaarheid.

Grenzen doen remmen. Ik kijk over landsgrenzen heen omdat ik weet dat ik me in veel organisaties zó moet inhouden – dat is natuurlijk ook richting de mij niet passende organisaties hartstikke intimiderend – dat het zowaar tot een burn-out kan leiden. Landsgrenzen impliceren een harde “binnen versus buiten de grens”, waarbij er een totaal andere culturele wereld lijkt te bestaan aan de andere kant. Als ik maar breed genoeg durf te kijken zie ik één groot geheel. Wel verbaast het me dat de wereld nog niet compleet in elkaar is geploft en nog enigszins lijkt te functioneren, terwijl er zo veel faliekant fout en tergend traag en deerniswekkend dom gaat.

Intensiteit zonder richting is samengebalde woede, oververhitting en entropie. De intensipaat komt optimaal tot haar recht als hoogspanningskabel, niet richtingsloos, wél grensoverschrijdend. Soms over een donker woud heen gespannen, soms zigzaggend door bergen en dalen, waardoor de richting uit het zicht verdwenen lijkt. De intensipaat is in elk geval geen slachtoffer van de aan haar gegeven hoogspanning.

De intensipaat die dit stuk schreef zal uit de anonimiteit treden als ze het zicht op de richting van de hoogspanningskabel hervonden heeft. Onzichtbaarheid? Dan niet langer!

Update: de intensipaat is n.a.v. overweldigend veel reacties uit de kast gekomen.

Gross MUM, 2004. Exceptionally gifted children. Routledge Falmer, London, UK.
Daniels M, Piechowski MM, 2009. Living with intensity. Great Potential Press, Tucson, USA.

Hoogbegaafd! Onderwijs

Nederland

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Chaos, in orde

By | augustus 15th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Ik beschrijf mezelf vaak als een clean freak – in smoezelige, rommelige of smerige omgevingen kan ik me niet comfortabel voelen. Als ik in een dergelijke omgeving word geplaatst, is mijn eerste ingeving om het eventjes allemaal aan te pakken. Mouwen opgestroopt, hoezo permanente luiheid? Er is alle tijd voor een dag lang bankhangen – als het eerst maar schoon is. Ik besef me dat ik hier niet de enige in ben. Niet alleen vanwege mijn moeder, wiens irritatie jegens de rommeligheid van haar wederhelft boekdelen schrijft, maar ook vanwege de vele verhalen van mensen die net als ik niet kunnen leven in een omgeving die niet schoon, opgeruimd en geordend is. Dit zette me aan het denken: waarom? Waarom ben ik zo gefixeerd op een reine leefomgeving?

Ik dacht eerst gelijk aan mijn vermeende status quo: dat komt door mijn diagnose. Tuurlijk, denk ik dan, PDD-NOS is “een beetje van alle autismesoorten”, dus daar zit vast ook wat OCD in. Ha! Daar heb je het al. Ik betrapte mezelf op de foute generalisatie die zo veel mensen maken tegenwoordig.

“Ik houd alles op een vaste plek. Ik ben ook zó OCD!”

De naam OCD wordt, net als bijna alle stoornissen op het autismespectrum en inderdaad ook autisme zelf, in de volksmond gebruikt voor de omschrijving van karaktertrekken die vaak slechts losjes gerelateerd zijn aan de stoornissen zelf. Dit is iets waar ik me, als iemand die weet of hóórt te weten wat deze woorden daadwerkelijk inhouden, zeer aan kan storen – dus ik moet niet zelf in die val trappen. Nee, ik moet verder kijken.

De orde die ik van mezelf moet scheppen komt voort uit een tegenstelling. Mijn brein pompt duizenden gedachten per uur door mijn hoofd. Continu is het bezig met gedachten, overpeinzingen, verhaallijnen, filosoferingen, het oefenen van sociale interacties die waarschijnlijk nooit plaats zullen vinden. Ik kan geen bezem door mijn brein halen. Vaker dan niet heb ik het gevoel zelf niet eens de touwtjes in handen te hebben: mijn gedachten gaan hun eigen gang. In mijn hersenen zitten geen ingebouwde ladekasten met handige labeltjes, alles alfabetisch gesorteerd. Men zegt dat een geordende omgeving leidt tot een rustig hoofd, maar in mijn geval is niets minder waar. Mijn behoefte om orde te scheppen in de fysieke wereld zorgt ervoor dat ik mezelf de ruimte kan geven voor de chaos in mijn mentale wereld. Chaos, in orde.

Toen ik me dit besefte viel alles op zijn plek. Als de omgeving vuil en onopgeruimd is, moet ik alles identificeren. Wat is dit, wat is dat? Wat doet het daar, waar hoort het? Het neemt processorkracht weg van mijn boordcomputer, die niet kan werken zoals hij het graag doet. Als al deze losse objecten uit het blikveld zijn verwijderd, is de capaciteit die ze in mijn brein innamen weer vrijgekomen, zodat mijn chaotische hersenen hun gang weer kunnen gaan. Dit is de crux van mijn functioneren.

Deze realisatie helpt me verder op mijn pad naar ‘zelfverklaring’. De diagnose is slechts een categorisatie: ik onderzoek zelf hoe ik mijn gedrag kan verklaren, zonder dat nare woord ‘autisme’ in de mond hoeven te nemen. Ik ben immers geen ‘autist’, ik ben Erik, en ik maak de boel schoon, niet omdat mijn hoofd daar rustig van wordt, maar zodat mijn hoofd juist druk kan worden. Dat klinkt misschien niet logisch voor u, waarde lezer, maar voor mij is dat zo klaar als een klontje.

Hoogbegaafd! Autismespectrum

 Lid worden


© Erik van Beesten | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Het is niet moeilijk, maar eenvoudig

By | augustus 5th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Ik heb dus wat herkansingen na het einde van dit eerste schooljaar. Schrikken was dat even, want ik kan dit immers toch wel aan? Politieke wetenschappen is wat ik al vanaf na mijn middelbare school wil studeren, net zoals m’n papa in de jaren ’70/’80, die zijn Bachelor in de politieke wetenschappen deed en zijn Master in de sociologie. M’n grote voorbeeld.

Het heeft dan even geduurd, met tussendoor wat afhakingen en een saaie, onafgemaakte studie op het HBO, maar ik zit nu toch eindelijk aan de universiteit, waar ik dacht m’n ei kwijt te kunnen. Vol enthousiasme begin ik aan m’n opleiding, maar na enige tijd komen toch de verveling en kritiek aanzetten. Waarom gaan ze niet dieper op de stof in? Waarom is er geen mogelijkheid om te discussiëren met de professor? Gaan we de theorieën ook nog toepassen of is het serieus de bedoeling dat we alles maar klakkeloos overnemen? Mij niet gezien hoor! Is dat echt zo, want ik geloof dat…. Tegendraadse Steph komt weer naar boven.

Ik denk het makkelijk aan te kunnen, zo moeilijk is het allemaal niet, maar heb dan toch die herkansingen een paar maanden later. Ik raak in paniek en bel uiteraard meteen mama die m’n intense emoties altijd zo goed aankan. Nuchtere mama die altijd raad weet met haar slimme, perfectionistische dochter. Wat een geduld heeft die vrouw.

Maar ben ik nu te dom voor de universiteit? Heb ik nu toch te hoog gegrepen? Dat wil ik precies weten, obsessief word ik bijna. “Steph, kijk eens naar je andere vakken,” zegt mama tijdens één van onze gesprekken. “Die heb je allemaal prachtig gehaald.” Ja ja ja.

Ik protesteer hevig, ben helemaal tegen het rigide onderwijssysteem, maar duik uiteindelijk toch maar weer in de studieboeken. Ik kan dit wel, dus wat is het probleem? Ik loop weer tegen de eenvoud van de vakken aan, hoe alles in de meest simplistische vorm uitgelegd wordt. Sommige dingen staan er maar ter informatie, je moet het er maar mee doen. Hoe kan iemand hier in godsnaam genoegen mee nemen?

En dan snap ik het. Geef mij iets complex en het lukt me geheid zonder al te veel moeite, maar geef mij iets eenvoudigs en ik faal dan zelfs. In m’n hoofd maak ik het namelijk veel ingewikkelder dan het is en mis zo de kern van de leerstof, omdat ik me écht niet kan voorstellen dat het allemaal zo eenvoudig is.

Een hoogbegaafd brein zit nou eenmaal anders in elkaar. We zijn gemaakt voor complexiteit. Simpele zaken zijn te simpel en daardoor moeilijker. Een paradox is het. Wedden dat ik veel beter en gemakkelijker zal presteren tijdens m’n Master over een paar jaar? Ik kan niet wachten.

Hoogbegaafd! Jongvolwassenen

 Lid worden


© Stephany Daal | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Anders-zijn en Inter-zijn

By | augustus 4th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Wat zijn gevoelens van anders-zijn, het gevoel ‘anders te zijn’?

We spreken hier dus van gevoelens, deze lijken centraal te staan, in ’t middelpunt van de eigen belangstelling. In gesprek met mezelf komen we er vast wel uit hoe het precies zit, al glipt de consensus mij al denkend telkens uit de ene en dan weer uit de andere hand.

Het anders-zijn, zo meen ik bij mezelf op te merken, krijgt soms onevenredig veel aandacht. Alsof de gevoelens in de schaduw van het schitterende anders-zijn staan. Gevoelens worden nog weleens verketterd. Er zou een geschiedenis geschreven kunnen worden over de verkettering van gevoel.

Het ligt gevoelig, gevoelens van anders-zijn.

Lichtgevoeligheid kent meer dan één betekenis, dat ook.

Terug naar de basis, weg van de woordspinsels. Op het blote oor lijkt het al gauw op elkaar, maar de betekenissen zijn toch duidelijk te onderscheiden, verlang ik althans. Analyse, vel een oordeel!

Wat is een gevoel? Onzekerheid overvalt mij wederom, en ik maak mezelf wijs dat ik daar zojuist om vroeg. Een oordeel is niet slechts een mening, juist een gevoel. Een gevoel vellen, dat klinkt op het blote oor echter pijnlijk kwetsbaar.

Misschien verlicht een extern geweten.

Een ‘gevoel is een innerlijke (positieve of negatieve) beleving van een bepaalde gebeurtenis’, aldus Wiki.

Heb je Wiki nodig om te weten wat gevoelens zijn?

Nee, gevoelens zijn wat anders dan ‘weten’, zou je kunnen stellen.

Is gevoel een vorm van ‘weten’, vraag je nu wellicht.

Ik bevraag nog even door, wat kan ik anders doen? Is een vraag ook een gevoel? Twijfelen brengt vooralsnog de hoogste zekerheid.

Gevoel toont dat onzekerheid bij de gratie van voortgaande beweging bestaat, zonder er ooit sluitend bewijs voor aan te kunnen voeren. Je raakt slechts in vervoering van leven, zonder aan het roer te staan. Het is een illusie weg te komen van woordspinsels zodra ik zin zoek. Zin is een gegeven, woorden dichten daar niet een oorzaak aan toe.

Is ‘anders-zijn’ nu het gevoel of is anders-zijn de gebeurtenis, vraag ik me ongeduldig af. Wiki geeft geen sluitend antwoord. Wiki is geen geweten, eerder een geheugen.

Ik ben op ervaring teruggeworpen en ik krijg de indruk ook wel toe te zijn aan “iets anders”, al rest de herkenning dat hieruit mijn gevoel spreekt en ben ik weer terug bij waar ik begon.

Opnieuw doe ik een poging te duiden wat in essentie relationeel en hoogst beweeglijk is.

Hier geldt geen of/of bedenk ik me erbij; gevoel is als een gebeurtenis, gevoelens zijn gebeurtenissen.

Soms komen gevoelens als gedachten in zicht, verdwijnen gevoelens als feitelijkheden uit zicht. Welk ‘evenement’, welke gebeurtenis gaat gepaard met, wordt gekleurd door of sterker nog ‘getypeerd door’ gevoelens van anders-zijn?

“Je wordt niet begrepen. Jouw interesses worden niet gedeeld. Je lijkt er andere normen en waarden op na te houden. Je bent diep geraakt onderwijl de ander geenszins aangedaan lijkt. Je goede intenties worden als botte confrontaties getypeerd. Je hebt behoeften die in de ogen van de ander onzinnig, over de kop, buitenproportioneel, eisend zijn. Je praat te moeilijk, ‘dat is evident’.”

Dit zijn interpretaties. Voor je het weet zijn het verhalen waar je stellig in gelooft. Gevoel en gedachten die samensmeltend samenwerken.

Is een interpretatie ook een beleving? Mijn gevoel zegt van wel. Al weet ik niet zeker of gevoel kan spreken. Dat verbeeld ik me.

Zo vertel ik meer verhalen waar verbeelding en fantasie aan te pas komen, ruimte om tot gevoelsreflecties te komen waarin ik mijn zelf wél herken.

Wat zijn gevoelens van anders-zijn dan toch?

Je onbegrepen voelen. Je vragen, zorgen en passie niet kunnen delen, je gefrustreerd voelen. Verontwaardigd zijn omdat jouw waarden niet gespiegeld worden. Je buitengesloten voelen, bang te zijn voor oneindig verlies en verdriet. Als gedeeltelijk, soms essentieel, niet tot je recht komen, niet gezien worden, niet in- of aangevoeld worden.

Zo bekeken kan het je overkomen dat iemand zich “niet zichzelf voelt”, door zich niet in te leven in de gevoelens, normen, waarden, ideeën, wensen, verlangens, angsten, behoeften….van zijn of haar zelf (!).

Volgens mij kan dit ook mij overkomen en ik vraag me af of ik mij in dit geval “mezelf” voel. Of juist anders.

Vervreemdend vraagstuk.

Gevoelens van anders-zijn, dat zijn potentieel alle mogelijke gevoelens, die niet gespiegeld, begrepen, gewaardeerd, gezien en verwelkomd worden. Het zijn situaties waarin gevoel zich voordoet.

Alle gebeurtenissen waarin je gedeeltelijk niet doorvoeld bent, werd. Waarin je niet doorvoelde. De gebeurtenis ‘dat je niet doorleefd bent’. Een kleine, een gedeeltelijke, tijdelijke dood.

De situatie dat er een deel van je gevoel afsterft. Of, misschien iets minder intens en permanent maar gelijkaardig qua betekenis: dat het gevoel niet tot weten, spreken, zeggen en leven komt. Het zijn gevoelens over gevoelens over gevoelens over gevoelens.

Misschien wel gevoelens over de zuivere gevoelens, die de rede tarten en een taal stellen waar geen touw aan vast te knopen is. Waar woorden om betekenis bij elkaar te leen gaan en zinnen tot loosheid ontward dienen te worden. Op gevoel geschreven, op verstand ontward tot zinloos.

Gevoelens tegen gevoelens, dat zijn het ook.

In welke situatie doet gevoel zich níet voor? Bestaat er zoiets als niet-gevoel?

Wat zegt de herinnering, via welke ik mij een empirist waan?

Ik werd geboren en zo ook ‘mijn’ gevoel.

Was ik nu voor mijn geboorte al gevoelig? Ik hoop ’t wel.

Een navelstreng werd doorgeknipt, en zie daar mijn gevoel van anders-zijn.

Een jaar of vijf later herinner ik mij, de eerste, gedifferentieerde gedachten over mezelf, binnenin mezelf. Ik was mezelf bij uitstek en ik was niet meer “slechts” mezelf. Gedachten leken ook toen al verdacht veel op gevoel. Tezamen gaan ze min of meer door de beugel als bewustwording.

Een klassenrondje was intimiderend en bijzonder leuk tegelijk.

Dat ging samen, allemaal in mijn buik en hoofd. Zie daar, gevoelens van anders-zijn.

Ze bevonden zich toen in mijn buik. Ik herkende ze aan de buikpijn.

Gevoelens van anders-zijn stonden gelijk aan buikpijn. Ik noemde ze toen ook “buikpijn”. Ik zat er niet ver naast, zag ze niet voor iets anders aan, maar ik kon ze ook nog niet zo helder (nu ja..) als sociaal van betekenis begrijpen.

Gevoelens waren fysiek, de sociale situatie, daar had ik het verder gewoon mee te doen.

Ik had mijn handen voor mijn gezicht willen plaatsen. Soms deed ik dit uit impuls. Mensen, de anderen, noemden me dan verlegen. Het was misschien maar één iemand, het voelde als iederéén!

Ik schaamde me, maar op een beleefde manier. Soms heet dit verlegenheid, zo sprak socialisatie.

Ik werd een jaar of zeven en mijn zelfbewustzijn ontwaakte een intens sociaal bewustzijn. Zie daar mijn gevoelens van anders-zijn. Ik nam ze daar kraakhelder waar, misschien zelfs al een beetje bij naam en toenaam. Gevoel werd verheven tot Idee. De Idee anders-zijn.

Zie daar een kleine crisis.

Toen leken die gevoelens een filter, een kennismaking met de mogelijkheid gedachten te inhiberen, en om anderen op gepaste want ‘anders-zijn’ bevestigende afstand te houden.

Ik speelde graag alleen, tot het verdriet van mijn zus aan toe.

Als adolescent werd ik me bewust van gevoelens die ik niet wílde hebben. Angst voor gevoel en angst voor fysieke sensaties, opwinding en kwetsbaarheid gingen samen met een innerlijke tweespalt, in leven gehouden door de spanning iemand te zijn die ik niet wilde zijn; de gevoelens waarmee ik precies mezelf was en de gevoelens waarmee ik iemand-anders-was. Dat bestond tegelijkertijd, maar ik zag want voelde een tegenstrijdigheid. Onverdraagzaam tegen mezelf, voelde ik tegen mezelf in, voelde ik mij “anders”. Wezenlijk.

Mijn gevoel was het bewijs dat ik anders was. De gevoelens die ik ervoer, soms overweldigend – ik kromp ineen – spraken niet alleen van buikpijn maar ook van anders-zijn. Mijn ervaring werd via interpretatie gelaagd, gevoelens boden bindmiddel tussen indrukken die als fragmentarische ideeën mijn binnenwereld bewoonden.

Gevoelens van anders-zijn dekten mijn pijnlijke buik toe. Ik vond er veiligheid in, maar ook een soort gevangenis. Geïdentificeerd met gevoel, het gevoel waarmee ik me alsnog aanpaste aan een omgeving die zo eens tegenover mij leek te staan.

Ik voelde me ook een bruggenbouwer. Dat ‘je een bruggenbouwer voelen’ is blijkbaar ook een gevoel. Plus een interpretatie, te weten een verbeelding.

Je een bruggenbouwer voelen. Tja, hoe voelt dat eigenlijk? Anders.

Ik leefde lang in de veronderstelling dat bruggenbouwers veel last van buikpijn hadden.

Als jong-volwassene las ik over begaafdheid. Deze zoektocht bouwde een bruggetje tussen de twee strijdende gevoelskampen. Ik kon me inleven in die ‘andere’ gevoelens, door te lezen over gevoelens van anders-zijn. Ik ontwikkelde begrip van en voor de gevoelens die ik niet wilde hebben. Begrip vormde een brug sterk genoeg om de ontwrichtende angst weg te lozen en mij intern veilig en vervolgens vrij in contact te brengen met al wat er in mij opleeft, wat er in de wereld, ook wreed, om aandacht smeekt. In contact met gevoel, totdat potentieel alle gevoelens het in zich hadden om “gevoelens van anders-zijn” te zijn, en gevoelens van anders-zijn bleken te bestaan uit alles wat gevoelens van anders-zijn niet zijn.

De verbinding, zoals deze er altijd al was, bewust hersteld. Vreugde. Zelfs ten tijde van boosheid is er verbinding. Dus toch, juist. Boosheid is een verbinding, de essentie is om de verbinding ‘er niet achter te zoeken’. Er is geen veroorzaker van verbinding. Dat is absoluut een hardnekkige indruk en het is heel invoelbaar dat eenieder zich eeuwenlang aan deze Idee hebben willen onttrekken.

Gevoelens van anders-zijn: deze gemeenplaats verwijst vaak naar emotioneel pijnlijke ervaringen. Dat kon ik wel met enige zekerheid concluderen na dit zelf-zoeken. Onderweg naar mezelf kwam ik iedereen tegen als spiegel van mijn gevoelens van anders-zijn.

Anders-zijn is wellicht een typering die gebruikt wordt om die pijnlijke, emotionele ervaringen tijdelijk zin te geven. In de tussentijd kan je misschien op zoek naar een land met ‘anderen’. Zoals Connie Palmen in een interview zegt dat Limburg een land is, waarvandaan ze op zoek ging naar een nieuw land, een land waar ze begrepen kon worden, waar er respons was op haar andere wijze van praten. Het geluk is dat elk ander land ‘anderen’ huist. Anderen zijn overal anderen.

Geluk vind je ook in eenzaamheid, mogelijk, omdat eenzaamheid net zo goed een gevoelvolle verbinding met jezelf en je omgeving tegelijk is.

De diepe behoefte je ontspannen, veilig en zelfs vrij te verbinden met je omgeving lijken in gevoelens van anders-zijn ook een toevlucht te vinden. Eenzaamheidsgevoelens als verbinding tot je omgeving, een verbinding die beschermd wordt door je anders-zijn als identiteit te ervaren, te claimen. Althans, zo ervoer en duidde ik het soms.

Ik was gehecht geraakt aan eenzaamheid. Leek eenzaamheid van verre verte te kunnen opspeuren, werd er enkele malen verliefd op, om mij vervolgens verontwaardigd te voelen over de afstand die deze relatie met zich meebracht. Waar ik zowel van weg schrok, als mij tot aangetrokken voelde. Gevoelens van anders-zijn werden in stand gehouden door de angst mij nog eens te branden aan relaties die ik met intensiteit aanging. Kwetsuren kon ik wél en zelfs in mijn eentje begrijpen door de gevoelens van anders-zijn centraal te stellen, soms als een fijngevoelig filter en soms als een provisorisch gemetselde muur tussen mij en de ander in. Gevoelens van anders-zijn; een muur tussen mij en de ander.

Sterker nog, tussen mij en mezelf in: gevoelens van anders-zijn werden een emotioneel reservoir voor andere gevoelens. Voor verdriet, voor woede, voor irritatie en voor teleurstelling.

…….. Wijsheid is als het herkennen van ‘van alles’ van je zogenaamde zelf in ‘van alles’ wat je jouw zogenaamde zelf niet direct toewenst. In mijn geval: dat wat ik liever uit mezelf weg verbeeldde, maar wat per terugkerende post toch echt aan mij intern gericht bleek. Van dit proces de zin inzien, de zin van de ontwikkeling van jezelf tot ook weleens woedend, geïrriteerd, teleurgesteld of verdrietig.

Ont-wikkelen

Ik heb gevoelens en emoties. Punt. Ervoer ik gaandeweg, ont-wikkelende. We hebben gevoelens en emoties. Punt. We ont-wikkelden. Ik en mijn omgeving, mijn omgeving en ik. We zijn een samenhang – en gang zonder strikt begin of eind, we raken in elkaars emotionele agenda verstrikt en de kunst is daar ook de in conflict harmoniserende samenhang te zien, te ervaren, te begrijpen.

Ook in mijn onderbuik volgde een ontknoping. Tegenwoordig krop ik mijn gevoelens van anders-zijn niet meer op. Ik heb zelden buikpijn. Zelfs de chronische auto-immuun ziekte daaromtrent, die rond mijn 19e werd gediagnosticeerd, lijkt zich zijn vergankelijkheid bewust te zijn geworden. Ik klop af, genezen klinkt een brug te ver, maar last ondervind ik zelden. De ziekte dicht ik gevoelens van anders-zijn toe, als herinnering.

Fysiek zoals emotioneel klaarde de mist van voorgaande jaren op, verkrampingen die zo voelbaar in mijn buikstreek waren, vervangen door ontspanning. Ik kon mijn denken niet meer van mijn lichaam ontnemen, dat had ik lijfelijk ondervonden. Ze – het denken en het lichaam, voelen en rationaliseren – zijn niet zo anders dan ik mezelf voorhield te willen.

Zo werden ‘gevoelens van anders-zijn’ via begrip van ‘inter-zijn’ (ontleend aan Thich Nhat Hanh’s term) gaandeweg een zachte ontmoetingsplek voor mijn kwetsbaarheid en die van de eerder echt Andere, ín mij. Ik raakte vertrouwd met mijn gevoelens van vervreemding, zag dat de Anderen hier ook mee konden worstelen en kon er niet aan onderuit dat als we hier beiden conflicten over hadden, het ook aan mij was begrip te ont-wikkelen, tot ‘gevoelens van’ verhelderd werden naar ‘gevoelens’ om het even.

De vele gebeurtenissen in mijn leven die ik heb geïnterpreteerd als ‘gevoelens van anders-zijn’ openden zich voor nieuwe betekenissen. De vele gebeurtenissen van ‘het gevoel van anders-zijn’ herkende ik in verhaalkunst. Verhalen waarin ik includerend en verbindend kwetsbaar bleek, net zoals de dierbaren, bekenden en soms onbekenden om mij heen. Die laatsten bleken op sommige gebieden meer op mijn dierbaren te lijken dan ik had durven dromen. Tenslotte waren we allemaal verbonden in gevoelens van anders-zijn, al benoemden we dit niet per se zó: eenieder had zich weleens buitengesloten, onbegrepen, ongezien, vervreemd en alleen gevoeld.

De eenzaamheidsgevoelens die ik welhaast toegeëigend had, boden in deze hernieuwde reflecties, vaak na vredevolle stilte geboren, draagkracht. Graduele verschillen in anders-zijn wilde ik niet miskennen, maar voelen vanuit wat ik over emotionele ontwikkeling en ervaring geleerd had. Ik had tenslotte zoveel gevoelens van anders-zijn ervaren, dat het transformeren van al deze ervaringen tot een besef, ervaring en weten van inter-zijn, immens intens was.

Gelukkig heb ik via die intense gevoelens van anders-zijn de ketenen van mijn interpretatie en zingeving kunnen doorbreken richting een liefdevol begrip en een separaat zelf overstijgend inter-zijn. Die intense gevoelens hebben me aangezet tot de noodzakelijkheid van begrip en me er ook van bevrijd.

Niet altijd en overal, hoe kan het ook anders. Soms zijn er de distincte gevoelens van anders-zijn die herkenning eisen als beschikkend over een zelf.

Door me niet tegen de noodzakelijkheid van gevoel te verzetten, werd de verbijzondering van de gevoelens een gewoonte-energie die ik kon opmerken, maar waar ik niet meer van afhankelijk was. In mijn neiging te verinnerlijken wat ongevraagd overkomt, heb ik de pijnlijke emotionele ervaringen willen kwalificeren als kenmerkend van mezelf. Dezelfde beweging die hierin schuilgaat heeft me ertoe aangezet de gevoelens van anders-zijn bij anderen te willen en kunnen zien. Ook zij, in hun uiterste zelf-zijn, voelen zich anders. Dit is elke andere dag of moment weer een uitdaging, dit proces van onderscheid en van verbinding, van uiteenvallen en van samenvallen.

Elk golfslaggevoel is weer een volslagen omslag, ook wel bewustwording genaamd, waarmee ik gevoelens niet anders kan invoelen dan wat ze zijn: gevoelens, ontwrichtend in potentie, bindmiddel bij uitstek.

Positieve desintegratie is als het innerlijk transformeren van gevoelens van anders-zijn naar het invoelen en koesteren van inter-zijn. Op een geheel eigen, onderscheidende wijze. Dat ook, dat juíst, dat onvermijdelijk.

Blijf variëren op je gevoelens van anders-zijn, noem ze bij vele namen en herken ze in vele keuzes, gezichten en gedragingen. Op den duur vallen ze positief uiteen tot iedereen, tot alle gevoelens, tot gevoel ineen, tot gevoel voor gevoel. Schuw niet weg van de confrontatie met al het andere om je heen, je hebt het tenslotte allemaal in je, al zou je dat soms het liefst ontzien. Je anders wanen, het anders-zijn van de ander discrimineren. Nee, blijf variëren, binnenin en buitenom. Laat gevoel tot de tast toe, verbeeld je het onwaarschijnlijke en laat dit los gaan, merk tot bezinnende intensiteit een nietigheid op, koester wat te ver van je bed staat om geknuffeld te worden.

En óf je stellig gelooft in de universaliteit van persoonlijke betekenisgeving, vingerwees ik mezelf op schrift, nalezend.

Het stelt een rusteloze, bevragende geest tot kalmte om te weten, dat wat rest na het woord immer gevoelig ligt.

Hoogbegaafd! Filosofie

 Lid worden


© Lotte van Lith via >>PositieveDesintegratie.nl<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Had ik dit maar eerder geweten… – 2

By | augustus 2nd, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

…maar eigenlijk wist jij dat natuurlijk ook al lang, dat je goudblond haar had….

Het was er altijd al!

Want ook al zaten sommigen dingen je in je leven misschien niet mee, heel veel dingen gingen ook schijnbaar moeiteloos. En juist die dingen die moeiteloos gingen, vielen en vallen jou niet op. Nee, want die merk je niet.

De dingen die juist niet moeiteloos gingen, energie kostten of zelfs pijn deden, of de onbegrip en het ongemak dat je soms voelde en ervoer, DIE vielen natuurlijk wél op. En die heb je onthouden en zijn hun eigen – soms nare – leven gaan leiden.

Maar kijk nu eens met je volwassen blik naar de dingen die wél moeiteloos gingen, dat zijn er best wel veel. Meer dan je zelf denkt. Want ook volwassenen die pas op (veel) latere leeftijd ontdekken dat ze hoogbegaafd zijn, zijn niet zomaar dáár terechtgekomen waar ze nu zijn.

Hun talenten en “potentieel” hebben ze vaak al geheel onbewust bekwaam ingezet om dáár te komen waar ze ze nu zijn. En ook al verschillen ze in hun achtergrond soms van opleidingsniveau, zowel de onderpresenterende als de “superpresterende” hoogbegaafde kunnen allebei vaak terugkijken op een bewogen loopbaan en leven. Soms met veel wendingen en tegenslagen en soms niet. Maar hun combinatie van de eigenschappen creativiteit, veerkracht en doorzettingsvermogen en hun slimme, snelle en sensitieve brein hebben er toch voor gezorgd dat ze sommige dingen moeiteloos hebben gedaan en dat ze ook díe tegenslagen hebben overleefd of zelfs hebben omgezet in hun voordeel.

Je bent zonder dat je je ervan bewust bent al de uitkomst van de gezamenlijke eigenschappen die je als hoogbegaafde hebt.

En dat zijn nu juist vaak de dingen die de buitenwereld bestempelt als gek en die heb je daarom soms geprobeerd te verstoppen. Je eigenwijsheid bijvoorbeeld, die eigenlijk een sterke behoefte aan autonomie betekent, of kritisch denken. Samen met de dingen die jou moeiteloos afgingen vormen zij jouw grote kracht. Het is alleen een kwestie van die puzzelstukken bij elkaar krijgen. Het grotere plaatje is soms veel logischer dan je denkt. Want een talent of “potentieel” hoeft niet altijd groots en meeslepend te zijn. En zelfs (of misschien) juist niet academisch! Maar jij maakt daarmee wel degelijk een verschil!

In mijn geval heb ik bijvoorbeeld nooit moeite gehad om talen te leren. Zowel het gevoel en de smaak voor taal als de logica erachter in de vorm van grammatica en spellingsregels gaan mij moeiteloos af. Ik heb ook altijd moeiteloos nuanceverschillen in communicatie opgepikt. Ook al wist ik als kind niet precies waarom ik dacht dat iemand de waarheid niet sprak, of waarom ik kon voorspellen hoe iemand zijn zin zou eindigen, wist ik dat wel. Pas toen ik ouder werd en o.a. psychologie, fonetiek en communicatie als vakken op de hbo-opleiding kreeg, leerde ik dat mensen zich op diverse manieren verbaal en non-verbaal verraden. Toen pas had ik de feitelijke en theoretische kennis in huis om mijn waarnemingen te kunnen verklaren. Ook had ik altijd al een ijzersterk geheugen voor feitjes, songteksten, nummers en rijtjes en reeksen. Bij proefwerken wist ik precies op welke pagina het antwoord stond en zag dat als een plaatje voor me. Ik wist in mijn eerste bijbaan al na een paar werkdagen alle relevante artikelnummers van de afdeling uit mijn hoofd. Iets wat mijn collega’s niet konden, die bleven maar kijken op de etiketjes. Ik kan me nog herinneren dat één van mijn eerste vriendjes het dom vond dat ik bepaalde feitjes en songteksten zo kon reciteren.

“Jeetje, dat je daar moeite voor doet om dat te onthouden, zeg, heb je niets beters te doen?”

Maar het punt was, dat ik er helemaal geen moeite voor hoefde te doen, het ging vanzelf, ik deed er helemaal niets voor. En dus schaamde ik me, want ik was blijkbaar een leeghoofd, waardoor het zo makkelijk bleef hangen.

Ik zag dus zelf alleen maar dat ik slecht was in wis-, natuur- en scheikunde, maar niet dat ik moeiteloos vijf talen leerde. De enige 10 die ik voor scheikunde haalde was logischerwijs bij de overhoring van het periodiek systeem. Totdat ik later in mijn werk bij een mobiele provider ineens nieuwe, praktische kennis erbij kreeg over GSM waardoor er heel veel kwartjes vielen. Want toen had ik ineens het grotere geheel erbij waardoor de kleine, tot dan toe nutteloze stukjes gecompartimenteerde informatie als puzzelstukjes in elkaar vielen. Toen ik bij die technische training in een klas vol ingenieurs net zo hoog scoorde op de eindtest, viel ik om van verbazing. Ik kreeg als volwassene vaker een aha-erlebnis over dingen die ik toen pas kon verklaren.

En al deze dingen samen maken nu dat ik de loopbaanprofessional ben, die ik nu ben. Met deze kennis en kunde kan ik anderen helpen hun talenten te ontdekken en expres te benutten! Maar zelfs dát wist ik een kleine 14 jaar geleden ook allemaal nog niet. Toen zat ik midden in een levensveranderende depressie waarvan ik toen dacht dat het mijn einde betekende.

En gelukkig maar, want zonder die crisis zou ik nooit mijn goudblonde haar ontdekt hebben!

Als kind weet je soms dingen sneller en makkelijker maar weet je nog niet precies waarom dat zo is en ook nog niet wat dat voor betekenis heeft. Dat is de kunst van het volwassen worden. En dat gaat vaak gepaard met groeipijnen. En misschien is dat ook wel één van de redenen dat sommige hoogbegaafden pas tot bloei komen als volwassene, bij een vervolgopleiding of in hun tweede of derde loopbaanstap, of als ze ondernemer besluiten te worden. Dan vallen de kwartjes pas en kijk je op een andere manier naar je groeipijnen en leermomenten. Levensgebeurtenissen krijgen sowieso pas hun betekenis met de wijsheid van nu.

Ontdekken dat je hoogbegaafd bent, is heel wat anders dan het zijn. Want je was het sowieso je hele leven al. Wat bijzonder en grappig dus dat het je zo verbaast.  Stiekem wist je hoofd dat toch al? Nu je hart nog!

Alle dingen die je hebt gedaan en meegemaakt in je leven zijn mede daardoor zo gelopen zoals ze zijn gelopen. Aha…

De kunst is daarom om met de kennis van nu betekenis te geven aan jouw beslissingen, tegenslagen, mislukkingen, voorspoed, mazzeltjes, conflicten, successen, ongemakkelijkheden en overwinningen! Eigenlijk herschrijf je daarmee je eigen gebruikershandleiding. Versie 2.0!

Je kunt nooit zeggen dat je het allemaal anders had gedaan als je wist wat je nu wist.

Want het was het er altijd al!

“You’ve always had the Power, my dear, you just had to learn it for yourself”

Witch Glinda, Wizard of Oz

Bovendien bestaat er nog steeds geen tijdmachine om terug in de tijd te gaan en dingen positief te veranderen.

Er bestaat echter wel een heel krachtig mechanisme om jouw toekomst positief te veranderen, en dat ben jij zelf!

Deel 1

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden

 


© Tessa Faber via >>MakingSense.nl<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Uit de in het vagevuur geworpen slechterik mag hopelijk een gamechanger voortkomen

By | juli 31st, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Mijn afgeronde proefschrift is de deur uit. Het is alsof ik een stukje van mijn werkzame bestaan uit handen geef en de personen aan de andere kant daarmee kunnen doen en laten wat ze willen, het zomaar kunnen afdoen alsof het niets is, zonder dat ik het voor mijn bijna-kind kan opnemen.

Mijn bijna verlopen Britse paspoort is naar het Eiland verzonden. Het is alsof ik een stukje van mijn identiteit uit handen geef en de organisatie aan de andere kant daarmee kan doen en laten wat ze wil, zonder dat ik me kan beroepen op dát stukje van mijn Zijn.

Het niets kunnen doen dan afwachten geeft een ruimte die zich door de zwaartekracht vanzelf opvult met materie die weer andere stukjes van mijn identiteit vertegenwoordigt, of stukjes daarvan vormden die ik als verouderde huidcellen heb afgestoten, ooit onderdeel van het conglomeraat van miljoenen cellen waaruit ik besta. De vingerafdrukken van toen zijn hetzelfde gebleven. Het vertrekspoor is gewijzigd, maar ik ben het nog steeds die zichzelf vervoert en in vervoering brengt. Mijn vingerafdrukken staan op alles wat ik aanraakte terwijl ik mijn koers wijzigde.

De materie die de leegte opvult is de backup van de, zo dacht ik, verwijderde scènes die, hoewel al doorleefd, ook nog gezíen moesten worden. Ik doorleefde ze vanuit een combinatie van liefdevol inlevingsvermogen en de wilskracht om iemand te vinden met wie ik keihard en razendsnel over en weer zou kunnen sparren, iemand die om me zou geven, misschien zelfs een beetje van me zou houden. Mijn inlevingsvermogen en wilskracht bleken onbegrijpelijk. Een wissel was nodig omdat de wisselwerking me op een dood spoor zette. Ik was verdwaald, had er niks te zoeken. Alleen al het meespelen maakte me intimiderend, hoewel door mij zo anders geënsceneerd.

Ik zie stapels vellen met letters erop. Ze vormen woorden, zinnen, gebeurtenissen, scènes in verschillende lettertypen, geschreven door verschillende personen, hun gezichten bevroren in de tijd. Ik heb ze op chronologische volgorde in mappen gestopt. Het uitzetten van informatie tegen de tijd maakt trends inzichtelijk.

De trends in mijn informatie maken dat ik me bezin en dat ik zíe. Ik zie dat wat zo chaotisch, zo onverklaarbaar leek te zijn toen ik het doorleefde, en zó onrechtvaardig! Daarmee raak ik me bewust van mijn acties, die eerst gevoelsmatig waren, zonder woorden te kunnen geven aan het waarom. Mijn acties leken op acteerwerk, maar achteraf is niets in scène gezet. Ik heb alles bewaard, alsof ik wist dat ik me ooit meer bewust wilde worden van die trends, al voelde ik ze ongekwantificeerd aan. Ja, ik wíst het!

Eerder, wonend in kleine flatjes, was er geen ruimte om alles uit te stallen en te ordenen, hoogstens gedeeltelijk, wetend dat dit moment me nog te wachten stond tot ik de ruimte ervoor vond om het in gang te zetten. Eerst als student, terwijl de diepe tonen van gettoblasters van eveneens in het studentencomplex verzeild geraakte nietsnutten gaandeweg vervaagden tot een permanente achtergrondruis. Later als wetenschapper, in de verre verte kijkend vanaf tien hoog, waar de lucht zich begon te klaren, ook al zette het niet door.

Ik had ook geen tijd. Als ik verkrampt en verwrongen van de stress slapeloos was als ik slapen moest, kon ik mijn lijf er niet toe bewegen om de materie te pakken en te vervoegen tot trends. Het papier kwijnde weg in de bunkerachtige berging van mijn hoge flatje; de uit de dozen stekende vellen werden aangevreten door zilvervisjes als personificatie van de tand des tijds. Ik kreeg onsmakelijke tussendoortjes voor mijn kiezen die ik maar moest slikken als zogenaamd noodzakelijk onderdeel van mijn werk.

Disclaimer: onderstaand gedeelte bevat ruige taal.

In de waan van de dag raakte ik er bijna van overtuigd dat ik niet kon besturen, maar de trends in de documenten uit mijn studententijd laten iets anders zien. Geïntimideerd door mijn aanwezigheid raakten mijn verenigingsgenoten óók verblind voor het stukje van mij dat eerst nog binnen hun waarnemingsvermogen lag. Achteraf is het logisch dat ze me niet als geheel zagen. Veel van mijn laagjes zijn maar voor weinig mensen waarneembaar.

In plaats van alleen naar bestuursvergaderingen te gaan, ging ik ook naar overkoepelende vergaderingen met vertegenwoordigers van verschillende studieverenigingen en de studentenunie. Notuleerde er zelfs wel eens. En het interesseerde de in zichzelf gekeerde, éénkleurige klootviooltjes van mijn studievereniging geen biet. Och, misschien vergeef ik het ze nog wel, dat misantrope stel zalmneusjes van weleer wist niet beter en had andere prioriteiten. Misschien zijn ze intussen volwassen geworden, sommigen dan, en de rest… laat maar.

Ik zag hoe we deel waren van een groter geheel. Ik wilde organogrammen maken van dat wat ons zou kunnen binden en daarmee bredere belangen dienen, maar mijn medebestuurders wilden zich, groots gewaand, klein houden en zichzelf in een snurkende, rochelende slaap zuipen tijdens suffe borrels die eindigden in gore meuk. In plaats daarvan dwaalde ik rond op bestuurswissels van partnerverenigingen, op hun feesten met in het gelag verdronken geraakte thema’s, op zoek naar ook maar een klein beetje liefde, welke ik vond en toch ook weer helemaal niet.

Ik ben gerustgesteld. Ik kan het wél… besturen. Fuck die voorzitter van toen, met zijn charismatische boterhoofd, met zijn mooie, maar slappe praatjes waar iedereen in trapte. Ik was de schijnbare slechterik op een verborgen sleutelpositie, ooit afgevoerd naar de damestoiletten om daar door twee ééncellig geïnformeerden te worden uitgescholden, incompetent verklaard namens een mede-bestuurslid dat ineengekrompen tussen hen in zat, als een lillend weekdier zonder ruggengraat, te zwak om me eigenhandig op de brandstapel te gooien.

Dezelfde figuren voeren nu het hoogste woord in de alumnivereniging, waar ik na mijn afstuderen automatisch lid van ben geworden. Met deze observaties vermaak ik me prima als er weer eens een nieuwsbericht in mijn inbox landt. Mijn brandstapel is immers al lang uitgebrand. Ik ben ontsnapt op een manier die ze niet hadden voorzien, terwijl ze dachten dat er van mij niets over was dan as. Ik ben uit hun gezichtsveld verdwenen. Voor werk kijk ik nu internationaal. Ik verzin wel wat, komt wel.

Ik dacht lang dat het overal en altijd zo zou gaan, al weet ik dat ik me op veel plekken maar beter niet kan begeven. Vanuit dit oogpunt is het logisch dat ik een eigen setting heb gecreëerd. Nu nog iets waarvan ik kan leven. Uit de in het vagevuur geworpen slechterik mag hopelijk een gamechanger voortkomen.

Mij wacht een nieuwe stapel ongeordende printjes, kopietjes, aantekeningen en notulen.

Hoogbegaafd! Rouw & Traumaverwerking

 Intake


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Iemand die je ziet staan, ook al sta je niet stil

By | juli 29th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

“Want je hebt maar één iemand nodig die je optilt en laat zweven boven het alledaagse rumoer. Iemand die je ziet. Niet om wat je bent, maar om wat je eventueel zou kunnen. Dat gun ik alle leerlingen. Dat de rest van de wereld een chaotische klerezooi is, ontdekken ze vanzelf wel.”

Roos Schlikker, schrijfster, in Het Parool

Pakkend beschreven: “iemand die je optilt en laat zweven boven het alledaagse rumoer. Iemand die je ziet.”

Ja, dat iemand je ziet is oh zo doordringend. Het is je eigen massa op verlichtende wijze van betekenis doorvoelen.

Een beetje geïrriteerd schrijf ik het woord “verlichtend” – niet alwéér dit woord – nog even en je bent verlicht, niet zo zeer als leeg van binnen, als wel “hol van betekenis”.

Maar goed, die irritatie terzijde: wanneer iemand je ziet, wordt een negatieve zijnsovertuiging zomaar ineens gevoed met en omgebogen tot positieve varianten.

En ja, dat is verlichtend; het zwaarmoedige transformeert niet zozeer naar hoogmoed als wel naar zelfversterkende zachtmoed.

“Hell is other people”, zei een geroemd filosoof. Spiegelende reflectie is de voedingsbodem voor houdbaar samen-zijn, vermoed ik.

Als weleens gevraagd wordt waarom ik als coach werk en hoe mijn interesse voor de theorie van positieve desintegratie gewekt werd, dan kan ik daar verscheidende versies over vertellen. Meestal benadruk ik een voor mij doorslaggevende ontmoeting met een ondertussen goede vriend, die in mijn beleving een vereeuwigde betekenis heeft in… jawel, mij zien.

Soms licht ik toe welke bestaansworstelingen ik heb gekend en ken, en waarom het zo weldadig van zin is dat het Dabrowskiaanse perspectief op des levens moeilijkheden de relatie, verhouding, de verbinding, de beweging en de samenhangende betekenis tussen positief en negatief op een ontwikkelgerichte wijze opklaart.  Dan sta ik persoonlijker stil bij angst, verdriet, teleurstelling, onzekerheid, ongemak, schaamte, pijn of gebroken-zijn. Ja, die ervaringen hebben er allemaal ook aan bijgedragen dat ik me nu bewust wil en (voor zover ik ervaar 😉 ), meestal, kan zijn van de negatieve energie die in me circuleert, om me heen circuleert en om draagkracht, veerkracht, wijsheid en liefdevolle vriendelijkheid vraagt. Als je het aan mij vraagt.

Maar… zoals de ontmoeting met de goede vriend reeds benadrukt: het zijn, net zo goed en minstens zo van belang, met alle wetten van behoud van energie, de soms kortstondige en ook frequente ‘schone, goede, positieve en hartverwarmende’ mens-contactmomenten die me boven het “er aan onderdoor gaan” hebben doen bewegen.

Zo was er eens een leraar aardrijkskunde, die aan het einde van de middelbare school verwonderd reageerde toen ik vertelde economie te gaan studeren. “Jij?”, zei hij.

“Ik dacht dat jij wel bestuurskunde zou gaan doen. Anderen leiden.”

Ik zou zijn woorden nooit vergeten. Deze man, met zijn eclectische wijze van lesgeven en zijn ietwat nerveuze vertelstijl, had mij gezien. Zo voelde dit toen.

Het einde van de middelbare schooltijd is emotioneel complex, woelt een beetje van zowel positieve als negatieve emoties. De opmerking van de aardrijkskundeleraar ‘organiseerde’ de complexiteit op dat moment verzachtend. Inderdaad, leiderschap, dat zou ik in het toen reeds langer aanhoudende verdriet welhaast aan de vergetelheid toevertrouwen, maar was van jongs af aan een kwaliteit die me natuurlijkerwijs afging. Het is verfrissend als iemand voorbij je verdriet je kwaliteiten ziet!

Waarderend gezien worden

Zo was er ook mijn moeder die in een telefoongesprek eens ogenschijnlijk achteloos zei (en zag):

“Ik weet zeker dat jij een fantastisch boek kan schrijven, oh nee, dat weet ik zeker.”

De relatie met mijn moeder was tijdens en na de ontwrichting van ons gezin en de scheidingsperikelen en -prikkels “gecomplexificeerd”. Ik zou willen zeggen:

Die ene opmerking hé, mam, aan de telefoon toen, hoeveel lieve ordening brengt dit aan in een relatie toch al gekenmerkt door vereeuwigde verstrengeling en soms nog ontknopende pijnpunten.

Haar opmerking aan de telefoon voelde zoals toen ze me als koter zonder enige twijfel tussen haar knieën liet vallen, hop, hop, paardje in galop. Oh nee, dacht ik, gaat dit wel goed? Ze leek er geen moment aan te twijfelen.

Het moge dan veel meer contactmomenten tezamen zijn die allen ook zonder bewustzijn hierover van invloed zijn op het contact met mijn moeder; zo’n vluchtige opmerking van “iets” wat voor haar wellicht klaar-helder is, over wat ik zou kunnen, is (jawel..!) verlichtend. Een vrije val de diepte in, als hoogtepunt van een kort telefoongesprek.

Tja, zij zag mij allang voordat ik een notie van een relatief zelf had en in onze blikwisselingen leerde ik gestaag iets erkennen van zucht naar taal als zelf-expressievorm.

Ook was er mijn vader, die na mijn zoveelste niet afgeronde poging tot een sociaal aangepaste functie binnen een organisatie, groot of klein, meelevend knikte, invoelend glimlachte en zo af en toe iets zei in de trant:

“Ja, dat is een beetje wie je bent, aard van het beestje, gewoon verder proberen, je weet niet, ga gewoon maar door.”

Hoe een ingenieus en inherent ook pijnlijk systeem van trial-and-error in een korte uitwisseling zo bemoedigend als niet determinerend voor wie ik naar ervaring onvermijdelijk ben gekenmerkt werd! Oftewel, vertrouwen, daar ging het om. En rust en regelmaat, beaamde hij, met zijn door de jaren heen gerijpte zelfkennis als bagage, die ondertussen de mijne niet meer zo sterk was.

Maar ook was er een empathisch begaafde therapeute die, alle psycho-analyses daargelaten, eens op mijn stotterende relaas over een aankomende verhuizing reageerde met:

“Waarom kun je jouw zussen niet vragen om hulp?”

Daarmee keerde ze mijn perspectief op levensgebeurtenissen op z’n kop en ik steeg boven een redderssyndroom en huiselijke rolverwisseling uit.

Sterker nog, relaties hadden en hebben helemaal niet zoveel met aandoeningen van doen, maar met samen-zijn en samenwerken, kon ik toen weer even “gewoon” voelen. Haar doortastende vereenvoudiging doet me nog steeds complex veel.

Of mijn partner die eens scherpzinnig als hij kan zijn (en waar ik fijngevoelig mee om heb leren gaan) zei:

“Het is misschien ook belangrijk te weten wat je niet kan.”

Ja, dit kan paradoxaal ontmoedigend klinken, ‘maar’ voor iemand die in vrijheid zwom, vanuit richtingloze openheid, die zo af en toe gevoelsmatig in de vrijheid verdronk, was de door hem aangestipte ‘negatieve vrijheid’ een zinscheppende suggestie! Eén die de aflatende chaos even transparant maakte en me bewust maakte van het eigene dat ik kon onderscheiden van het on-eigene, maar ietwat onbeholpen verinnerlijkte.

Zo leerde ik beter zien wat ik niet kan en waar ik gerust – als het zo is dan maar mét schaamte – maar niet zozeer uit ontreddering, hulp bij kan vragen.

Er zijn mensen die deel gaan uitmaken van je persoonlijkheid zoals je deze bewust structureert, herinnert (re-member-ed). Personen die niet veronachtzamen dat je je eenzaam kan voelen, maar die eenzaamheid er in verbondenheid laten zijn voor wat het is. Het niet problematiseren, misschien nooit benoemen, maar ook niet tot unieke identiteit verheffen (want dat kun je lastig te boven komen..).

Hoe graag ik soms ook heb gewild dat mijn problemen gezien werden, ben ik evenzo dankbaar voor de momenten waarop ik ondanks mijn oh zo klein- en grootmenselijke gevoelens gezien werd voor wat ik óók kan zijn.

Mentor Dabrowski

Dabrowski benoemt verscheidende malen in zijn analyses van casuïstiek de rol van een mentor, niet per se als zodanig door hem benoemd, maar eerder als iemand die althans een dergelijke, aanmoedigende, bewustmakende, voorbeeldig vér-beeldende functie heeft – in het, abstract geformuleerd, herstructureren, reorganiseren van het individu tot persoonlijkheid. Kenmerkend heeft Dabrowski zelf deze betekenis voor velen gehad, direct en indirect, waar ik tijdens het Internationale Dabrowski Congres in 2014 getuige van was door kennis te maken met zijn ex-studenten en dochter.

Bovendien stelt Dabrowski relatiegevoelens en relatie-erkennende psychische kwaliteiten – denk aan schaamte, schuld, liefde, verantwoordelijkheid, onzekerheid – voorop in de door hem beschreven, gelaagde ontwikkeling van empathie, autonomie, authenticiteit en compassie.

En, hoewel via een omweg, voelde ik me ook middels Dabrowski’s visie gezien. Zo reflecterend en zo eens terugkijkend, is je schrikbarend veel gezien voelen een uitdaging op zich.

Als niet te stuiten afsluiter: hoe mooi en fijn is het om een ander te (leren) zien, om wat bij jou gezien werd mede middels je persoonlijke perspectief te zien veranderen in kansen tot andermans zich-gezien-voelen: overeenkomstig onvergelijkbaar. Het zelfzoekende voorbij, het geenander-zijn tegemoet kijkend.

Hoogbegaafd! Liefde & Relaties

 Lid worden


© Lotte van Lith via >>PositieveDesintegratie.nl<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Ik sta stil omdat ik geen baan heb”

By | juli 28th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Cliënt: “Zo’n gevoel van stil staan, de tijd verstrijkt, iedereen gaat door, en ik doe niks. Er gebeurt niets. Ik heb zo’n 10 jaar gewerkt als zelfstandig professional in de creatieve sector. Nieuwe opdrachten volgden elkaar op en mijn kennis en kunde heb ik voornamelijk al werkende ontwikkeld. En nu blijven de opdrachten al sinds vorige zomer uit. Dat kwam voor mij zeer onverwacht. Als een shock. Omdat ik nu geen baan heb, sta ik al maandenlang stil.”

Ik: “…”

Cliënt: “En ‘stilstand is achteruitgang’ is zo’n uitspraak.”

Ik: “Hmm, dat kan wel lastig te verduren zijn, dat gevoel van stilstand.”

Cliënt: “En het is afwijzing op afwijzing op afwijzing… Dan denk je ‘leuke baan, ik doe er een sollicitatie uit’, en weer word je het niet. Op een gegeven moment denk je dan ‘waar doe ik het voor?’”

Ik: “Ah ja, die cyclus van solliciteren, afgewezen worden, solliciteren, afgewezen worden zet ook een interne cyclus van hoop en vrees in gang. Ik begrijp dat dat allerminst plezierig kan voelen… Het jargon rondom sollicitaties en audities doet ook weinig goed denk ik. Het woord ‘afwijzing’ is geen neutrale beschrijving van de situatie en raakt je emotionele beleving. Wat zou je dat gevoel van stilstand willen geven, wat heeft dat gevoel nodig?”

Cliënt: “Een baan, haha, gewoon weer een dagbesteding waar ik mijn handen kan laten wapperen en mijn creativiteit kan inzetten.”

Ik: “En welke boodschap geef je daarmee aan je gevoel, je gevoelens?”

Cliënt: “……dat ze weg moeten? Dat ze geen functie hebben?”

Ik: “Ja… misschien is een interessant perspectief dat je in feite je sociaal-maatschappelijke situatie verinnerlijkt zodra je je innerlijke beleving dezelfde werkloze status toekent…?”

Cliënt: “Even processen hoor… dus dan zet ik mezelf buiten spel omdat ik maar wacht en wacht totdat anderen me eindelijk die baan geven…”

Ik: “De zin die je net uitsprak, over dagbesteding, wapperen en creativiteit, zou je die nog eens willen beluisteren in gedachten en ontleden op mogelijke behoeften die erdoorheen klinken?”

Cliënt: “Hmm… het gevoel hebben dat je ertoe doet.”

Ik: “Iets als gewaardeerd worden, erkend, bevestigd?”

Cliënt: “Ja, zoiets. En zin om aan de slag te gaan, bezig te zijn.”

Ik: “Actief en zinvol bezig zijn. En op creatieve wijze, dat noemde je zojuist ook.”

Cliënt: “Ja.”

Ik: “Zou dit ook een antwoord kunnen zijn op de vraag wat je gevoel, van stilstand in het bijzonder, nodig heeft? Dat het gewaardeerd wil worden, erkend en bevestigd? Dat het actief effect mag hebben, zin mag hebben, en creatief benaderd en geuit wil worden?”

Cliënt: “Hmmmmmmmm…”

Ik: “Vind je het oké om die even te laten sudderen terwijl we nog wat verder verkennen?”

Cliënt: “Ja, dat is goed…”

Ik: “Je zei ‘stilstand is achteruitgang’, nu lijkt dat een wat stereotiepe uitspraak waarin de ervaring van de spreker stellig is verwoord ten koste van de nuance. Vergelijkbaar met de spreekwoorden en gezegdes die we op school leren. Als een uitspraak taalkundig niet klopt, stilstand ís tenslotte per definitie niet hetzelfde als achteruitgang, dan lees ik dat als een aanwijzing om de uitspraak in context en wellicht symbolisch te begrijpen. Een signaal om de uitspraak naar jezelf toe te vertalen om er de mogelijke waarde, diepere wijsheid en toepasbaarheid uit af te leiden. Kun je herleiden hoe die uitspraak in jouw geest terechtkwam?”

Cliënt: “Het is zo’n standaard opmerking, vrienden zeggen het, je leest het.”

Ik: “Vind jij zelf ook dat stilstand achteruitgang is?”

Cliënt: “Nou, zo voelt het wel. En in mijn portemonnee ook!”

Ik: “Daar wil ik zo graag op terugkomen. Een helder antwoord op de vraag, van jou, lijkt belangrijk te zijn. Dus, vind jij dat stilstand achteruitgang is?”

Cliënt: “Hmm… nee, dat ook weer niet, maar even gezien vanuit een voor mij heel praktisch en vooral belangrijk oogpunt: het zien krimpen van mijn financiële buffer.”

Ik: “Wil je dat eens tekenen, dat beeld van het zien krimpen van je financiën, wat zie je dan precies voor beeld?”

Cliënt: *pakt lachend een stift, tekent een slinkend banksaldo* “Het is te vaag om te verwoorden, laat staan om te tekenen.”

Ik: “Omdat het fantasie is…! Wat werkelijker is, is je huidige ervaring. Waar raakt dat financiële aspect aan, aan welke waarde of behoefte?”

Cliënt: “Dat financiële is belangrijk omdat ik dat sterk koppel aan autonomie.”

Ik: “Autonomie, één van je meest basale zijnskenmerken vertelde je eerder. Autonomie is een ervaring die je alleen nú kunt beleven. Of juist nú kunt missen, onderzoeken, vergroten, vormgeven. Dat vraagt om het oefenen van je opmerkzaamheid ten opzichte van je binnenwereld. Bijvoorbeeld de tekst ‘stilstand is achteruitgang’. Die woorden vatten nu een geheel aan elementen uit je gevoelservaring samen en die samenvatting leidt je af van een meer subtiele waarneming van de andere bewegingen in die ervaring. Als je die tekst weer in je gedachten opmerkt, kun je proberen ‘m met zachte moed te doorvoelen op emotionele betekenis. Erbij stil staan…”

Cliënt: “Dus de gedachte bedoelt dan eigenlijk precies het omgekeerde, terwijl het zo overtuigend klinkt: stilstand is achteruitgang. Maar het kan dus ook het tegenovergestelde betekenen voor de emoties. Wel moeilijk hoe dat dan werkt, maar zoiets als: door stil te staan, kom ik vooruit.”

Ik: “Precies! Je zei net dat stilstand wel vóelt als achteruitgang. Een van de elementen van die ervaring is, zo meen ik uit eigen waarneming, juist je bewuste besef van tijdsverloop. Herken je dat en zou het volgens jou een afgeleide van doodsangst kunnen zijn?”

Cliënt: “Jeetje… dat klinkt wel erg groot… hmm…”

Ik: “Aangevuld met de sterke wens om te leven?”

Cliënt: “Ja, en stilstand voelt als een houdgreep tussen die beide uitersten. Ik leef nú en dat besef verlamt me zodra ik dat leven niet zinvol kan invullen.”

Ik: “In één van onze eerdere gesprekken vertelde je dat je ouders een eigen bedrijf hadden, altijd aan het werk waren. Enig idee wat jij van hen hebt geleerd over stilstand?”

Cliënt: “Nou, dat woord kennen ze niet, dat zit niet in hun vocabulaire, er is altijd werk te doen, je werkt keihard voor je geld, ook op de feestdagen.”

Ik: “Het kan zijn dat je daar de regel uit hebt vertaald dat de aanwezigheid van werk een gegeven en een noodzaak is. En welke ideeën over stilstand, werk, en waardevol zijn heb jij uit jouw jeugd meegenomen je volwassen leven in?”

Cliënt: “Aha… ja dat stilstand nergens toe dient, dat het tijdverspilling is. Als je geen werk hebt, dan sta je stil. Dan voeg je geen waarde toe, ben je niet nuttig.”

Ik: “Zouden hun overtuigingen jouw ervaring van stilstand hebben beïnvloed?”

Cliënt: “Ik heb blijkbaar geleerd te denken dat ik pas nuttig ben als ik werk. Dat ik dan pas recht heb om te leven.”

Ik: “Autonomie is een belangrijke waarde voor je, zei je zojuist. Misschien is het zinvol om voor jezelf te onderzoeken welke waarden van je ouders je hebt verinnerlijkt, hebt overgenomen, en wat eigenlijk jouw eigen standpunt is. Dat waar jij in gelooft en voor wilt gaan. En om in je dagindeling je focus te verleggen van werk als enige middel om je behoeften te vervullen naar andere mogelijkheden om in je behoeften te voorzien. Wat kan je nog meer doen om je gewaardeerd, erkend, bevestigd, actief, zinnig en creatief te voelen?”

Cliënt: “Dat geeft al wel energie, iets waar ik wat mee kan. Alsof ik weer meer kind kan zijn en mijn eigen wijsheid, of nou ja, iets van inzicht of intuïtie, opnieuw kan volgen in plaats van me aan te passen aan wat anderen schijnbaar van me vragen.”

Ik: “…je mag die ruimte innemen. Ik meen dat die stilstand, als fluctuatie in beweging, een gezond en noodzakelijk onderdeel is van ontwikkeling. Het hoort erbij, en zou kunnen worden gezien als de ontstaansgrond van alles… Misschien geeft dat besef net die verruiming om vruchtbare afstand te nemen van je gevoelens. Er zijn vast andere personen, organismen, die ook periodes van schijnbare stilstand, van verlaagde activiteit, hebben. We hebben dat alleen niet zo door…”

Cliënt: “……omdat we dan te druk zijn met onze eigen stilstand of juist volop in actie zijn…?”

Hoogbegaafd! Werk & Ondernemen

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Had ik dit maar eerder geweten… – 1

By | juli 20th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Het was ongeveer twee jaar geleden. Ik was 47 jaar en hoorde het dus ineens. Ze flapte het er zomaar uit. En zij is al 35 jaar een echte topper in haar vakgebied, dus ik geloofde haar ook gelijk. Ik heb het daarna ook laten testen en controleren. En ineens was ik dus uit de kast.

“Oh ja, ik zie het al, je hebt goudblond haar van nature, dus kan je koelere kleuren goed hebben maar je moet wel oppassen met geel- en goudtinten.”

Dat zei dus mijn kapper, zomaar ineens, onverwachts!

Heuh, goudblond haar? Ik? Welnee, hoe kom je erbij?? Ben je gek! Ik ben normaal, gewoon euh.. donkerblond, net als bijna iedereen!

Mijn moeder zei namelijk altijd:

“Je hebt geen blond haar en ook geen bruin haar, ’t is net niets… peper-en-zout dus, helemaal niets bijzonders, gewoon kleurloos, donkerblond heet dat. En doe maar niet zo bijzonder of gevoelig, want die klitten hebben we allemaal, dat hoort erbij, je haar is gewoon, dun en lastig. Niets moois aan. Het is er gewoon, niets aan te doen. Daar moet je het mee doen. Punt.”

En op school in de prentenboeken en werkboekjes zag ik het ook. Er waren poppetjes of tekeningen van mensen of kinderen met blond of met bruin haar. Heel soms zag je rood, maar nooit herkende ik me daarin. Ook zag ik haast geen beroemde vrouwelijke rolmodellen met een peper-en-zout kleur, want die blondeerden of verfden hun haar meestal in een echte kleur.

Dus vanaf ongeveer mijn 14e blondeerde ik mijn haar, eerst met Spray Blond, later echt met pakjes spoeling en toen ik zelf mijn geld verdiende kon ik het bij de kapper laten doen. Sinds die tijd had ik mijn echte haarkleur niet meer gezien. Dus vergat ik het “gelukkig” ook, mijn echte haarkleur. Ik ging van blond naar rood, in mijn puberteit soms zelfs naar blauw, groen en roze, en sinds mijn veertigste vooral naar volwassen warme chocolade cq. donkerbruine tinten.

Totdat ik toch benieuwd werd. Ik liep steeds tegen dezelfde dilemma’s aan. Ik werd inmiddels ietsje grijzer en ik kreeg steeds vaker last van die lelijke peper-en-zout uitgroei nu met grijs erbij, wisdom-highlights zeg maar! Dus vroeg ik om advies. Want ik wist het echt even niet meer….

En toen bleek dus ineens dat ik al heel mijn leven goudblond haar had.

GOUDBLOND, zeg ik je.

Ik zag een kleuterfoto en zocht mijn oude klassenfoto’s terug. Ik geloofde mijn ogen niet en moest inderdaad slikken: ik zag met de kennis van nu eigenlijk een hele mooie kleur haar. Niets geen peper-en-zout, maar goudblond. In het Engels noemen ze dat zelfs strawberry blonde….

Wat gaaf!!!!

Nu vallen er ook zo veel kwartjes, vandaar dus dat sommige kleuren en kleding maakten dat ik eruitzag als een dweil. Het lag dus helemaal niet aan mij, ik maakte gewoon de verkeerde keuzes. En ik begrijp sommige opmerkingen en grapjes van collega’s en leidinggevenden ineens veel beter. Ze voelden zich natuurlijk gewoon bedreigd of waren jaloers.

Als ik dat nou eerder had geweten, dan had ik vast en zeker meer zelfvertrouwen gehad.

Dan was ik trots geweest op mijn gouden lokken, dan had ik veel meer in mezelf geloofd.

Dan had ik het vast lang laten groeien en niet constant uit schaamte maar laten kortwieken. Ik zou het natuurlijk nooit kapotgeblondeerd hebben in de jaren tachtig. En zonder die rode spoelingen, die sowieso maar een weekje mooi bleven, had ik handenvol geld kunnen besparen.

Ik zou zeker andere keuzes hebben gemaakt. Want misschien had ik dan wèl geloofd dat ik het na mijn toeristische managementopleiding in me had om daar carrière te maken. Sowieso zou ik veel meer zelfvertrouwen hebben gehad. Met die kennis over mezelf waren er vast deuren open gegaan die voor anderen dicht waren gebleven. Zeker voor die grote meerderheid die ook ECHT een peper-en-zout kleur hebben en dus eigenlijk maar gewoontjes zijn. Weet je dat er maar een heel klein gedeelte van de mensen puur goudblond haar heeft, nog geen twee tot tien procent?

Ik heb het laatst dus ook aan mijn moeder verteld.

Zij reageerde verbaasd en zei dat ik me vooral niets moest inbeelden, want zo bijzonder was het nou ook weer niet. Ook ontkende ze dat ze dat ooit zo gezegd had. Nou ja, anders dan ik het had gehoord want ze had het zeker niet zo bedoeld. Verder zei ze dat ik beter had moeten weten, ik had wat vaker in de spiegel moeten kijken! En dat zij vroeger ook goudblond haar had, maar dat ze dat nooit bijzonder vond. Daar hadden ze het vroeger ook nooit over. Het was er nu eenmaal. Daar doe je niet moeilijk over en daar moet je het gewoon mee doen. Punt.

Trots loop ik nu met een hoofd met goudblond haar rond en ik durf dingen te doen die ik eerder niet durfde. Zoals een crèmekleurige blouse dragen, geen spierwitte, want dat maak me mat en bleek.

Ik straal!

Nee, nu ik weet dat ik goudblond haar heb, kan ik eindelijk gewoon expres zijn wie ik ben…. Wie ik altijd al was en wie ik heb verstopt omdat ik niet beter wist. Wat een bevrijding!

Ik heb een nieuw stukje zelfkennis en daarmee kan ik vanaf nu andere keuzes maken. Ik kan mijn verleden niet meer veranderen, maar ik treed in ieder geval de toekomst met veel plezier en een hernieuwd zelfvertrouwen tegemoet….. misschien word ik wel haarmodel voor shampooreclames.

De wereld ligt aan mijn voeten, ik voel me geweldig!

Had ik dit nu maar eerder geweten….

Deel 2

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden

 


© Tessa Faber via >>MakingSense.nl<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Over twee jaar heb ik geen werk en geen inkomen meer”

By | juli 19th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Cliënt: “Over twee maanden ben ik officieel uit dienst en na twee jaar stopt de uitkering. Voor die tijd moet ik wel weer een nieuwe baan hebben. Als dat niet lukt, dan ben ik over twee jaar werkloos. Het geld is dan op en ik ben kansloos op de arbeidsmarkt.”

Ik: “Ja, dat is wel een uitspraak die top of mind is, begrijp ik, ik heb het je vaker horen zeggen.”

Cliënt: *pretogen* “Ga je nu dan een blog over mij schrijven?”

Ik: “Haha, nou inderdaad, je vraagt er wel om. Zullen we je uitspraak eens van diverse kanten aanvliegen?”

Cliënt: “Ja, doe dat maar Ilona, ik moet uit mijn hoofd, het denken brengt me in de angst.”

Ik: “Hmmm, laten we het denken niet over één kam scheren. Laten we juist het denken gebruiken om te reflecteren op je acties en reacties van de afgelopen weken. Je bent nu vier weken weg uit je laatste functie. In de eerste week had je coaching ingeschakeld, in de tweede week begon je met het vrijwillig parttime inwerken van jezelf bij het ICT detacheringsbureau van een vriend van je, elke week voer je netwerkgesprekken, en je hebt net een persoonlijk ontwikkelingsweekend achter de rug. Om je liefde voor het creatief-artistieke opnieuw te ontdekken, duik je bovendien in je familiegeschiedenis en diep je de relatie met je moeder verder uit, waarbij je al terugkijkende en doorvoelende realisaties opdoet die je helpen om in een nieuw evenwicht te komen. Hoe zou je je houding in deze situatie omschrijven?”

Cliënt: “Razend actief. Haha.”

Ik: “Ja, ik bedoel je te spiegelen, zonder het voor je dicht te timmeren. Er zit een kleuring van mij in, dus… wat zou je er nog meer over kunnen zeggen?”

Cliënt: “Dat ik ver vooruit denk? Ja, ik moet dat niet doen, het denken haalt me uit mijn gevoel, houdt me weg bij mijn intuïtie. Als kind was ik bijzonder intuïtief, sensitief ook, ik ben dat verloren.”

Ik: “Verloren… hmm… dat klinkt pijnlijk, alsof er een definitief verlies is geleden. Verloren klinkt juist heel gevoelvol, vol spijt, verlangen, angst en besef van de gewenste richting. In een van de eerdere sessies bracht je jezelf in een spontane regressie waarin je gevoelens ontdekte vanuit je zeer vroege kindertijd. Dat ontstond organisch tussen ons, zonder voorbedachte rade, mijn bijdrage was om er te zijn, verder begeleidde jij jezelf. Dat was voor mij een unieke ervaring, dat jij als cliënt je eigen regressie tot stand bracht. Heel bijzonder vond ik het. Voor zover het enige referentiewaarde heeft, kan ik je zeggen dat je om zoiets te doen wel een nauwe connectie moet hebben met je gevoel, met je intuïtie. Jij volgde jezelf en dat bracht je nieuwe wijsheid. Besef je hoeveel wezenlijk leiderschap je daar toont?”

Cliënt: “Wezenlijk… ja contact met mijn eigen wezen, ik mis dat, het is zo belangrijk, als ik uit mijn denken ben, voel ik het wel, jij hebt de finesse om mij dat te laten voelen, jij kent die laag waarin het denken stilvalt. Het is alsof er dan een last van me af valt. Ik zit dan helemaal in het moment. In het ‘nu’.”

Ik: “Dat deel van het denken wordt ook wel het geconditioneerde denken genoemd. Het beslaat niet het héle denken. Het gaat erom hoe de denkruimte is gevuld en vrijgemaakt, hoe het denken wordt ingezet. Het denken kan die periode van twee jaar ook herkaderen als een vrije speelruimte waarin je wordt betaald om jezelf opnieuw te ontdekken… Daarstraks zei je ‘het denken brengt me in de angst’. Vertel daar eens wat meer over, wat denk je zoal?”

Cliënt: “Dat ik nog geen nieuwe baan heb, dat ik voor mijn vrouw wil zorgen, dat we een hypotheek hebben, dat we het financieel nog wel even uithouden maar dat het niet te lang moet duren, dat je bent afgeschreven op de arbeidsmarkt na je vijftigste, de vele spookverhalen online over de kansen op een baan voor 50-plussers, dat ik niet achter de geraniums wil zitten. Ik ervaar dat allemaal als heel angstig. Misschien ook wel uitzichtloos…”

Ik: “Zou het omgekeerde ook waar kunnen zijn: de angst brengt je in het denken? In dít denken? Dat de angst latent al aanwezig was en dat die, eenmaal getriggerd, het angstige denken op gang brengt?”

Cliënt: “Ja, een onrustig gevoel, een gevoel van haast en moeten, snel vooruit moeten omdat er anders stilstand dreigt.”

Ik: “Oké, kijk eens of je die angst kunt voelen, in een zo intiem-fysiek mogelijke kwaliteit. Om je er niet in te verliezen, geef je jezelf twee ankers. Visueel, door je ogen wijd en open te houden, en de visuele informatie van de ruimte waar je je nu in bevindt te laten binnenkomen. Je ontvangt de ruimte zogezegd, je blijft zien waar je bent. Daarnaast tactiel: je maakt met je handen en voeten actief contact met de bank en de vloer. Voel hoe de stof van de bank voelt en beweeg je voeten over het kleed. Verken de ruimte, speels, genotvol, improviseer.”

Cliënt: “Ah ja, oké dat gevoel is geruststellend. Daar kan ik van genieten. Ik bespeur bij mijzelf een plezierige sensitiviteit voor mooie stoffen. Stoffen fijn van structuur en vol van kleur. Schitterend gewoven designs doen mijn gevoel beroeren. Het brengt mijn artistieke verlangens weer naar boven. Beelden van schilderijen en muzikale klanken wisselen elkaar af of lopen door elkaar.”

Ik: “Wat intens… Een deel van je aandacht is nu bij dat geruststellende, genietende gevoel. Gelijktijdig voel je hoe de angst in je beweegt.”

Cliënt: “Die voelt nu al minder.”

Ik: “Dat kan, geef er dan iets meer aandacht aan, alsof je nieuwsgierig bent naar die angst, alsof je eraan gewend wilt raken. En houd jezelf ruimtelijk aanwezig door de buitenruimte te consumeren met je ogen en handen.”

Cliënt: “Nu voel ik inderdaad meer mijn angst. Ik kan ‘m als het ware aanraken. Ik moet daarvoor meer bij mijzelf naar binnen.”

Ik: “Welke gevoelens zijn daar nog meer te treffen?”

Cliënt: “Het gevoel voor mooie dingen raakt tegelijkertijd een gevoel van verdriet. Een gevoel van verdriet om iets te kunnen kwijtraken wat mij zeer dierbaar is. Het gevoel appelleert aan weer een artistieke reflectie, maar dan ook zintuiglijk. Het geeft mij een heel Baroque gevoel. Een gevoel dat verbeeld wordt in beelden die we ook wel kennen uit de films over de kastelen en de adellijke belevingen uit de Renaissance en baroktijd. Het is misschien wel daarom dat ik zo van Italië houd. Het gevoel weerspiegelt een beleving van literatuur, muziek, cultuur en culinaire extase en verfijning. Heel subtiel en zintuiglijk. Mijn innerlijk gevoel aanraken en bewust worden geeft ruimte. Maar om één of andere reden ook nog een gevoel van verdriet.”

Ik: “Verdriet…hoe is dat verwant aan je gevoel voor mooie dingen?”

Cliënt: “Ik realiseer mij opeens dat ik onbewust mijn leven en omgeving ook heb ingericht naar deze innerlijke beleving. Dit is meer onbewust gebeurd. Maar ik begrijp dat door het uiterlijk vormgeven naar aanleiding van een innerlijke referentie, er nu de kans bestaat dat ik, door het verlies van mijn baan en dus inkomen, deze uiterlijke levensinvulling kan kwijtraken. Dat doet pijn. Maar dit komt ook voort uit hechting. Scheiden doet lijden. Wel mooi om te beseffen dat de uiterlijke manifestatie van mijn (deels onbewuste) innerlijke belevingswereld daarmee verband houdt. Dit is misschien gelijk ook de legitimering van het belang van scheppende kunsten in onze samenleving. Maar goed, nu ben ik misschien weer te veel aan het analyseren en zit ik weer te veel in mijn hoofd in plaats van bij mijn gevoel.”

Ik: “Die twee gaan prima samen… Merk op hoe vloeiend er uit het gevoel inzichten kunnen ontstaan, en hoe dat creatieve, intuïtieve, persoonlijke denken kan overvloeien in een meer gerationaliseerd, abstraherend denken waarna het zichzelf kan afstraffen vanwege die overgang. Die laatste denkkwaliteiten ervaar je nu misschien als minder wenselijk; toch faciliteert en communiceert dat gelaagde denken ook een hoop gevoel.”

Cliënt: “Hmm, dat is wel zo… ik voel gewoon zoveel angst om mijn gevoel weer kwijt te raken.”

Ik: “Ga nog eens terug naar jouw gevoel en het verdriet dat je opmerkte. Blijf daar eens bij zonder het te willen analyseren. Wat voel je?”

Cliënt: “Ik voel een diepe behoefte om me creatief te uiten. Iets wat ik vroeger nog vakmatig had kunnen ontwikkelen maar waar het nu te laat voor is. Die weg is afgesloten…”

Ik: “Ah ja, een diep verlangen… houd daar contact mee. Wat zou je het allerliefste willen?”

Cliënt: “Het liefst zou ik weer willen musiceren, maar dat is door een blessure, opgelopen in het verleden, niet meer mogelijk. Dat gaat niet meer.”

Ik: “Hmm…betekent dat ook dat je artistieke weg is afgesloten? Ik verheug me op je kunstzinnige, creatieve, sensitieve ‘aanbod’, er spreekt zoveel passie uit.”

Cliënt: “Ja, misschien heb je wel gelijk en beperk ik me te veel door de lat voor mezelf weer heel hoog te leggen. Aan de andere kant weet ik wat ik kon en hoor ik wat het nu is. Daar zit wel een groot verschil tussen. Verder ben ik mij de laatste tijd ook meer bewust geworden van mijn innerlijke creatieve gevoel. Ik kan dat mogelijk ook in meerdere kunstvormen uiten. Ik ervaar het nu meer als mijn innerlijke creatieve bron. Creativiteit hoeft niet alleen door mijn instrument te stromen, maar kan ook vorm krijgen met behulp van een schrijfblok en pen of met een tekenblok en potlood. En, vergeet niet dat ik een groot liefhebber ben van heerlijk eten met bijpassende wijnen. Schrijven over mijn culinaire fantasieën lijkt mij ook geweldig. Het grappige is dat ik mij nu besef dat ik mijn kunst niet kan creëren maar enkel kan laten ontstaan. Niet ik speel of schrijf, maar ‘het’ speelt en schrijft. Nu ik dit zeg, ervaar ik ook een lichte tinteling in mijn lijf. Ik laat het toe in plaats van het te willen afdwingen. Door het toe laten, laat ik ook de controle los. Mijn enige baken is mijn creatieve ‘stem’, mijn scheppende ziel die gehoord wil worden. Dit voelt heel mooi, krachtig, maar tegelijkertijd ook heel subtiel. Het geeft mij ook een verlangen naar meer, naar meer scheppende uitingsvormen. Het geeft mij kracht en vertrouwen. Maar tevens ook een grote nieuwsgierigheid. Dit is mooi zeg!”

Hoogbegaafd! Kunst & Kunstenaars

 Lid worden

Hoogbegaafd! Muziek & Muzikanten

 Lid worden

Hoogbegaafd! Culinair

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Overweldigend waardenvol

By | juli 18th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Welke waarden ze had, vroeg ik. Welke waarden ze waardeert.

Zucht, niet zo’n vraag. De laatste keer dat ze zich hierover boog, zat ze op de middelbare school, zei ze licht vervreemd. Een beetje kunstmatig allemaal, zo’n oefening, toen een verplicht onderdeel van toch al weinig levendige lesstof.
Bovendien zouden haar antwoorden cliché zijn, vermoedde ze.

Binnenin of buitenom, de vraag ging met frictie gepaard.

Ze wilde geen voor de hand liggende antwoorden geven, maar kon er niet echt omheen: verbinding, dát was belangrijk. Echte verbinding. Interpersoonlijk, zou ze later verfijnen.

‘Dat zou waarschijnlijk iedereen zeggen’, voegde ze eraan toe.

‘Fijn dat we op dat punt op één lijn zitten met elkaar’, grapte ik subtiel, met de intentie haar uit te nodigen hardop denkend na te gaan welke waarden nog meer voor de hand liggend ‘maar’ belangrijk zijn. Met de intentie sociaal in verbinding te staan, gedurende het onderzoeken en inclusief de gevoelde onzekerheid.

Doorzettingsvermogen en moeite doen. Richtingsgevoel, zingeving. Ook het gevoel een plek te hebben op deze wereld, waar je zogezegd thuis bent.

Vier, vijf waarden, kwaliteiten of ervaringen passeerden en hadden haar aandacht. Ze werden in toenemende mate oprecht onderzocht. Karakteristiek nam ze de tijd. Tegelijk wilde ze het ‘goed doen’, wat bleek uit de vraagtekens die volgden op het poneren van haar waarden. De kwaliteiten die ze benoemde kwamen zichtbaar tot uiting in haar zelfonderzoek.

Ze stokte toen ze sprak over ‘groei’ als waarde. Stilte volgde voor en na een vluchtige opmerking dat groei ontegenzeggelijk tussen haar waarden thuishoorde.

Ik vroeg haar waarom dit, groei, zo belangrijk voor haar was. Vele van de vele gezichtspieren spanden zich aan. ‘Ik weet het niet’, zei ze, ‘ik denk van alles maar ik kan geen concreet antwoord geven. Er gaat veel in me om en het lijkt me allemaal van belang.’

Deze waarde legde kwetsbaarheid bloot en het was niet zozeer cliche om dit te belichten als wel kenmerkend voor de moeite die het kostte om expliciet moeilijke ervaringen te waarderen. De moeite signaleerde de emoties, ze werd fijngevoeliger voor haar binnenwereld, naar ervaring meer kwetsbaar in het sociale contact.

Door stil te staan bij ‘groei’ en dit als waarde te waarderen, volgden er geen twijfels over de oppervlakkigheid van haar antwoorden, maar vrees voor de diepte ervan. De blik van de ander was binnen de kortste keren veroordelend. Dit was pijnlijk én een verdediging. Zodra er aan de oppervlakte iets niet leek te kloppen (lees: onveilig leek), bleef de diepte vrij uit zicht.

Het vroeg meer van haar geduld en dus van gelijkmoedige tolerantie om te luisteren naar de ontknopingen in haar lijf die ze in eerste instantie als typerend voor haar warrig-zijn betekenis gaf. Ze identificeerde zich met haar gevoel en was naar eigen zeggen dus ook een warrig persoon. Een moment leek een eeuwigheid te duren, het gevoel zwol aan en de gedachten pasten zich moeiteloos aan. Even was ze identiek aan het ongewenste gevoel. Schaamte verdeelde en heerste over de anderszins toch oneindig verbonden mogelijkheden aan formaties in haar geest en lichaam.

‘Dit heb ik nu altijd’, zei ze, ‘dan klap ik ineens dicht en voordat ik in staat ben de juiste woorden te vinden, is de ander mij voor en verlies ik het momentum om stem te geven aan wat er dan misschien, mogelijk, wellicht…denk ik…in mij leeft, wat ik als essenties heb kunnen filteren in een veelheid aan allemaal even zo belangrijke opties.’

‘Dat is waardenvol!’, zei ik met een ietwat schuchtere glimlach.

We boomden hierover door en voor ze het door leek te hebben, uitte ze zoveel van wat ze juist dacht niet uit te spreken. Ik spiegelde dit niet meteen want ik gaf de interactie en het inhoudelijke onderzoek als zodanig nog even de voorkeur boven het meta-cognitief reflecteren op het proces.

Hoewel alle antwoorden in mijn ogen goed waren zoals ze zijn en reflecteerden wat van belang was, misschien wel juist waar het groei betrof, wilde ik de beweging als fijnmazige zoektocht niet ontkrachten door een alles omvattende en daarom soms verstikkende abstractie in het gesprek te voegen. Ik moedigde openheid naar binnen toe aan (bij haar) en mijn rol hierbij was faciliterend, niet direct duidend of oplossend, meende ik vanuit mijn waardengedrevenheid. Ik poogde mijn waarden na te streven en voelde mij juist daarom in een ietwat wankele positie; behoedzaamheid hield me attent scherp en zorgzaam op een ruimte-scheppende achtergrond. Het ging tenslotte niet om haar of mijn momentum, maar een voortgaande beweging die cognitief als verscheidende waarden te duiden is.

‘Misschien’, zei ik, ‘is het een mooi idee om eens te schrijven over de ervaringen die je niet zo waardeert, waar je mee worstelt. Schrijf daarover op waarderende wijze, waarom je ze wél zou kunnen waarderen.’

‘Hoe bedoel je’, vroeg ze onzeker en nieuwsgierig onderzoekend tegelijk. Ze gingen moeiteloos en emotievol samen.

We cultiveerden vertrouwen. Vaker in het contact deed één van ons twee stappen vooruit en de ander één achteruit, maar elke keer kwamen we op gelijke pas uit, ervoer ik, dus een tijdelijke frictie deed het contact niet omkieperen tot een langdurige breuk of verontrustende hapering. Slechts wankelen, soms tot een gezamenlijke glimlach aan toe. Dan spanden we ontspannend samen, bedacht ik me tussendoor.

‘Ik bedoel; schrijf bijvoorbeeld over onzekerheid en waarom je onzekerheid waardeert.’

Ze zweeg en was niet direct geprikkeld tot actie, hoewel schrijven haar gevoelsmatig ontleedt.

‘Zoals je zei, verbinding is een waarde die (gelukkig!) veel mensen waarderend benoemen. Hoe belangrijk is onzekerheid eigenlijk en welke waarde heeft onzekerheid, zou je onzekerheid kunnen waarderen?’

Een zelfde zwijgen bracht mij in beweging met haar onzekerheid mee te bewegen. Haar zwijgen vertelde mij dat ik het nogal in een bekende hoek zocht en dit gesprek was niet bedoeld als een test. Faciliteren en loslaten, dat was mijn doen en laten in deze.

Ik vervolgde: ‘Of zelfs, welke waarde heeft het dat je je overweldigd kan voelen door de hoeveelheid opties die je zogezegd voor je ziet, die je overweegt en die je in ogenschouw wilt nemen alvorens een open vraag integer, oprecht en assertief te benaderen in gesprek?’

‘Ah’, zei ze leergretig als vrijwel altijd, ‘hier weet ik raad mee, dit is interessant, anders dan ik had verwacht…’

‘Hier valt zeker iets óp te waarderen! Dat conflicten groei brengen is logisch, maar welke waarde ‘je overweldigd voelen’ nu eigenlijk heeft…’

Het gesprek zou een voorbeeld kunnen vormen en we zouden het hiermee retorisch kunnen afronden, maar dit wilde ik niet benadrukken. Dat het ‘hier en nu’ er helemaal toe doet, zou vanzelfsprekend aan bod komen in haar zelfonderzoek; daarop vertrouwde ik.

Ik vond het een indrukwekkend contact; we hielden op het juiste moment pas op de plaats.

Ja, mooie oefening, dacht ik naderhand. Om juist dat hardop te waarderen waar je initiële reactie afwijzend over zou zijn.

Dat iemand je vraagt: ‘zeg wat zijn eigenlijk jouw waarden?’, en dat je invoelend, reflectief en zoekend tot de tijdelijke conclusie komt dat ‘onzekerheid’, ‘twijfel’, ‘kwetsbaarheid’, ‘verdriet’ en ‘licht geraakt zijn’ je waarden zijn. Ja, ook verbinding, autonomie, gedrevenheid en originaliteit.

Al reflecterende en invoelende blijken ze bovendien allemaal met elkaar verbonden, warrig en prachtig veel!

Een tijd terug voelde ik zelf rebellie richting een waardenoefening. Dit resulteerde in auto-coaching, wat mopperde ik nu op mijn oefeningen?, en ik schreef met oppervlakkige tegenzin een rijtje waarden op. Even zag ik er slechts een rijtje in, tot ik persoonlijke ervaring begon te spiegelen en toe te dichten aan het rijtje en de woorden niet slechts taal betroffen, maar de resonantie van de keuze in mijn beleving en leven. Eénlagigheid onderging complexificatie en ik zocht woorden die tegelijkertijd ook buitengewoon belangrijke waarden inhielden.

Contingentie, serendipiteit, evolutie.. en…liefde. Ik vond het meteen goed om met liefde te eindigen, want mocht iemand rechtvaardiging zoeken voor de andere ongewone waarden, dan omvatte liefde dermate veel dat ik mij geen zorgen maakte over de harmonie in mijn argumentatie. Blijkbaar vond ik dát belangrijke waarden, cohesie en status, reflecteerde ik later op ironische wijze.

Of…zou het accurater zijn hier van ‘relaties’ te spreken? Ook wel ‘verbinding’ genaamd. Liefde zei genoeg, besloot ik wederom. Ik overtuigde mezelf met een omvattende abstractie, merkte ik op, wat me ertoe aandreef om de praktijk van liefde intenser te leven in contact dan erover te spreken als waarde. Ook hier was de meerwaarde van de oefening evident.

Contingentie moest en zou ook benoemd worden, want het hield mijn optimisme met beide benen op de grond, vond ik. Mogelijkheden zijn er alom, veel van wat daadwerkelijk gerealiseerd wordt, is afhankelijk van toeval, filosofeerde ik dissonant verder.

Toen ik dertien was schreef ik dat de ‘dood het ultieme doel van leven is’. Ik had toen wat meer durf, vrees ik, al werd de helderheid die ik toen had gesteund door de tenminste beargumenteerbare lagere complexiteit van mijn georganiseerde leven.

Tegenwoordig kan ik eventjes van mijn eigen fricties wegkomen via een woord als waarde waarvan niet iedereen de betekenis kent en die bij uitstek in het midden laat welke gevolgen aan het woord verbonden waren. Contingentie, ondanks en dankzij de liefde!

Nu, in navolging van bovenstaand gesprek over waarden, plaats ik onzekerheid met stip bovenaan.

Aan mij het avontuur uit te zoeken waarom, grijns ik intern. Onzekerheid ontmoet avontuurzin in een waarden-omdraai.

Vast en zeker tref ik gaandeweg Dabrowski’s wijsheid meermaals aan in dit onderzoekje.

Positieve Desintegratie als bakermat voor onzekerheid als waarde, dat is allerste emotioneel logisch!

In de tussentijd kijk ik uit naar het volgende gesprek over ‘je overweldigd voelen’ als waardevolle ervaring. Misschien komen we uit op een alomvattende abstractie en een ademhaling of vier zonder woord en met waarde.

We settle for the world as it is, even when it doesn’t reflect our values and aspirations.

Michelle Obama

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Lotte van Lith via >>PositieveDesintegratie.nl<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

De verschillende betekenissen

By | juli 16th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Vaak ervaar ik het leven als complex omdat veel termen waar ik een absolute betekenis aan heb gegeven, bij nader inzien vaak niet absoluut zijn. Het leven lijkt in veel verschillende situaties een andere betekenis van die termen te vragen. Bewust zijn van dit proces vergt discipline, zeker wanneer de drukte der maatschappij weer de kop op steekt.

Een specifiek voorbeeld dat ik eruit wil halen is ‘willen’, omdat het relevant is met betrekking tot de mentale toestand waarin ik momenteel verkeer. Zoals ik het ervaar, zorgt willen ervoor dat er een tijdsinterval ontstaat waar angst een kans krijgt te bestaan. Daarom dacht ik voorheen dat willen één van de bronnen was die mijn leven ten allen tijde, dus absoluut, stroef liet verlopen. Het leek immers zo te zijn, dat willen onvrede over de huidige situatie inhield en dat willen dus synoniem was voor vluchten. Deels was dat ook zo, maar de laatste tijd ervaar ik dat willen soms verre van absoluut blijkt te zijn. Want komt willen altijd van dezelfde locatie, namelijk de onvrede van het ego? Of bestaat er een vorm van willen zonder destructieve werking die tegelijkertijd naast tevredenheid kan bestaan? Of bestaat er willen dat voortkomt uit een collectief bewustzijn, oftewel een energetisch willen dat het willen van een individu stuurt, zonder dat het individu van dit proces bewust hoeft te zijn?

Steeds vaker splits ik zelf-geïnterpreteerde ‘absolute’ terminologie op in delen zodat de verschillende betekenissen zichtbaar worden. Hoe bewuster ik word, hoe meer ik besef dat een woord, een gedachte of een actie uit verschillende bakstenen met allerlei verschillende betekenissen kan bestaan. Wanneer ik die betekenissen weet te doorgronden zal de muur die van die bakstenen wordt gebouwd, doorzichtig zijn. Deze muur zal mijn zicht op het leven niet belemmeren. Maar de drukte der maatschappij waar ik zojuist al over sprak, maakt dat ik betekenissen nagaan makkelijk vergeet, én dat zorgt ervoor dat ik tegen een muur opkijk waar ik niet doorheen kan zien.

Hoogbegaafd! Zeer hoogbegaafde volwassenen

 Intake


© Niek Verhage | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Confetti

By | juli 13th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

We leven. Confetti! We ervaren dat leven ieder op een eigen, unieke, universele manier. We ontmoeten elkaar op een moment in time and space waarop we een indruk krijgen van de staat van de ander en die van onszelf.

Vanuit de persoon bezien, is er geen ultieme positie van waaruit we geen verschillen meer ervaren. Na elke groei verandert onze referentie-omgeving en roert zich daar de pijn en de mogelijkheid om los(ser) te zijn van die pijn. Het is de kunst om liefde te kunnen voelen in al. Om open te zijn, te blijven, om openheid te zijn. Oog te hebben voor de context van dat moment, die ontmoeting, de woorden.

Wijsheid straalt door in het besef van de aanwezigheid van meerdere dimensies, van diepte, ook daar waar die niet worden herkend of verwoord. Wijsheid straft niet af, wijsheid blijft open en ziet een onwijze leemte als een kans. Een kans op verruiming en vermenigvuldiging. Een ruimte om naartoe te vloeien zonder dat er iets wordt overheerst.

Wijsheid sijpelt, doordringt, verzengt op allesziende wijze. En stopt waar dat wijsheid is. Punt ;-).

Hoogbegaafd! Filosofie

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Hoogbegaafdheid, een lust of een last?

By | juli 12th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Hoogbegaafdheid zou een basis moeten zijn voor iets positiefs of het ontwikkelen van een talent. Misschien is hoogbegaafdheid wel een talent op zich. Het internet bevat veel berichten waar hoogbegaafdheid niet positief wordt ervaren. Er zijn veel berichten en artikelen over persoonlijke en werk gerelateerde problemen. Een bericht op Facebook van een hoogbegaafde was voor mij het startsein om – voor mijzelf – wederom wat hoogbegaafdheidszaken op een rijtje te zetten. Waarom? Omdat het idee mij overviel dat hoogbegaafdheid vaak als hinderlijk wordt ervaren door de hoeveelheid (of concentratie) van berichten met een pijnlijke of negatieve inslag. Dit artikel bevat een inventarisatie van hoogbegaafdheid gerelateerd aan veelvoorkomende problematiek. Dit artikel heeft geenszins de intentie om compleet te zijn, maar wel om een beeld te geven. Een beeld, welteverstaan, van hoogbegaafde volwassenen omdat ik er zelf benieuwd naar was. En waarom zou ik het voor mijzelf houden?

Wat is hoogbegaafdheid?

Hoogbegaafdheid wordt in het Engels aangeduid met de term ‘gifted’. Het betreft een kleine groep mensen met iets extra’s. In ieder geval is de hoogbegaafde mens bovengemiddeld intelligent, vaak hoogsensitief, en hij of zij kan snel en complex denken. Webb (2013) beschrijft dat hoogintelligente personen zoekende zijn naar informatie, veel vragen stellen, en ook op zoek zijn naar vragen die beantwoord moeten worden. Anders gezegd: hoogintelligenten vergaren nagenoeg continu informatie en kennis.

Het is lastig om hoge intelligentie c.q. hoogbegaafdheid uniform te definiëren. Mensa hanteert dat haar leden een IQ-score moet hebben in de hoogste twee procent van de bevolking. Nederland zou op basis van deze hantering van IQ-score ongeveer 400.000 hoogbegaafden hebben. De Oxford English Dictionary definieert hoogbegaafdheid als het hebben van een exceptioneel talent of vermogen. Ridolfa en Nauta (2017) gebruiken de bondige definitie: “mensen met een ongewoon hoog IQ”.

Webb (2013) heeft hoogbegaafdheid uitgebreider geïnventariseerd op basis van verricht en gepubliceerd onderzoek. Hieruit komt naar voren dat hoogbegaafden snelle en slimme denkers zijn die in staat zijn om met complexe zaken om te gaan. Het zijn zelfstandige individuen, nieuwsgierig en gepassioneerd, met een sensitief en emotioneel rijke beleving en intensief leven. Ze genieten ervan om creatief te zijn. Webb beschrijft hoogbegaafdheid vanuit een belevingsperspectief met louter positieve annotaties. Deze beschrijving geldt voor dit artikel als geldende definitie van hoogbegaafdheid.

Kenmerken van hoogbegaafdheid

Een bijkomend voordeel van de definitie van Webb is dat hierin eigenlijk kenmerken zijn verwoord. Echter, de in artikelen en de literatuur beschreven kenmerken zijn net zo divers als de hoogbegaafden zelf. Vandaar mijn inventarisatie van verschillende kenmerken die passen bij hoogbegaafdheid.

Renzulli beschreef in 1978 drie kenmerken die volgens hem allen van groot belang zijn bij hoogbegaafdheid, namelijk: hoge intellectuele capaciteiten, creativiteit en taakgerichtheid/volharding. Mönks vulde het model van Renzulli aan met interacties met de sociale omgeving (gezin, school, vrienden). Dit om het model completer te maken, omdat de hoogbegaafde onderdeel is van een interactief systeem. In een publicatie van Mönks en Span (1985) wordt het voorgaande aangevuld – o.b.v. klassiek onderzoek van Terman – met de kenmerken zelfvertrouwen en vastberadenheid in combinatie met een positief ingestelde omgeving. Al deze kenmerken tezamen zijn, volgens hen, van even groot belang bij hoogbegaafden, en voor het leveren van uitzonderlijke prestaties.

Kuipers en Van Kempen (Ximension) hebben in 2001 kenmerken verbonden aan een patroon van eigenschappen van hoogbegaafdheid in plaats van een strikte verbondenheid aan meetbare excellentie. De door hen benoemde karakteristieke eigenschappen zijn: intellectueel vaardig, structureel nieuwsgierig, behoefte aan autonomie, buitensporig najagen van interesses en een significante onbalans tussen emotioneel en intellectueel zelfvertrouwen. Kuipers en Van Kempen hebben, terecht, een probleemgebied toegevoegd aan de min of meer positieve eigenschappen (of kenmerken).

Mensa adresseert op haar website kenmerken aan de hand van een vragenlijst. Zij stelt dat iemand wellicht hoogbegaafd is indien vijf of meer vragen positief worden beantwoord. Omwille van de duidelijkheid is de vragenlijst getransformeerd naar een lijst met kenmerken. Deze zijn: snel verveeld, graag veel en snel praten, neiging tot andermans zinnen af te maken, altijd zoekende naar (intellectuele) prikkels, voorkeur voor andere gespreksonderwerpen, gevoelig voor indrukken, slecht passend in een groep, traagheid van anderen wordt als hinderlijk ervaren, hanteren van strengere normen, drang naar zelfstandigheid en vrijheid (ook qua werk).

Jacobson erkent in haar boek The Gifted Adult (1999) dat het inmiddels wel bekend is wat hoogbegaafdheid inhoudt, maar dat het zich toch lastig laat omschrijven. Volgens Jacobson is de gedeeltelijke verklaring hiervoor dat vaak gekeken wordt naar wat er wordt geproduceerd of bereikt. Door op deze wijze naar ‘uiterlijkheden’ te kijken wordt niet gezien welke interne systemen en processen hieraan vooraf zijn gegaan, terwijl juist hieraan de hoogbegaafde herkenbaar is. Vanuit verschillende definities en beschrijvingen heeft Jacobson vijf kenmerken gedestilleerd: beschikken over en gebruiken van een natuurlijk vermogen/kunde zonder opleiding, snel kunnen leren, vermogen om creatief en productief te denken, hoog academische handeling c.q. bereik en het beschikken over een superieure competentie in één of meerdere domeinen.

Ter afsluiting van deze inventarisatie een opsomming van Nauta en Ronner (2007). Zij vermelden nadrukkelijk dat het niet wetenschappelijk aangetoond is wat hoogbegaafdheid vanuit anatomisch en fysiologisch perspectief exact is. Wel is er onderzoek verricht waaruit kenmerken van hoogbegaafden kunnen worden gedestilleerd (zoals ook Jacobson, Kuipers en Van Kempen hebben aangegeven). Volgens Nauta en Ronner zijn veel voorkomende kenmerken: snel van begrip, snel praten en denken, nieuwsgierig en intrinsiek gemotiveerd plus de wil om problemen op te lossen, creatief en wars van autoriteiten, sterk gevoelig voor prikkels en perfectionistisch met faalangst.

Wat kunnen we met deze kenmerken?

Als eerste mogen we vaststellen dat de kenmerken divers zijn. Op basis van literatuur is er een ontwikkeling te zien van een vastomlijnde omschrijving van de kenmerken naar een meer alledaagse omschrijving. Hierbij is het de vraag of dit een gunstige ontwikkeling is. In een tijd waar een druk kind al snel een rugzakje aangereikt krijgt met ADHD en waar overspannenheid verdrongen is door de zwaardere term burn-out, is de kans op een ‘Ria Bremer – heb ik ook – effect’ aanwezig. Zeker in een meer alledaagse omschrijving van kenmerken van hoogbegaafdheid kunnen mogelijk ook niet-hoogbegaafden zich herkennen. Naar mijn persoonlijke mening is het goed om hoogbegaafdheid objectief te laten toetsen, indien er vermoeden hiertoe bestaat. Al is het alleen maar om te voorkomen dat mensen zich achter een vermeende hoogbegaafdheid gaan verschuilen, terwijl er andere problemen gaande zijn.

Op basis van de kenmerken kan gesteld worden dat hoogbegaafdheid wel degelijk een talent is, maar eentje met ‘stekels’ waar iemand zich aan kan prikken. Dit betekent dat de kenmerken niet louter positief zijn. Het is niet ondenkbaar dat als een hoogbegaafde zich herhaaldelijk aan een stekel prikt, de impact groter zal zijn dan bij niet hoogbegaafden.

Zo’n spreekwoordelijke stekel is bijvoorbeeld faalangst. Autonoom is de hoogbegaafde tot veel in staat, echter de maatschappij vraagt om testen en examens. Niet alleen binnen ons onderwijsstelsel, maar bijvoorbeeld ook in het verkeer. De angst om te falen is nauw verbonden met zelfvertrouwen. Faalangst zou een self-fulfilling prophecy kunnen zijn. Faalangst en het bijbehorende stresselement ondermijnen het zelfvertrouwen. Ook al gaat een test, examen of een presentatie goed, de volgende keer kan het wel misgaan. Er is dus geen reden om – voor de hoogbegaafde – het zelfvertrouwen een boost te geven bij een geslaagd examen of test. Je kan er namelijk op wachten dat het een volgende keer inderdaad minder goed gaat, zoals dat voor iedereen geldt. Maar bij de intens levende hoogbegaafde komt het extra hard binnen en wordt het gebrek aan zelfvertrouwen bevestigd, en natuurlijk ook de faalangst. Een lastige situatie om op eigen kracht uit te komen.

Zelfvertrouwen op zich is ook een lastige stekel – wat overigens voor vele mensen geldt en niet alleen voor hoogbegaafden. Maar hoogbegaafden zijn cognitief sterk, hebben zich verdiept in een onderwerp, lijken tamelijk zeker van hun zaak, maar toch krijgt het zelfvertrouwen een knauw op het moment dat een goed van de tongriem gesneden joviale en amicale collega ongefundeerd jouw mening/stelling probeert teniet te doen. Je beroepen op artikelen of wetenschappelijk bewijs heeft geen zin, want de reactie is dat dat boekenwijsheid betreft van pennenlikkers. Schamper kan dan nog eens verduidelijkt worden dat boekenwijsheid geen plaats heeft in deze praktisch ingestelde maatschappij waar mensen met hun poten in de modder van het alledaagse leven moeten staan. Daar sta je dan met een buts erbij in je zelfvertrouwen. Wellicht is dit  wat overdreven beschreven, maar dergelijke zaken komen ook in een meer subtiele vorm voor. Daarbij zijn hoogbegaafden van jongs af aan al extra gevoelig voor dergelijke situaties.

Als kind las ik een artikel het toenmalige Utrechts Nieuwsblad, waarop mijn ouders geabonneerd waren. Het artikel ging over een publicatie in de Staatscourant. Tijdens het avondeten kwam het onderwerp ter sprake, waarbij ik verwees naar het artikel in de courant. Mijn ouders keken mij aan of ik gek was en barstten vervolgens in lachen uit. Toen het lachen bedaarde, werd mij medegedeeld dat ik wel heel erg kakkineus aan het worden was om een krant aan te duiden als courant. Een studiebolletje was ik, wat niet klopte want ik was een matige leerling op de mavo, en dat werd mij dagenlang nagedragen door mijn oudere broer. Het voorbeeld klinkt niet zo zwaar, maar het komt toch harder aan dan verwacht en je blijft het tijdenlang meedragen. Dergelijke situaties hebben bijgedragen tot het steeds minder actief deelnemen aan gesprekken. Lekker op de achtergrond blijven was mijn devies. Zo blijf je in de luwte en bescherm je jouw eigen zelfvertrouwen.

Het punt dat (latent) steeds meespeelt en inwerkt op het zelfvertrouwen is de hoge mate van gevoeligheid voor indrukken. Dit is een inter-communicatief item. Indrukken opdoen is niet vervelend, zo ook de gevoeligheid hiervoor. Weten hoe de sfeer ergens is, zonder dat er een woord gezegd is, weten dat iemand iets dwars zit voordat hij/zij dit zelf doorheeft of heeft uitgesproken, etc. In principe is dit geen probleem. Er ontstaat wel een probleem bij de interactie. Het stellig ontkennen door de ander van de waarneming kan voor de hoogbegaafde een probleem zijn. In een split-second heb je een non-verbale reactie waargenomen, maar deze wordt bij hoog en laag ontkend. Wie is hier nu gek? De ontkenner of de sensitieve observator? Eenmaal ontkennen betekent, in het algemeen, blijven ontkennen. Heeft de hoogbegaafde observator het dan mis, terwijl er een duidelijk bewustzijn is dat het voor jouw gevoel klopt wat je hebt waargenomen. Wat dit voor invloed heeft op het zelfvertrouwen laat zich raden.

Conflict binnen de kenmerken: autonomie

In de voornoemde opsomming van hoogbegaafdheidskenmerken wordt autonomie vaak vermeld. Daarnaast zijn hoogbegaafden leergierig, zoekende naar antwoorden op (al dan niet) complexe vraagstukken en intens levend. Dit neem ik voor waar aan het en roept geen vragen op. Echter, autonomie lijkt van een ander kaliber. Volgens de Van Dale staat autonomie voor zelfstandig/onafhankelijk. Dat hoogbegaafden autonomie omarmen, lijkt niet meer dan logisch gelet op hun brede interessespectrum en de zoektocht naar antwoorden en kennis in een hoog tempo. Echter, autonomie lijkt ook een basis voor individualisme. Als hoogbegaafd individu kan je autonoom je leven inrichten en de dingen die je doet beter kanaliseren. Althans, dat lijkt mij. Waarom zou je groepsgewijs gaan hardlopen, als je steeds op de anderen moet wachten omdat hun tempo lager ligt dan die van jou? Dit zou ook duiding kunnen geven dat hoogbegaafden slecht binnen een groep passen (Mensa). Op basis van de kenmerken van hoogbegaafden lijkt het vanzelfsprekend dat zij individualisten zijn. Immers, hoogbegaafden vertegenwoordigen een kleine groep binnen de samenleving (2%), wat kan betekenen dat de aansluitingskans bij de overige 98% gering is. Als hoogbegaafden toch al autonoom zijn, is de stap naar individualisme snel gezet, zeker als je je niet verbonden voelt met de ‘buitenwereld’.

Dat ik autonomie, al dan niet gecombineerd met individualisme, een conflicterend punt vind, komt door een bericht op Facebook. Een persoon schreef open en eerlijk nog steeds, zoals velen, op zoek te zijn naar persoonlijke kwaliteiten. De persoon gaf aan diep vanbinnen wel te voelen wat deze zijn, maar als iemand anders deze zou uitleggen, zou dat een beter gevoel geven. De oprechtheid van deze persoon is bewonderenswaardig. Toch verbaasde mij deze schijnbare open sollicitatie naar erkenning/waardering. Een bijkomend aspect dat mij opviel is dat op het oorspronkelijke bericht, waar de persoon op reageerde, voornamelijk reacties kwamen om een warm hart onder de riem te steken. Uit de reacties kwam vaak naar voren dat mensen geworsteld hebben met hun onontdekte (mogelijke) hoogbegaafdheid en zich eenzaam voelen.

Op de diverse websites, onder andere van Spelbos (psychologisch bureau IDEE), is te lezen dat dergelijk worstelen en eenzaamheid bekende fenomenen zijn. De eenzaamheid wordt ook gekoppeld aan uitsluiting. Als mensen niet weten dat zij hoogbegaafd zijn kan het vreemd en vervelend aanvoelen om eenzaam te zijn. Als mensen wel op de hoogte zijn van hun hoogbegaafdheid, dan weten zij dat zij tot een selecte groep van 2% van de bevolking behoren. Dit neemt niet weg dat hoogbegaafden een intrinsieke autonomie nastreven, anders zijn en derhalve vaak een eigen weg bewandelen. Zij voelen zich ook niet thuis in een groep, dus lijkt het logisch dat eenzaamheid op de loer ligt. Alleen is de vraag of dat voor hoogbegaafden een lust of een last is. De kenmerken van hoogbegaafdheid in aanmerking nemende zou men geneigd zijn om het als een lust te zien. Maar voor veel mensen is het blijkbaar een last, ook al is men autonoom, individualistisch en niet altijd op zijn gemak in groepsverband. Hier zullen meerdere psychosociale factoren een rol spelen die de hoogbegaafde dwars zitten. Ondanks dat vind ik dat de autonomie van een hoogbegaafde van een ander kaliber is dan de andere kenmerken, omdat men zich vaak eenzaam voelt, wat tegenstrijdig lijkt.

Opgemerkt dient te worden dat dit lang niet voor alle hoogbegaafden geldt. Volgens Nauta en Ronner (2007) wordt naar schatting 33% van de hoogbegaafden herkend (en gewaardeerd). Over het algemeen genomen doet deze groep het goed qua functioneren. De overige mensen hebben een verhoogde kans om uit de bocht te vliegen in hun privéleven en/of op het werk.

Overdenkingen

Je zou verwachten, op basis van de kenmerken, dat veel hoogbegaafden een minder problematisch leven kunnen leiden. Op cognitief gebied onderscheiden zij zich positief ten opzichte van niet-hoogbegaafde personen. Hiermee wordt niet gezegd dat hoogbegaafden zorgeloos en probleemloos door het leven moeten kunnen komen. Wel geldt dat als een hoogbegaafde problemen ervaart, hij/zij meer dan voldoende capabel is om zich in de materie te verdiepen, een mening te vormen en antwoorden te formuleren. Maar blijkbaar, gelet op de vele publicaties en coaches voor hoogbegaafden, wordt hoogbegaafdheid als een probleem ervaren en niet als een talent. Ook lijkt het er zo sterk op dat hij/zij zelf niet een oplossing of een uitweg kan vinden. Binnen de groep niet herkende of gewaardeerde hoogbegaafden zullen zich veel personen bevinden die zoekende zijn. Zoekende naar erkenning, steun, antwoorden, handvatten, richting, duiding, etc. Het spreekt voor zich dat als een hoogbegaafde zoekende is, ‘het’ niet kan vinden en niet goed in zijn vel zit, dit ook niet bevorderlijk is voor het zelfvertrouwen.

Mijzelf afvragende of een hoogbegaafde het zichzelf niet te moeilijk maakt, kwam ik op de website van Spelbos (psychologisch bureau IDEE). Spelbos is lid van Mensa en als psychotherapeut begeleidt hij (hoog)begaafden met psychische problemen. Hij benoemt op zijn website enkele interessante denkfouten van hoogbegaafden. Dit maakt het geheel nog complexer dan het al is. Hoogbegaafden hebben vaak te maken met eigen problematiek plus problemen die mogelijk voortkomen uit denkfouten. Spelbos claimt dat het cruciale denkfouten zijn die bewust dan wel onbewust door hoogbegaafden (kunnen) worden gemaakt:

  1. De samenleving zit niet op hoogbegaafden te wachten. De samenleving heeft zich al ontwikkeld om kennis te creëren en te kanaliseren. Als voorbeeld wordt in dit kader verwezen naar goed opgeleide specialisten.
  2. Hoogbegaafden beschikken over een hoog denkvermogen, hetgeen niet wil zeggen dat zij de (contextuele) waarheid in pacht hebben. Hierbij wordt zelfs gesteld dat in een gegeven context een antwoord van een hoogbegaafde zelden meer waard is dan dat van niet-hoogbegaafden.
  3. Hoogbegaafden zijn bij uitstek geschikt voor het aanbrengen van diepte en kunde. Vaak wordt eraan voorbijgegaan dat hoogbegaafden ook gewone mensen zijn in een hedendaags tijdperk waarin anderen ook kunnen excelleren.
  4. Hoogbegaafden kunnen wellicht veel te bieden hebben op het gebied van analytisch denken en creativiteit, maar zij excelleren niet op het relationeel en communicatieve vlak. Vaak resulteert dit in onvermogen om kennis goed over te dragen.

In bovenstaande vermeende denkfouten kan een basis liggen voor waarom hoogbegaafden het niet goed kunnen doen in onze maatschappij of waarom zij zich uitgesloten kunnen voelen. Spelbos koppelt positieve aspecten van hoogbegaafdheid aan minder positieve maatschappelijke en communicatieve effecten hiervan. Hierdoor kreeg ik het idee dat hoogbegaafden misschien starre personen zijn die blijven volharden in de uitkomsten van hun complexe denken.

Van der Heijden (2014) heeft onderzoek verricht naar dogmatisme onder hoogbegaafden, oftewel de aanwezigheid van starheid in hun opvattingen en of zij hun eigen kennis en kunde boven die van niet-hoogbegaafden stellen. De uitkomsten van dit onderzoek bevestigen niet dat hoogbegaafden meer dogmatisch zijn dan anderen. Wel kwam naar voren dat hoogbegaafden met psychische problemen hoger scoorden op het gebied van emotionele instabiliteit.

Zover is duidelijk dat een significant deel van de hoogbegaafden het niet ‘lekker’ doet in de maatschappij en qua persoonlijk leven. Deze groep is vaak meer tot last van zichzelf dan voor de maatschappij. Problemen die hierachter schuilt gaan berusten vaak op psychosociaal en communicatief vlak. Dit mogen we gerust als problematisch aanmerken. Nauta en Ronner (2007) hadden, zoals eerder benoemd, al geconstateerd dat 66% van de hoogbegaafden een verhoogde kans heeft “om uit koers te raken”. Deze stelling wordt onderschreven door recent onderzoek van Emans, Visscher en Nauta (2017) naar werkloosheid onder hoogbegaafden. Aan de andere kant van het spectrum ligt de claim dat drie procent van de hoogbegaafden erin zou slagen hun talenten volledig te benutten.

Al met al kan worden gesteld dat hoogbegaafdheid vaak gerelateerd is aan problematiek die een kloof veroorzaakt waar de hoogbegaafde vaak niet mee uit de voeten kan. Sterker nog, de hoogbegaafde zal zich bevestigd voelen in dat de wereld om hen heen vreemd is, met als gevolg nog meer autonomie en individualisme. De sociale en communicatieproblematiek is duidelijk in beeld gebracht door Nauta en Corten (2002). Zij stellen vast dat disfunctionerende hoogbegaafden “zich vaak niet bewust zijn van de eigen intelligentie, waardoor onkunde van anderen als onwil wordt geïnterpreteerd.”

Concluderend

Het lijkt gerechtvaardigd dat hoogbegaafdheid per definitie niet een last is. Een deel van hen kan goed met hun hoogbegaafdheid omgaan en doet het privé en maatschappelijk goed. Het andere deel lijkt moeite met zichzelf en de maatschappij te hebben en kan hierin geen balans en/of uitweg vinden, hetgeen betekent dat zich binnen deze groep veel hoogbegaafden bevinden die het moeilijk hebben. Dit betekent geenszins dat hoogbegaafdheid als een last beschouwd moet worden. Wel zou je mogen verwachten dat de laatste groep beter in staat zou zijn om hun eigen problematiek te onderkennen, op zoek gaat naar antwoorden en een ‘zelfhelend’ proces in gang zet, al dan niet met behulp (in een vroeg stadium) van een professional. Voor mij is het althans niet logisch dat een groep mensen die zo intelligent is, zo kan ‘ontsporen’ terwijl de kenmerken juist doen vermoeden dat de ‘ontsporing’ voorkomen kan worden. Als voorbeeld hiervoor zou een hoogbegaafde moeten weten en begrijpen dat de groep van 98% van de reguliere populatie zich niet gaat aanpassen aan een bescheiden kleine twee procent, die hen totaal niet begrijpt. Dus is het logisch dat de hoogbegaafden zich meer zouden inspannen om aansluiting te vinden bij de maatschappij als zij dat willen of daar het nut van inzien. In een relatie of huwelijk is het ook een kwestie van geven en nemen, dus waarom niet in een maatschappelijk kader?

Dit gezegd hebbende, begrijp ik ook dat het voor mij persoonlijk moeilijk voor te stellen is om, als hoogbegaafde, te maken te hebben met zoveel problematiek dat het een negatieve invloed heeft op je leven. Maar blijkbaar is de mentale instabiliteit of de invloed van psychische factoren dermate hevig dat het voor een groep hoogbegaafden moeilijk is deze zelfstandig het hoofd te bieden. Bij mij is mijn hoogbegaafdheid op latere leeftijd aangetoond. Dit heb ik als een vaststaand feit geaccepteerd en ik heb me op een bescheiden wijze aangepast. Een kleine groep echte vrienden, afwisselende werkzaamheden, een veilig thuis en het blijven voeden van mijn hersenen (bijvoorbeeld een muziekinstrument leren spelen en blijven studeren) vormen voor mij de basis om de wereld aan te kunnen.

ANP, 2017. Hoogbegaafdheid is nog te vaak een obstakel. Nu.nl, Nederland.
Van Baars L, 2015. Hoogbegaafd? Vind dan maar een vak dat niet verveelt. Trouw, Nederland.
Emans B, Visscher E, Nauta N, 2017. Heel slim en toch zonder werk. Hoe kan dat? Instituut Hoogbegaafdheid Volwassenen (IHBV), Nederland.
Evenblij M, 2003. Superslim, maar eenzaam. De Volkskrant, Nederland.
Van der Heijden IMG, 2014, Persoonlijkheid en psychische problemen bij hoogbegaafde volwassenen. Msc thesis, Universiteit van Tilburg, Nederland.
Jacobson M, 1999. The gifted adult. A revolutionary guide for liberating everyday genius. New York, Ballantine Books, New York, USA.
Keulemans M., 2017. Klopt dit wel: een op de drie hoogbegaafden zit werkloos thuis. De Volkskrant, Nederland.
Mönks FJ, Span P, 1985. Hoogbegaafden in de Samenleving. Dekker & Van de Vegt, Assen, Nederland.
Nauta N, Corten F, 2002. Hoogbegaafden aan het werk. Houten, Tijdschrift voor Bedrijfs- en verzekeringskunde 10(11).
Nauta N, Ronner S, 2007. Ongeleide projectielen op koers. Pearson Benelux, Amsterdam, Nederland.
Nauta N, Ridolfa R, 2017. HighIQ Medical Survey. Instituut Hoogbegaafdheid Volwassenen (IHBV), Nederland.
Renzulli JS, 1978. What makes giftedness? Reexamining a definition. Arlington, Phi Delta Kappan 60(3):180-184,261.
Webb JT, 2013. Searching for Meaning. Great Potential Press, Tucson, USA.
Weel, I, 2017. Een derde hoogbegaafden zit werkloos thuis. Trouw, Nederland.
Websites zijn geraadpleegd op 4-9 juli 2017.

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden

Herman de Pagter

Geboren te Utrecht op 13 januari 1960. Na de mavo de opleiding tot Verpleegkundige-A afgerond en vervolgens Anesthesie-Verpleegkundige. Is na jaren werkzaam te zijn geweest op de ambulance in Amsterdam en Flevoland overgestapt naar het bedrijfsleven. Is in 1997 zelfstandig ondernemer geworden. Naast ondernemer ben ik ook professioneel fotograaf (met voorkeur voor straatfotografie en portretten) en docent aan De Haagse Hogeschool. Heb inmiddels enkele Universitaire studies afgerond (Marketing en Research Management) en ben gepromoveerd (Innovatievermogen MKB). Probeer sinds september 2017 de tenorsaxofoon te bespelen. Ben rond mijn 45ste hoogbegaafd bevonden.


© Herman de Pagter | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Ontwikkelinstinctief identificeren met jezelf: reflectie op een puberteit

By | juli 11th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Adolescentie, een tijd van rebelleren en van afspraken niet nakomen. Of, Dabrowskiaans bekeken, een periode waarin je potentieel en frequent ongemakkelijk stijf staat van ontwikkelinstinct. Zo veel, dat je soms niet zou weten wat je er zoal mee aan moet, waar het op de goede plek zou zijn, en of er wel plek op deze wereld voor jou en je tegelijk aantrekkende en afstotende ontwikkelinstinct is.

Althans, zo ervoer ik het, losmaken van de status quo en ‘ergens’ voor gaan, zonder precies te weten waarvoor, waar, met wie, waarom. Ontwikkelen zonder vooropgesteld doel. Leven!

Ik pakte een pen, wat me verder aanzette tot het bedenken van een ergens en een iemand waar(in) ik mezelf als niemand anders kon leren kennen.

Een dagboek in thema’s

In de puberteit begon ik te schrijven in een soortement van dagboek. Ik schreef niet per dag, maar per thema. De thema’s leken mij essentieel voor een goed, waardevol leven. Enkele voorbeelden: communicatie, liefde, acceptatie en gevoel.

De liefde, dat was alles. Vond ik toen grofmazig. Ervaar ik nu fijngevoeliger.

Het schrijven begon ik, naar geweten, omdat ik ervoer ‘dat ik na de scheiding van mijn ouders en de cito-toets-uitslag’ niet meer dezelfde was. Er gebeurde iets normaals en abnormaals, want ik was simpelweg aan het puberen, maar de ik die het doorleefde moest zowel razendsnel rijpen als voor het niet gerijpte zelf emotioneel zorgdragen. Een ik zijn alvorens een ik te ont-wikkelen. Dat was zowel tegenstrijdig als volstrekt harmonieus, afgaand op mijn gevoel en hoe ik ontwikkeling nu begrijp. Positief desintegratief. Ingewikkeld en gaandeweg ontwikkeld.

Later zou ik in het themaboek ook verwijzen naar de puberteit, want ‘het was toch normaal dat ik veranderde’ en ‘dat ik me wat veel met jongens bezighield, dat doen pubers nu eenmaal’. De nog puberale volwassene in mij vond het belangrijk een gezondheidsoordeel over mijn puber-zijn te formuleren.

Zin van het leven

Als ik nu, binnenin mezelf als gevoelsreflectie, op deze periode terugkijk en in mijn themaboek teruglees, komt de ongevraagde vraag naar de zin van het leven geregeld naar voren als leidraad van de schrijfdrang. Een rode draad door de themastukjes heen, de levensader van mijn eerste egodocument.

De levende en voelende versie van mij die de schrijfstem uitdroeg als vooraanstaand leider van een chaotisch geheel aan veranderingen op fysiek, cognitief en emotioneel niveau; zij was geraakt, in beweging gezet, onzeker over waar al die beweging naar toe zou ontwikkelen, en op een zekere diepere laag gestold eenzaam en zwijgzaam verward.

Het waren de gevoelens, zo denk ik nu, die me aan het denken hebben gezet. Denkbewegingen, zoals Martha Nussbaum schrijft.

Gevoel zette me aan het reflecteren en pril filosoferen over de zin en onzin van keuzes, oordelen, relaties en doelen.

Transitie-tijd

De puberteit is een transitie-tijd: je wordt sensitiever richting jezelf en hoog-gevoeliger richting je omgeving. Deze verandering brengt de mogelijkheid om van emotioneel reactief te ontwikkelen naar gevoelvol sensitief, om deze ontwikkeling te ervaren en voltrekken als mogelijkheid binnen relaties en zelfzorg. Maar niet zonder je beter wetend te preoccuperen met jouw ideeën, in een poging wellicht om een platonisch bestaan als antidotum tegen onvoorspelbare gevoelens te leven, in een poging om afhankelijkheid af te weren maar autonomie reeds op te eisen. Althans, zo meen ik uit het themadagboek te destilleren.

En wat doet een mens dwalend in niemandsland, zich daar genoodzaakt voelen te zoeken naar ‘meer’, ‘anders’, ‘iemand’ en ‘identiteit’? Was en is dit wel het kenmerkende van de puberteit, sprak hier niet een vervroegde volwassenwording uit?

Beide, dus.

Van zinproeverij naar zingeving

Een paar dagen terug las ik het volgende citaat van Dabrowski, over de adolescentie en (typerend aan zijn kijk op de mens) de ontwikkelmogelijkheden inherent aan de persoonlijke oproer uit deze levensfase. Ik herkende de omslag en de zin-zoekerij uit de puberteit zoals ik deze persoonlijk ervoer;

“During the period of puberty, young people become aware of the sense of life and discover a need to develop personal goals and to find the tools for realizing them. The emergence of these problems and the philosophizing on them, with the participation of an intense emotional component, are characteristic features of a strong instinct of development and of the individual’s rise to a higher evolutionary level.”

Dąbrowski K, 1964. Positive disintegration. Little Brown & Co, Boston, USA. (p. 56).

Waar ik als zeven of achtjarige nog aan zinproeverij kan doen, begon ik als adolescent zingeving pijnlijk te verlangen.

Emo-marker

In de puberteit werd ik dieper aan het voelen en verder aan het denken gezet. Dankzij een ontwikkelend lichaam, hormonale ups en downs en de ontkrachtende confrontatie met botsingen tussen mijn ouders.

Tegelijk was ik zoekende naar een (sociale) identiteit. Deels uit fysieke perikelen, deels uit ervaren nood om per linea direct volwassen te worden en oog te hebben voor mezelf in een tijd dat mijn ouders dit, invoelbaar verstrikt met hun individuele en gedeelde, ook wel levensfase-kenmerkende oproer, niet konden.

De levendige ontwikkellijnen van toen staan aan de basis van de beginnende rimpels van nu.

Zin-zoeken werd zo een beetje mijn identiteit, een ervaring waar ik juist vanwege de ongemakken gemakkelijker mee vereenzelvigde, want een sterkste kwetsbaarheid in mijn emotioneel-zijn werd in die periode gemarkeerd en ik kon gevoelsmatig niet steunen op mijn omgeving. Ontdekken wat het leven waardevol maakt en zo overleven.

Een emo-marker, een beetje zoals je kunt spreken van bio-markers.

Kwetsbaarheden

Zo was het, mede door de kwetsbaarheid die ik in navolging van de scheiding ervoer, dat ik mij op bepaalde lagen van bestaan vastklampte aan het reflecteren, aan voortschrijdend zelfonderzoek als de zekerheid van mijn identiteit.

Of, de mensgeest kentekenend gelaagd, dat zelfbewustzijn één, zo niet dé referentie voor identiteit en waardig bestaan werd.

Het Zelf als dogmatisch want gevoelsmatig noodzakelijk principe en tegelijk de wetenschap van de onzekerheid des leven, onder andere begrepen door de opgedane traumatische ervaringen, die ik zelfstandig denkend betekenis gaf.

Wijs en rigide, het ging klaarblijkelijk samen, want ik was volop in beweging en het ontwikkelpotentieel hing samen met de verabsolutiseringen van des mens kwetsbaarheden. Ik vond er kwaliteiten en kwetsuren in, in die sensitieve periode.

Reflectie

Waar het leven er daadwerkelijk toe deed, wanneer het leven me wezenlijk zin opdrong door er onuitgenodigde emoties bij te betrekken en door de zwaarte en donkerte van dysthym-zijn op te trekken, daar startte de reflectie en het zelfstandige denken, en zo identificeerde ik mij met het denken dat afhankelijk was van intensief voelen. Zelfs ook met de optrekkende beweging ervan, als ik schreef, reflecteerde en zin-gaf, was dat omdat er lichtpunten in mijn leven waren en ik bejubelde de zin alsof mijn gevoelsleven ervan afhing.

Er was iets veranderd in me en ik had de taak uit te kristalliseren wat de essentie daarvan was en hoe het toch in godinnennaam mogelijk was dat ik ‘desondanks’ door was blijven leven. Ik was doodgegaan en ik leefde nog. De wereld stond op z’n kop, dit vroeg om opheldering en om bewustzijn want voor je het weet zou ik nog eens doodgaan en naar iets moeten zoeken dat buiten mezelf leek te liggen maar mij deed denken mezelf te (kunnen) zijn!

Ik schreef dan ook dat “de dood het ultieme doel” van leven is. Bijna achteloos tussen de andere reflecties door, zoals ik poneerde dat ‘acceptatie moeilijk is omdat je niet weet wat er gaat komen’.

Niet veel tegenin te brengen, al voelde ik destijds niet bewust dat mijn bevestiging van de dood een aanmoediging tot leven was, dat ik zeker was van verdriet en onzeker opzoek ging naar vreugde.

Het leven overleven

Gevoelsmatig heb ik zo rond mijn elfde een kwetsbaarheid ervaren die ik nu, meer dan twintig jaar later, nog weleens ervaar als een relationele spanning, een ongenuanceerde opmerking of (naar mijn beleving) suggesties van ‘moeten’ mij uít het hier en nu dan wel dromen en áán het piekeren triggeren.

Het ineens kunnen afbrokkelen van je sociale bestaanszekerheid, het opdringen van onvoorspelbare overmacht en het doordringend weten dat slim, lief en humoristisch zijn slechts marginale invloed heeft op het wel en wee van de personen die je dierbaar zijn of het uiteindelijke overgaan van wat me dierbaar is, leven. Slechts marginale invloed op het welzijn van jezelf, in tijden dat ik zo graag een zelf wenste om het leven te overleven. Zo zou ik deze ervaren fragiliteit kunnen omschrijven.

Ik werd tijdens de adolescentie geconfronteerd met woede, verontwaardiging, onvoorspelbaarheid en een breuk in het gezin, onderwijl ik zelf steeds meer bruiste van openheid richting mijn omgeving, uit noodzaak juist om mijn ontpoppende “ik” gestalte te geven. Onderscheidend vermogen vroeg substantie en ik had stof gekregen om over na te denken. Stoffig verdriet, mistige angst, ongeremde gedrevenheid die zich hier doorheen ademde.

Dit werd een intern explosief experiment, als ik niet reflecteerde of niet danste, dan implodeerde ik. Ik danste om de zwaarte van de niet gespiegelde onzekerheid en stress te ontladen. Ik dans-té.

Angst en depressie zouden dan ook volgen, toen ik uit zoektocht naar de liefde de pen neerlegde en in de disco’s wilde zoenen in plaats van dansen.

Het verwarde en eenzame Zelf

Ik heb mij lange tijd geïdentificeerd met de initiële kwaliteiten die ik in deze sensitieve periode ontwikkeld heb, die geprikkeld werden, die van perikelen zogenaamd zelfgekozen prikkels maakte. Zelfbewustzijn, reflectie en het pogen het heft alsnog in handen te nemen. Of dramatische expressie van gevoelens, krachtig, als de zee, ingrijpend op de stroom der dingen, die je uit ‘doen en laten’ scheppen.

Identificeren was overleven – ik had het met dit verwarde en eenzame Zelf te doen – en als ik maar dacht of danste dan leefde ik dus, op gevoel en bedacht. Zonder zelf, eventjes, geïdentificeerd met dimensies van leven waar het veilig en vrij was.

Ik dacht dus ik was (alsnog, in een situatie die bovenal onzekerheid blootlegde). De andere neiging was volledige identificatie met het voelen, wat het dansen met zich meebracht. Uren dansen, in mijn eentje, op mijn kamer, mezelf en de wetenschap van de eenzaamheid verliezend in de overgave aan lichamelijk zijn en fysieke expressie. Mijn bewegingsvrijheid vond ik terug in het al schrijvende ongestoord denken en in het soepel en ritmisch onbewust emotioneel zijn: dansen. Mijn identiteit werd afhankelijk van het ‘volledige gevoel expressief tot uitdrukking brengen’ of het ‘talige ik’-zijn. Afwisselend tussen denken en dansen ademde ik mij door het “moeten” van school, relateren en doelmatig-zijn heen.

Verstillen en verlangzamen

Actueel, op momenten van kwetsing, kom ik af en toe nabij de kwetsbaarheid die ik destijds zo vol heb geleefd. De neiging kan alsnog zijn om na te denken, veel te reflecteren, te schrijven en zodoende een nieuwe orde te vinden in mijn leven en kortstondig gefragmenteerde zelf – een zelf dat per definitie gefragmenteerd is. Mijn neiging, merk ik op, kan zijn om weg te dansen van confrontaties met kwetsbaarheid.

Echter, in de voorbijgaande jaren heb ik, hoewel kwetsbaar verbonden met de impact uit die perioden, niet stilgestaan.

Of, wellicht passender om te zeggen, juist wél stilgestaan: hoewel nog in beweging en rijpend ‘as we speak’, heb ik geleerd om ook op een andere manier te luisteren naar wat kwetsbaarheid te vertellen heeft. Niet zozeer of specifiek door erover te denken, wel door het denken te verstillen en mijn lichaam te verlangzamen (lees; door verstillen en verlangzamen). Door opmerkzaam te zijn zonder aanhoudend oordeel, door te niksen en tijdloos te leven, al is het maar voor een week..

Dans of denk voor je leven

In de puberteit bouwde ik opnieuw een gekwetst bestaan op door mij te identificeren met wie ik schrijvend dacht te (willen) zijn en door dansend te uiten wat er maar in mij om bleef gaan en me deed wankelen. Tegelijkertijd vroeg het loslaten van mijn afhankelijkheid tot de zijnsvormen ‘dans of denk voor je leven’ om het loslaten van vorm in z’n geheel.

Het denken, het dansen en je romantisch verbinden met je mogelijk toekomstige levenspartner zijn alle op zichzelf geen volledige bestemming van Zijn gebleken.

Hoeveel zin zij ook opwekken, hoe zinnig ze ook voelen. Geen deel dat het geheel overstemt en determineert, wel reflecteert.

Levenskunst: niks is meer zoals het was

Tegenwoordig geloof ik mijn gedachten en “eigen ik”-gevoelens bij tijd en wijle opnieuw en kortstondig volledig. Een gedachte op schrift en een beweeglijk gevoel in mijn lijf is echter niet alles meer dat er voor mij toe doet en dus koste wat kost gevolgd dient te worden. Omdat er meer is dan de ervaring dat ‘niks meer is zoals het was’, namelijk onzekerheid als zodanig.

Veranderingen zijn inherent aan leven, de levenskunst is niets meer dan dát.

Wat overblijft is paradoxaal genoeg meer dan een gedachte als het uitdrukken van leven of een zwierige beweging als expressie van gevoelens: het is schrijven, dansen, liefhebben, spreken, ook spreken en ademen, rustig in – en uitademen. En zoveel meer waar ‘ik’ geen woorden voor nodig heb maar ‘Wat’ ik wel leven kan. Wat leeft. Met of zonder de Ik die het beschrijven kan, met of zonder de Ik die er dansend woord aan geeft. Met of zonder mijn Zelf.

Ontwikkelinstinct

Het ontwikkelinstinct dat Dabrowski benoemt, is nog vitaal in me, meen ik (ik leef en roep vanzelfsprekend ja!).  Hoewel de kern hiervan gelijk is aan de typerende zoektocht in mijn puberteit, voelt het instinct meer als een open nieuwsgierigheid, een verlangen tot vrijheid in denken (conceptloos, ook ik-loos) en het streven naar voelbare verbinding met mijn omgeving (de dans aangaan, wil je dansen?).

“I can’t be a pessimist, because I am alive. If I would be a pessimist, I would agree that life is just an academic matter.”

James Baldwin

Het leven is geen academische kwestie en ook met schrijven is niet alles gezegd al is schrijven met al het onuitgesprokene, niet uit te spreken, al het onbeschrevene en niet te beschrijven verbonden.

“Optimism is a strategy for making a better future. Because unless you believe that the future can be better, it’s unlikely you will step up and take responsibility for making it so. If you assume that there’s no hope, you guarantee that there will be no hope. If you assume that there is an instinct for freedom, there are opportunities to change things, there’s a chance you may contribute to making a better world. The choice is yours.”

Noam Chomsky

Het ontwikkelinstinct in me is vitaal en nog grotendeels onbekend, hoop ik en ‘optimiseer’  ik.

Alle tijd is transitie

Ik grijns een beetje, ook van binnen, als mensen nu zeggen: “Je schrijft dansend. Het is een soort dans!”

Zo komt veel uit de adolescentie – ik in relatie tot mijn omgeving, het denken, het dansen en de verbinding – eventjes en heel mooi samen!

Het brede spectrum van zijn, de diepte in gewankeld. Ik heb geleerd dat als je omgeving verandert jij verandert en als jij verandert je omgeving verandert. Samenhang, mede dankzij de doorvoelde invloed van scheiding en onderscheidend vermogen. Ik schrijf wel via een Ik ‘maar’ ik dans over een Wij en zo is Het een voortschrijdend geheel.

Alle tijd is transitie.

Hoogbegaafd! Jongvolwassenen

Voor jongvolwassenen tussen de 15 en 32 jaar

 Lid worden

 


© Lotte van Lith via >>PositieveDesintegratie.nl<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Ik ben niet bij mezelf”

By | juli 10th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Cliënt: “Mensen zeggen nogal eens tegen me dat ik niet bij mezelf ben.”

Ik: “En wat vind jij?”

Cliënt: “Het klopt. Ik ben niet bij mezelf. Ik ben overal behalve daar.”

Ik: “Oké, en waar ben je dan zoal?”

Cliënt: “Om te beginnen heb ik geen focus, ik let overal op, zie alles, heb over alles een mening, ideeën blijven komen en in mijn hoofd spoken.”

Ik: “Overal, alles, specificeer dat eens als je wilt. Je zit nu hier, waar gaat je aandacht naar uit?”

Cliënt: “Oké, ehm… oké ik heb nu dus al moeite met kiezen, want alles lijkt relevant.”

Ik: “Je hoeft niet te kiezen. Vertel me gewoon alles wat je denkt.”

Cliënt: “Haha, nou alles, dat wil je niet weten hoor, dan zitten we hier de hele dag.”

Ik: “Oké, dus je vult in wat mijn behoefte is en je doet een toekomstvoorspelling. Waar denk je nog meer aan?”

Cliënt: “Ja, nou ik ben door schade en schande wijs geworden. Niet iedereen zit op mijn inbreng te wachten. Ik kan toch niet alles vertellen.”

Ik: “Geen idee. Ik zou zeggen, probeer het eens. Dit is je moment, ik houd je niet tegen. Als jij wilt, dan kun je hier al je gedachten uiten, je gevoelens, alles wat je opmerkt. Waar denk je nu aan?”

Cliënt: “Aan mijn hulpvraag. En hoe ik die bondig formuleer.”

Ik: “Bondig formuleren is niet nodig, maar je denkt dus aan je hulpvraag en je vindt dat je die bondig moet formuleren. Oké, waar denk je nog meer a..”

Cliënt: “Werk. Ja ik moet snel zijn, anders beginnen de opties weer van voren af aan.”

Ik: “Prima, welke beelden en gedachten rondom werk komen er voorbij?”

Cliënt: “Volgens mijn teamleider moet ik minder op anderen letten en meer op mezelf.”

Ik: “Ja, dat kan zo zijn. Oké, je denkt dus aan je teamleider en wat die over je zegt. En waar denk je nog meer aan?”

Cliënt: “Ja, aan wat anderen over me hebben gezegd, over dat ik niet bij mezelf ben. En hoe ik dat voor elkaar krijg. Aan de dresscode bij ons op kantoor, dat dresscodes eigenlijk maar vreemde afspraken zijn en hoe de wereld eruit zou zien zonder dresscodes. Ik vroeg me ook af of jij een dresscode hebt voor dit soort gesprekken. Het zal wel niet, dat geldt natuurlijk meer voor formele clubs, ik las laatst adviezen van een etiquettedeskundige over hoe om te gaan met bepaalde sociale situaties. Bijzonder beroep lijkt me dat, anderen vertellen hoe ze hun leven moet inrichten, die etiquetteregels lijken me zo willekeurig en ze gaan natuurlijk niet altijd op. Zul je net zien dat de regel dan bij jou niet van toepassing is, haha, daar ga je dan met je advies. Kun je me nog volgen, ik spring vaak van de hak op de tak?”

Ik: “Ja hoor, ga door, waar houd je je nog meer mee bezig op dit moment, nu we hier zitten?”

Cliënt: “Nou, die witte muren hier en die bronzen schaal of wat is het, daardoor dacht ik terug aan de vakantie. Mijn vriend en ik gaan elk jaar op vakantie naar Schotland, Ierland, Wales, alles van de UK behalve de drukke steden. Die eindeloze heuvels, dat weer dat zo grauw is als het die dag wil zijn, druilerig, trekt zich niets aan van de zon. Zo intens en beschut, we hebben er onze vaste restaurants, ze kennen ons er inmiddels. In Wales is een brouwerij, een familiebedrijf, stugge mensen, heel normaal, zonder pretenties. Ze maken hun bier, doen hun werk, en het is ongelooflijk goed spul. Als ik daar ben, wil ik nooit meer weg. Voor mijn vader zou het niets zijn, het is te ambachtelijk, het zou hem te lang duren, en bier is iets voor de lagere klasse. Voetbalsupporters en concertbezoekers. Geen Concertgebouwconcert hè, maar Guus Meeuwis, André Hazes, dat soort mannen. Nee, wij drinken wijn. Met bier hoefde ik vroeger niet thuis te komen, ik hield vroeger al niet van wijn, maar heb het leren drinken voor in gezelschap. Ik weet nog dat ik toen ik 15, 16 was, ging stappen met een vriendin, en dat ik dan steevast na de hele avond bier te hebben getankt afsloot met een flink glas wijn. En dan goed spoelen en gorgelen. Ik gooide het zelfs over mijn kleding zodat de ‘juiste’ geur bleef hangen, alles om te voorkomen dat mijn vader zou weten dat zijn goede dochter bier dronk in plaats van ‘die mooie wijnen’.”

Ik: “Oké, als je nu terugkijkt naar de reis die je de afgelopen drie kwartier hebt gemaakt, waar ben je dan geweest? Ik schrijf met je mee op de flipover.”

Cliënt: “Zo! Nou, het was een mooie reis, maar waarheen?? Gelukkig hebben we de foto’s niet meer! Het is maar goed dat die tegenwoordig digitaal zijn.”

Ik: “Je ontwijkt jezelf en je leidt jezelf af. Je geest gaat op reis en als je al je aandacht aan die reis geeft, dan reis jij mee. Waar is je aandacht op gericht geweest?”

Cliënt: “Oké, ik was in Wales, met mijn vriend, thuis bij mijn vader, bij de teamleider, ehm mijn hulpvraag… de etiquettedeskundige… over een dresscode heb ik het nog gehad… en wat jij voor dresscode hebt… bier en wijn, uitgaan, Guus Meeuwis…”

Ik: “De lijn die hierin te zien is, is dat je gedachten gaan over de ruimte om je heen, over andere mensen, over het verleden en over de toekomst, en niet over jou nu. Die gedachten hoeven niet weg, het punt is dat jij weg bent zodra je je gedachten volgt. Je neemt veel waar, legt complexe verbanden, associeert creatief en snel. Volgens mij is het dan heel begrijpelijk dat je die capaciteiten bovengemiddeld veel richt op de wereld om je heen. Begrijpelijk, en niet altijd wenselijk hoor ik van je. Weet je hoe je je voelt als je aandacht verspreid is?”

Cliënt: “Hoe voel ik me, ja geen idee, normaal denk ik, ik ben altijd zo.”

Ik: “Je kwam hier met de opmerking dat je niet bij jezelf bent. Enig idee waar je zou willen zijn?”

Cliënt: “…ja, dat is ambivalent, ik wil bij mezelf zijn, wat dat dan ook betekent, en tegelijk wil ik er niet heen. Ik wil er zijn, maar er niet heen, klinkt dat logisch?”

Ik: “Hoe voelt dat, om ergens te willen zijn maar er niet heen te willen?”

Cliënt: “Ja, ambivalent.”

Ik: “Ambivalent. Hm-mm. En hoe zou de bierdrinker in jou dat omschrijven? Je wilt ergens zijn, maar er niet heen. Hoe voelt dat, als je spreekt vanuit je bierdrinker?”

Cliënt: “Haha, dat is een goeie… Die heeft er geen zin in, is ongeduldig.”

Ik: “Oké… En stel dat die bierdrinker een zachtaardig persoon is, heel goed naar zichzelf luistert, in alle eenvoud het hart op de tong heeft, en weet wat er onder dat ongeduld en die tegenzin zit?”

Cliënt: “Dan doet hij waarschijnlijk aan yoga.”

Ik: “Je zei ‘er wel te willen zijn, maar er niet heen te willen’. Concentreer je op die laatste ‘willen’, ik vraag me af of dat het meest treffende werkwoord is.”

Cliënt: “Hm. Oké. Misschien niet. Ik wil wel bij mezelf zijn, maar ik… willen willen… ja, dat is het inderdaad niet, ik wil wel. Ergens wil ik wel. Het is meer dat… ik denk dat het werkwoord ‘durven’ beter van toepassing is.”

Ik: “Dus de bierdrinker wil wel, maar durft niet. Hoe voelt die bierdrinker zich?”

Cliënt: “Ja… hij is bang.”

Ik: “Waarvoor?”

Cliënt: “Voor wat ie tegenkomt.”

Ik: “En als je dat formuleert vanuit jezelf, in de ik-vorm?”

Cliënt: “Jaaaa, dat is dus…”

Ik: “Blijf hier. Zeg het hardop.”

Cliënt: “…ik ben blijkbaar bang voor wat ik tegenkom als ik bij mezelf ben.”

Ik: “Zonder het woord ‘blijkbaar’.”

Cliënt: “Ik ben bang voor wat ik tegenkom als ik bij mezelf ben. Wow. Dat heb ik nog nooit zo uitgesproken.”

Ik: “En hoe is dat om te doen?”

Cliënt: “Ja, weird. Ik schop altijd in de rondte en nu niet. Wow. Toch minder eng dan ik dacht.”

Schrijfidee van een lezeres

Bovenstaand gesprek heeft niet als zodanig plaatsgevonden tussen een cliënt en mij, zoals dat voor de dialoogblogs wel gebruikelijk is. Ditmaal fantaseerde ik de dialoog op basis van een schrijfidee van een lezeres dat via deze site werd aangedragen:

‘Wat een heerlijk en pijnlijk raak artikel over autoriteitsproblemen. Ik kom zelf vaak ‘je bent niet bij jezelf’ tegen. En dat klopt. Ik ben overal behalve daar. Iets met focus? Iets met er niet heen willen? En wel in de rondte schoppen? Misschien is dit een herkenbaar hoogbegaafdenprobleem cq. onderwerp?’

De lezeres over het eindresultaat:

‘Alsof je écht een gesprek met me hebt gehad😎. Precies de antwoorden die ik had kunnen geven. Ik heb gewoon niks op te merken… ik vind het heel herkenbaar. Chapeau!’

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Ik denk dat jij geen afweren meer hebt”

By | juli 5th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Een bijzondere aflevering: dit dialoogblog is tot stand gekomen via een gezamenlijk schrijfproces met de cliënte zelf! Na mijn opzet heeft zij haar eigen tekst aangevuld. Deze samenwerking is op zichzelf al een bron van nieuwe inzichten en bewustwording. Hieronder volgt de dialoog, voorafgegaan door een introductie, en uitgeleid door een persoonlijke toelichting van de dame in kwestie:  een must read!

Introductie

Deze dialoog is een compilatie uit meeromvattende gesprekken met een cliënte (54 jaar) met wie ik nu ruim een jaar elke twee tot vier weken een afspraak heb. Het fragment leest zich het best als onderdeel van een vertrouwensrelatie. Humor heeft daar een belangrijke plek in.

Deze vrouw heeft een historie van onveilige relaties met haar ouders (vanuit haar perspectief: een eenzame jeugd te midden van een vechthuwelijk tussen een afwezige vader en een verharde moeder), een turbulent liefdesleven waarin zij veelal een therapeutische rol had richting de ander, en een op eigen kracht overwonnen dwangneurose.

Ze reageert en verbindt op gevoelige wijze; haar gedachten en emoties ervaart zij bijzonder intens. Haar meest voorkomende manieren om met haar pijn om te gaan, waren vermijding, compensatiegedrag, please-gedrag, zelfverwijt en controledrang.

Ze leert om zich vanuit meer kalmte, zelfvertrouwen, liefde en veiligheid tot zichzelf en anderen te verhouden. De basis daarvan legt ze door te werken aan het opmerken van haar gedachten en het toelaten van gevoelens, en te zien hoe die haar waarneming van personen en situaties in het heden kleuren. In kwetsbare en moedige stappen tonen zich haar capaciteiten: intelligentie, sensitiviteit, humor, empathie, kracht, liefde, wijsheid.

Ze vindt herkenning en handvatten in de terminologie en inzichten van psychologe Ingeborg Bosch en haar Past Reality Integration therapie. Zodoende gebruiken we die soms op haar verzoek en aandragen. In PRI worden vijf afweermechanismen onderscheiden om oude pijn niet te hoeven voelen. In volgorde van opbouw zijn dat: angst, primaire afweer (depressie), valse hoop (stress) en valse macht (boosheid), en ontkenning van behoeften (verslavingen). Op de PRI-site is meer context te lezen.

Dialoog

Cliënt: “De afgelopen maanden heb ik zoveel ontdekt over mijn afweren, pfff er komt geen eind aan, ik blijf maar nieuwe variaties op patronen ontdekken, telkens weer een confrontatie met dat kleine, niet geziene en niet gehoorde kindje in mij dat nog zoveel pijn heeft en zich niet goed genoeg voelt. Word ik ooit emotioneel volwassen, vraag ik mij af. Is het mogelijk om zonder afweren te leven? Ja, voor jou wel, ik denk dat jij geen afweren meer hebt.”

Ik: “Denk je, ja? Lijkt me niet zo realistisch dat ik geen afweren meer zou hebben. Een hulpverlener – beetje scheef woord – zonder afweren is als een sollicitatiebrief zonder motivatie!”

Cliënt: “Haha, nee maar serieus, jij hebt je relaties verbeterd, je hebt fijne contacten, je hebt een vriend, binnen je familie gaat het ook goed, je bent autonoom in je communicatie. Ik zie jou als iemand die, na het nodige meegemaakt te hebben en een burn-out te hebben overwonnen, zich inmiddels staande weet te houden in al dan niet onprettig en/of ongezond aanvoelende familiesituaties en te midden van mensen die soms vanuit onveilige hechting ongezonde keuzes maken. Ja en ik…ik vind het nog zo moeilijk, ik zit zo regelmatig niet lekker in mijn vel. Ik voel me vaak alsof ik me in drijfzand begeef in het contact met anderen. Het lijkt alsof ik op een weg rijd waarop iedereen aan het spookrijden is en dan gebiedt de logica me te realiseren dat ìk dan wel degene moet zijn die aan het spookrijden is.”

Ik: “Oké, ik vermoed dat je blik richting mij wel wat relativering kan gebruiken. We zien elkaar nu ruim een jaar regelmatig; je afweren zijn minder sterk en je maakt makkelijker contact met je gevoelens. Je bent in staat om te voelen wat er onder je eerste laag gedachten en emoties schuilgaat. Verder staat jouw leven centraal in de sessies en niet het mijne, dus ons gezamenlijke zicht concentreert zich op dat wat jij tegenkomt, ervaart e.d. Mijn persoonlijke ervaring is dat het ontmantelen van afweren een continu proces is, misschien wel levenslang, in toenemende verfijning. Het gaat dan niet om de afwezigheid van afweren, maar om snellere en eerdere herkenning ervan. Elke groei brengt nieuwe, bijpassende reactiekrachten met zich mee die dezelfde oude pijn kunnen oproepen in een nieuw jasje. Ik ervaar dat mijn kwaliteit van leven enorm is verbeterd door bewuster te worden, en tevens zijn pijn en kwetsbaarheid inherent aan dat leven.”

Cliënt: “Oh ja, dat het ontmantelen van afweer altijd blijft doorgaan en de nuance steeds verfijnt… dat zal wel zo zijn inderdaad. Maar ik ervaar nog zo vaak teleurstelling en dan voel ik me zo minderwaardig, zo waardeloos. Dat ik het niet waard ben om van te houden.”

Ik: “Hmm, dat is zwaar om te ervaren… De gedachte dat je het niet waard bent om van te houden, dat is verdrietig genoeg een bekende gedachte voor je. Je hebt hier al mee geoefend, welke afweer herken je in die gedachte?”

Cliënt: “Ja…dat is die primaire afweer… Het lijkt ook wel alsof ik nu in een soort van niemandsland verkeer, waarin ik mijn oude afweren ontmantel en mijn standaardreacties ombuig, maar waarin ik vervolgens nog niet als vanzelfsprekend op een andere manier met gevoelens van machteloosheid en kwetsbaarheid weet om te gaan. Dat maakt dat ik me soms juist onzekerder voel, onaangepaster ook en ja… soms vind ik het leven dan zelfs moeilijker dan toen ik al die vanzelfsprekende afweerreacties nog kon en wilde gebruiken.”

Ik: “Ah ja, je beschrijft een soort vacuüm waarin je ontvankelijkheid toeneemt en je vertrouwde houvast ontbreekt. Ik wil daar zo graag op terugkomen. Je refereerde aan je gevoelens van teleurstelling en waardeloosheid. Hoe zou je die signalen interpreteren?”

Cliënt: “Teleurstelling is ingestorte valse hoop en vaak koester ik te hoge verwachtingen denk ik… En dat gevoel van waardeloosheid is weer die primaire afweer, dat ik er niet toe doe en er niet mag zijn… De valse hoop laat mij nog regelmatig denken dat als ik maar genoeg aan mezelf werk er dan wel van mij gehouden gaat worden… ik vind blijkbaar dat ik nog iets aan mezelf moet veranderen om waardevol te zijn.”

Ik: “Hmm ja, dat heb je scherp waargenomen denk ik. Ook zelfontwikkeling kan onbewust worden ingezet als afweer, om je alsnog goed genoeg te voelen. Blijf aandachtig waarnemen zoals je nu doet, en voel je lichaam, hier, zittend op de bank. Kijk eens naar je gedachte omtrent het volgens jou afwezig zijn van mijn afweren. ‘Objectief’ is die gedachte niet waar. Wat is er dan aan de hand, wat wordt er door die gedachte gecreëerd?”

Cliënt: “Ja, dat is dan de illusie zoals Ingeborg Bosch schrijft. Ik besef voor wat betreft die aanname van mij dat ik best veel behoefte heb gehad aan ‘voorbeeldmensen’. Dat zal wel komen omdat ik niet zulke goede rolmodellen als voorbeeld had. Dus vandaar dat ik wellicht geneigd ben jou als mijn rolmodel op een voetstuk te willen zetten, maar dat is vanuit onze gedachte aan samenwerking vanuit gelijkwaardigheid natuurlijk wel lastig en ambivalent. Ik realiseer me nu ook dat het voor mijn helingsproces eigenlijk helemaal niet belangrijk is of jij nog gebruik maakt van afweermechanismen, want het heeft jou in je hulp bij mijn proces van emotioneel volwassen worden en afweer ontmantelen nog nooit in de weg gestaan. Zoals Ingeborg schrijft is de illusie dus dat ik jouw emotionele volwassenheid en stabiliteit denk/dacht nodig te hebben om zelf te kunnen groeien. Volgens haar kunnen alleen je ouders in je leven die rol vervullen.”

Ik: “Dat zijn knappe realisaties, en uitingen van je emotionele groei. Terugkomend op hoe je je huidige niemandsland beschreef: je bent aan het leren om je gedachten en gevoelens te herkennen voor wat ze zijn. In dit proces, waarin je afweren in kracht afnemen en je zogezegd steeds dichter bij jezelf komt, is het onvermijdelijk dat je je vaker dan voorheen, bewúst niet lekker in je vel voelt zitten. Door je daarvoor open te stellen, geef je je toekomst een zeer krachtige impuls. Ik bedoel hier niet lullig afstandelijk over te doen, ik besef en begrijp dat je je regelmatig miserabel voelt en dat dat als ervaring super naar is. Om dat te dragen, is het denk ik wijsheid om te zien waar je je bevindt in je proces om je er zodoende iets van te distantiëren, met behoud van innerlijk contact. Het is heel subtiel.”

Cliënt: “Hmja, ik weet het… pfff ik voel me nu niet direct beter. Ik moet denken aan die mooie uitspraak in het filmpje dat jij me stuurde, van die lezing van Alain de Botton ‘Why You Will Marry the Wrong Person‘: ‘Van boosheid (valse macht) naar verdriet (primaire afweer) is progressie’. Dat is dan wel weer hoopvol.”

Ik: “Jazeker! Ik wil even waken voor de mogelijke vergissing dat boosheid altijd valse macht is, verdriet altijd primaire afweer, en dat de weg van boosheid naar verdriet altijd vooruitgang is. In de context van ons gesprek gaat Alains uitspraak inderdaad wel op! En hij definieert liefde als de capaciteit om andermans gedrag genereus en begripvol te interpreteren. Ik ervaar dat dit ook geldt voor de omgang met ons eigen gedrag, en dan mag volgens mij wel gezegd worden dat je in toenemende mate liefdevol met jezelf omgaat. En ik snap dat je je niet direct beter voelt… Even een schalkse vraag: had je een quick fix verwacht?”

Cliënt: “Ja nee, dat zijn weer mijn hoge verwachtingen en ik wil gewoon snel van die pijn af. Ik loop er al zo lang mee. Het voelt alsof ik mijn hele leven lang al zo mijn best doe er wat van te maken, dat het leven zo hard werken is en ik zou zo graag willen dat het me nu eens wat makkelijker af zou gaan.”

Ik: “Ja, ik snap je wens. Misschien fijn om een volgende keer dat harde werken te onderzoeken? En voor nu, je leeft nu 54 jaar en je bent een jaar bezig om je gevoelens te ontdekken. Een lange opbouw vraagt om een minutieuze, koesterende, geduldige afbouw. Je bent geen partytent….

Cliënt: “Hahaaa, nou die heb ik zo afgebroken, ik heb al 25 jaar mijn eigen bedrijf, twee woningen, twee auto’s, wat ik zelf kan, dat doe ik zelf, mijn moeder en partners heb ik gedragen. Ik zou wìllen dat veranderen zo makkelijk was als het afbreken van een partytent!”

Persoonlijke noot van de cliënte

Op mijn voorstel dat ze zelf een kort tekstje zou schrijven waarin ze zich vanuit haar perspectief verbindt met de lezer bood ze deze spontane woorden, vergezeld van een helder ‘sorry… ik doe niet zo aan beknopt 😊’.

“Naar aanleiding van een stukje dat Ilona had geplaatst op de website van de Week van de Hoogbegaafdheid dat mij erg aansprak, heb ik contact met haar gezocht. In het telefonisch contact viel mij gelijk haar doortastende en prettig aanvoelende manier van communiceren op.

Ik heb een aantal jaar geleden beseft dat ik in mijn vriendschappen meer behoefte had aan intimiteit en was bereid te kijken in hoeverre ik daar zelf toe in staat was. Gezien ook mijn nogal desastreus verlopen liefdesrelaties had ik gemengde gevoelens voor wat betreft intimiteit. Toch realiseerde ik me hoe langer hoe meer dat ik verbinding met anderen het allerbelangrijkste vind in het leven. In dat contact met anderen merkte ik dat ik niet altijd begrepen werd, verkeerd begrepen, te complex dacht en was of werd gevonden (daar ben ik nog niet uit 😊) en dat communiceren door mij vaak als een mijnenveld ervaren werd.

Daarom begon ik me te verdiepen in geweldloos communiceren en verbindend communiceren, maar hoe ik ook mijn best deed en de theorie goed leek te begrijpen, in de praktijk bleef ik de omgang met mensen maar moeilijk vinden. Om nog maar niet te spreken over de non-verbale communicatie, want als het verbale gedeelte me al zo ongemakkelijk afging! Veel heb ik gelezen over de gevolgen van onveilige hechting en hoe daar in relatie tot anderen bewuster mee om te gaan (o.a. Rika Ponnet). Hoe emotioneel misbruik, geestelijke mishandeling en affectieve verwaarlozing mijn leven en gemaakte keuzes bepaald hebben (Ammy van Bedaf). Via boeken die mijn leven verrijkt hebben van Jan Geurtz, Alice Miller en uiteindelijk aangekomen bij Ingeborg Bosch en haar Past Reality Integration. Veel geleerd van het belang van het ‘uit de slachtofferrol stappen’ en ‘jezelf alsnog emotioneel volwassen opvoeden’ (Ammy van Bedaf) en het door Ingeborg Bosch iets anders geformuleerde ‘verantwoordelijkheid nemen voor je eigen gevoelens en gedrag’.

In eerste instantie kwam ik bij Ilona met de hulpvraag om het resultaat van mijn manier van communiceren meer in lijn te brengen met het beoogde doel. Anders gezegd, dat ik mij niet meer zo’n alien zou voelen in een wereld waar verder iedereen om mij heen elkaar vaak goed lijkt te begrijpen en waar de in mijn ogen verontrustend onbegrijpelijke communicatie door mij beter gepareerd zou kunnen worden of desnoods met goed fatsoen, ofschoon ongemakkelijk, doorstaan.

De samenwerking met Ilona past vooral zo goed bij me omdat deze uitgaat van gelijkwaardigheid. Dit is wat mij ook zo aansprak in wat ik las over P.R.I. van Ingeborg, waarin zij stelt dat in tegenstelling tot de gangbare hulpverlening waarbij een ‘gezonde dokter’ de ‘zieke patiënt’ beter maakt, de benadering van de therapeut bij P.R.I. naar de cliënt er een is van gelijkwaardigheid. De therapeut heeft het helingsproces alleen eerder ingezet en is hier verder mee gevorderd dan de cliënt, waardoor zij de cliënt verder kan helpen en de therapie kan geven vanuit haar volwassen-bewustzijn. Alhoewel ik P.R.I. alleen bestudeerd heb en nooit een P.R.I.-therapeut heb benaderd, ervaar ik de coaching van Ilona ook als zodanig. Gelijkwaardig, de gevolgen van onveilige hechting heeft zij doorleefd en het is juist dankzij deze herkenning in het leven met de tegenslagen die onveilig gehechte mensen meer dan anderen op hun pad zullen vinden, dat ik me zo goed begrepen voel.

Waar we begonnen met de hulpvraag mijn communicatievaardigheden te verbeteren heeft dit zich verplaatst naar de non-verbale communicatie. Naar mijn gevoelsleven en emoties, waaraan ik nooit veel aandacht heb besteed als analytisch en rationeel denker. Het in het contact aanwezig blijven, voelen wat iets met me doet en minder in mijn hoofd zitten en niet meer invullen voor anderen. Zodat ik uiteindelijk mijn doel, congruente communicatie, bereik en me dus beter op mijn gemak zal voelen. Zodat ik niet langer meer teveel energie steek in het begrijpen en analyseren van intermenselijk contact en me meer verbonden zal voelen met de mensen om mij heen.”

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Waarom altijd die vraag “waar ben je niet goed in”?

By | juli 4th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Iedere keer valt het me weer op. Ik stel een vraag: hoe gaat het met je werk? Dan volgt vaak een antwoord waarin iets gezegd wordt als ‘dat ging niet goed en moet ik nog verbeteren’.

Ik vraag door. ‘Hoe voelt dat voor jou?’ Antwoord: ‘Sja, niet echt leuk maar het zal toch moeten. Ik moet toch hetzelfde kunnen als mijn directe collega’.

En iedere keer weer ben ik verbaasd. Waarom? Waarom toch dat uitgangspunt van uniformiteit? Vanuit een idee van ‘gelijke monniken, gelijke kappen’? Maar klopt dat wel?

Eén van mijn volgende vragen is vaak: ‘Wat vind je leuk om te doen?’. Dan krijg ik enthousiaste reacties terug. Mensen stralen als ze daarover vertellen. En meteen daar achteraan: “Maar dat kan toch niet want ik moet …”.

Dat werkt bij mij als een lap op een rode stier. Ik word daar energiek en moedeloos van, tegelijkertijd. Waarom kijken we niet veel meer naar de mens die tegenover je zit?

En denk dan ook na over jezelf. Wanneer word jij enthousiast? Als je iets moet doen omdat een ander vindt dat jij dat hetzelfde moet doen als jouw collega? Of als je de ruimte krijgt om jouw talenten te gebruiken in je vak?

Inmiddels heb ik deze insteek verdiept. Ik kijk niet meer naar talenten maar naar KernTalenten. Die worden afgeleid uit jouw natuurlijke gedrag als kind. Uit jarenlang onderzoek blijkt dat gedrag een uitstekende leidraad kan zijn bij keuzes op volwassen leeftijd.

Als je jezelf toestaat in deze lijn te redeneren zie je zoveel meer kansen en mogelijkheden! En ja, dat geldt ook in grote organisaties met vele functiebeschrijvingen en formatieve hokjes. Met een beetje creativiteit is zoveel meer mogelijk. En daar worden mensen letterlijk blij van. En dus ook productiever.

Nog veel te vaak zijn wij als samenleving, in organisaties, in bedrijven gericht op het energie steken in zaken die je (nog?) niet goed kunt. Ik snap daar niets van. Het kost moeite om mensen een kant op te sturen die zich niet vanzelf ontwikkelt. Dat gaat ten koste van tijd die mensen kunnen steken in zaken die ze heel goed kunnen en waar ze energie van krijgen!

Wat is er nu mooier dan werk te hebben waarbij je in een flow komt? Omdat je gebruik maakt van de kwaliteiten die van nature al aanwezig zijn. Kwestie van je KernTalenten kennen!

Gelijke monniken, gelijke kappen zit hem wat mij betreft niet in een functie op minimaal eenzelfde niveau uitvoeren. Het gaat om gelijkwaardigheid. Elkaar de ruimte en het vertrouwen geven en van daaruit optimaal te presteren. En dat kan alleen als je mag doen wat écht bij je past. En niet gedwongen wordt energie te steken in wat je van nature niet past.

Hoogbegaafd! Werk & Ondernemen

 Lid worden


© Ingeborg de Keizer via >>Eigen Meerwaarde<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Lampje!

By | juni 27th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Stel, iemand zou je vragen om een ruimte opnieuw in te richten. Je kent die ruimte niet en je bent er nog nooit geweest. Diegene neemt je mee ernaartoe en voor de deur staan jullie stil. Hij laat je daar achter en wenst je succes. Je opent de deur en stapt naar binnen. Je had er niet veel verwachtingen bij, maar voelde wel een lichte spanning over wat je zou aantreffen.

Tot je opluchting blijkt het een kleine ruimte te zijn, formaat studentenkamer. Een overzichtelijk geheel. Dunne wandjes, her en der wat meubilair, aan het plafond een spaarlampje aan een snoer. Er moet eens flink gestoft worden, een raam opengezet enz. Hier weet je wel raad mee, nothing you can’t do. Je zelfvertrouwen neemt toe. In je gedachten ontstaat een actieplan, ideeën om de ruimte niet alleen op te ruimen en te reorganiseren, maar ook te decoreren. Misschien een andere kleur op de muren, of juist behang, of nee beide? Wat schilderijen aan de muren, een plant in de hoek. Je begint alvast met opruimen, lege verpakkingen in de prullenbak. Eerst een raam open, denk je. Maar hee, dat blijkt er niet te zitten, wat vreemd, een ruimte waar geen frisse lucht en licht naar binnen kan.

Je beseft nu dat je je al wat benauwd voelde in deze kleine, bedompte kamer. Is er echt nergens een klein luikje te vinden? Je pakt er een gammel krukje bij, zet het onder de lamp, klimt erop en speurt de wanden af bij het schijnsel van de lamp. Nergens een opening te vinden. Je schijnt zo hoog mogelijk op de muren rondom en ineens merk je dat een deel van het schijnsel niet wordt weerkaatst door de muren…en het plafond?? Je ogen worden groot, je adem stokt.

Het plafond blijkt vlak na de lamp op te houden, de wandjes blijken deels geheel op zichzelf te staan, een zwarte ruimte strekt zich boven je uit. Je voelt de dreigende onbekendheid. Van schrik val je bijna van dat onvoorbereide krukje. Je hart bonst en je vraagt je af of je daar gaat sterven, in je eentje. Hè, wat? Oké, de fantasie gaat met je aan de loop. Of…

Je overweegt om deze plek haastig te verlaten. Die man zal vast ergens op de gang rondlopen, je kunt de opdracht teruggeven en zo weer naar buiten, de zon in, naar huis, even wat drinken in dat koffietentje om bij te komen. Wat te doen?

Je wikt en weegt. Je twijfelt. Dit moment doet je vaag denken aan ontelbare eerdere momenten in je leven. Een beslissende keuze, een kans om iets fundamenteels om te keren. Avontuur ook… een nieuwe ervaring, een diepte-investering die exemplarisch zal blijken voor je evolutie. Hoe en wat precies kan je niet overzien. Dit moment daagt je uit om over de grenzen van je gangbare denksysteem heen te kijken, om je met meer finesse te verhouden tot je emoties.

Weet je eigenlijk wel zeker dat je de toekomst kunt voorspellen? Die toekomst van zojuist is nu heden en je staat hier nog steeds. Inmiddels bonst je hart niet meer zo en voel je je zowaar op je gemak. Je maakt korte metten met deze besluiteloosheid; je nieuwsgierigheid wint het van de eerdere onrust. Nipt.

Je besluit te blijven en verder te kijken. Hoe pak je dat aan? Je stapt van het krukje af met het snoer van het peertje in je hand. Je verplaatst het krukje zo ver mogelijk tegen de zijwand aan, en klimt weer op dat verweerde opstapje waar je inmiddels een komische dankbaarheid en liefde voor voelt. Je schijnt met het peertje over de wand heen. Overal waar de lichtstraal schijnt, lijken grenzen te ontbreken. Je blijkt je te bevinden in een gigantische, pikzwarte ruimte, die oneindig lijkt te zijn. Zo een grote ruimte is ondenkbaar.

Je denkt terug aan je beleving van deze ruimte als een overzichtelijke – en benauwende – studentenkamer… wat een grap. Je vergissing boezemt je angst en ongeloof in, die op hun beurt bewondering oproepen. Zelfs jij bent voor de gek te houden… interessant… je dacht toch altijd gelijk te hebben? Hmm. Gelukkig maar dat niemand dit weet.

Ondertussen ben je ongemerkt tegen het wandje gaan leunen, het begint te wiebelen en je verliest bijna je evenwicht. Je duwt het wandje omver. Het blijkt flinterdun. Eén A4’tje dat zich groot hield. Eenmaal op de grond gedwarreld, lijkt het te verdampen in de vloer. Kordaat tik je ook één van de zijwandjes omver. Het plafond begint scheef te hangen. Hoe loopt die elektriciteitskabel dan naar dat peertje, vraag je je nog af. Je gedachten beginnen de geijkte denkstappen te maken: probleem analyseren, verklaringen bedenken, divergeren, convergeren, probleem oplossen.

Stop. Deze keer niet. Die code kun je later nog kraken, nu eerst de onbekendheid tegemoet. Dit peertje heeft een te beperkte stralingscirkel, dus je moet op zoek naar een andere lichtbron. Zo een enorme ruimte zal toch wel iets van een lichtschakelaar hebben? Maar je kan geen wanden ontdekken, en om veilig verder te komen moet je licht hebben. Oké, een klein stukje vooruit dan, je stapt over de grens die voorheen bestond door het wandje. En dan bemerk je iets onverklaarbaars, je ogen beginnen niet alleen langzaam te wennen aan het duister, ze blijken zelf licht uit te stralen. Weliswaar zwak en nauwelijks waarneembaar, maar toch.

Licht uit je ogen??? Dat kan natuurkundig toch niet waar zijn, het menselijke oog heeft toch een externe lichtbron nodig om te zien?? En toch kun je niet ontkennen dat waar je ook kijkt, zich een zachte gloed verspreidt. Al experimenterend ontdek je dat de gloed standhoudt, ook al richt jij je blik elders. Dat wat gezien is, kan niet meer ongezien worden.

Je snuift en grinnikt. Wat een cliché, voorheen verzette je je hevig tegen elke vorm van vaagheid en zweverig geneuzel. En nu blijk je zelf het cliché te leven. Hè hè, je voelt je onhandig, jong bijna, als een kind dat nog niks weet. Er borrelt een enorme levenslust in je op, een hunkering naar dit, dit nieuwe, iets…anders. Dit andere dat je altijd hebt afgedaan als niet te bewijzen, irrationeel, en dus fantasievolle illusies, gevoed door niets anders dan onderbuikgevoelens. De menselijke, kleinzielige behoefte aan troost en comfort. Zou het kunnen dat dát jouw onwetende fantasie was, die zich voordeed als rationaliteit, gegrond in de helderheid van het denken?

Nou nou, je hebt het zwaar te pakken en moet wel met de voeten op de vloer blijven. Eerst maar eens verder kijken. Je actiefilmwaardige laser-eyes doen het nog steeds. Je besluit het grondig aan te pakken en deze ruimte eens flink in die zee van licht te laten baden. Je schijnt en beschijnt, en er ontstaat een werkelijk enorme ruimte die zich uitstrekt in een goudglanzend licht. Je adem stokt voor de zoveelste keer vandaag.

Je staat stil, iets wat je voorheen verafschuwde en tijdverspilling vond. Er was niets te beleven in die dorre, levenloze stilstand. Maar deze stilstand is van een wonderlijke kwaliteit. Vervullend. Compleet. Opgelost. Af. Alles. Je hebt niets meer nodig, een gevoel dat je heel subtiel bekend voorkomt. Haast bereid om ter plekke te sterven, besef je dat je niet op de zaken vooruit wilt lopen. Een rondje lopen dan maar!

Het lijkt hier wel een opslagruimte… wat een gigantische hoeveelheid spullen staat hier. Een wonderlijke verzameling. Wie zou dat hier neerzetten? Zo’n delicate, verfijnde ruimte en dan vol zetten met, ja met wat eigenlijk? Verroeste meubels, lekke autobanden, boeken met verstokte kennis, versleten kapstokken, uitpuilende koffers vol bagage, een stokoude PC met floppydrive, MS DOS??

Oké oké, denk je, I get the picture, deze ruimte is illustratief voor mijn innerlijke ruimte. Zo meteen ontdek je nog parels en diamanten… En ja hoor, de eerste schatten glimmen je al tegemoet, hun textuur zo fijntjes dat je ze over het hoofd zag te midden van de meer grofkorrelige materie. Je loopt en loopt, ontdekt en ontsluit, zoekt en vindt, er komt geen einde aan.

Je denkt terug aan hoe je hier bent gekomen en de vraag van de onbekende om deze ruimte opnieuw in te richten. Inmiddels weet je dat zelfs het ogenschijnlijk eenvoudige woord ‘deze’ een ongekende omvang en betekenis kan hebben. De oorspronkelijke vraag lijkt niet meer relevant, in je huidige toestand is er geen willen meer dat actief beslist, het is al gebeurd. Je draait je om en diep in de verte zie je dat hokje waarvan je voorheen dacht dat het alles was.

Ach ja, dat peertje, hoe zat dat met die elektrische bekabeling? Dat lijkt wel magie in deze onbegrensde ruimte. Magie bestaat niet, wat een onzi… ho, stop. Nog geen half uur geleden waren er wel meer zaken die je dacht zeker te weten. Al associatief en logisch reflecterend moet je erkennen dat het zou kunnen dat ook je ideeën en meningen van nu op een later moment niet per se waar blijken te zijn.

Je neemt je voor om vaker in deze ruimte te verblijven. Je bent daar onderdeel van een groter geheel en dat voelt…aangenaam.

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Uitgekauwd en herkauwd

By | juni 26th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Door uitgekauwde wijsheden en platgetreden platitudes zélf te herkauwen en te bewandelen, toont zich een frisse levendigheid die misselijkheid herkent als behoefte aan authenticiteit en doodlopende wegen als omgekeerde wegwijzers.

Hoe beter je jezelf kent, hoe beter je een ander kunt kennen.

Hoe helderder je jezelf in beeld hebt, continu, hoe helderder je de ander kunt waarnemen.

Hoe liefdevoller je met jezelf omgaat, hoe meer je die liefde aan de ander kunt tonen.

Hoe meer historisch residu je innerlijk opruimt, onder ogen ziet, erkent, doorvoelt en begrijpt, hoe waarachtiger je interne referentiepunt wordt waartegen je de omgeving, de ander, begrijpt.

Hoe meer je je bewust bent van je eigen kleuring, hoe opener je je betekenisverlening kunt checken bij de ander.

Hoe meer je je interne conversaties beluistert, hoe meer je die van anderen kunt horen.

Hoe scherper je luistert, hoe minder lijstjes met signaalwoorden je nodig hebt; de woorden en hun relatieve betekenis voor degene die ze uitspreekt, zijn dan vaak erg duidelijk.

Hoe meer rust en stilte je intern ervaart, hoe scherper je de onrust en het rumoer opvallen, in hun grote en meer subtiele vormen.

Hoe zuiverder je de werkelijkheid ziet, hoe vanzelfsprekender de fluctuaties zich aan je presenteren.

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Maar je moet dan ook wel durven

By | juni 23rd, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Ja, leuk al die potentie die een hoogbegaafde blijkbaar bezit, maar waar ligt die potentie dan? Deze vraag houdt me al weken bezig terwijl ik probeer uit te vogelen wat ik allemaal wil doen met m’n leven. Zaken waar ik me mee bezig wil houden moeten uiteraard wel uitdagend genoeg zijn, wil ik het lang volhouden. En m’n passie moet er liggen, en het moet interessant zijn, en nuttig, en niet geroutineerd, en ik moet er wat van kunnen en blijven leren, en en en.. M’n moeder hoort geduldig elk geklaag van mij aan tijdens onze bijna dagelijkse WhatsApp belletjes. Ik wil namelijk ook nog cum laude afstuderen over twee jaar en veel werkervaring opdoen tijdens m’n studie. “Allemaal goed, maar zorg dat je niet te veel hooi op je vork neemt, Steph,” is mama’s advies.

Ten einde raad klop ik uiteindelijk aan bij de studiebegeleiding van mijn universiteit. Ik wil het maximale uit mezelf halen en het anders aanpakken dan eerst, maar hoe nu verder? Ik barst van de energie en ambitie, maar voel me toch niet helemaal zelfverzekerd. De psychologe luistert geduldig naar m’n geratel. Ik moet uiteindelijk een vragenlijst van 78 vragen invullen m.b.t. m’n zelfbeeld, het vertrouwen in mijn eigen kunnen en faalangst. Het resultaat een week later: extreem perfectionistisch en een uiterst negatief zelfbeeld als het gaat om het vertrouwen in m’n capaciteit. Oef, denk ik. Ik ben dus eigenlijk m’n eigen beperking. Hier moet aan gewerkt worden.

Wekelijkse sessies volgen waar ik leer te plannen en haalbare doelen voor mezelf te stellen. Het gaat om stapsgewijs iets ondernemen en de lat wat lager leggen, leer ik. Niet veel en alles in één keer, maar georganiseerd en in kleine stapjes. En lukt het niet in één keer, dan probeer je het maar tot het lukt. Perfectie bestaat immers niet. Een wereld gaat voor me open. Is dit echt hoe het werkt? Ik probeer het tijdens het leren voor tentamens en merk dat het lukt. Ook m’n zelfvertrouwen groeit naarmate ik de lat wat lager leg. Wauw. Potentie hebben we allemaal ja, maar je moet dan ook wel durven die te gebruiken. En dat leer ik nu, stapsgewijs.

Hoogbegaafd! Jongvolwassenen

Voor jongvolwassenen tussen de 15 en 32 jaar

 Lid worden


© Stephany Daal | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Top-down leren

By | juni 19th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Top-down leren

Het is een term die je in hoogbegaafdenland veel tegenkomt: top-down leren. Deze wordt benoemd als zowel een talent als een struikelblok. Er wordt uitgegaan van het geheel zien of begrijpen, waarna stukjes kennis worden opgebouwd om het geheel te beredeneren. Het onderwijssysteem is echter bottom-up, dat gaan we niet veranderen.

Maar….

Ik leer niet top down. Ik begon namelijk niet met wiskundige formules voordat ik ik kon tellen en lezen. Ik leer stap voor stap, niet van boven naar beneden, maar wel zelf ontdekkend, met zo nu en dan een steuntje ter begeleiding of sturing, soms een stap overslaand of dingen heel snel ziend, en werkend en lerend vanuit begrip en niet vanuit stampwerk. Dat is wat anders dan top-down.

Zone van Naaste Ontwikkeling en Zone van Actuele Ontwikkeling

Vygotsky introduceerde de Zone van de Actuele Ontwikkeling en de Zone van de Naaste Ontwikkeling. Het verschil tussen de twee zones is de afstand tussen het feitelijke ontwikkelingsniveau, oftewel het kunnen oplossen van problemen zonder hulp, en het potentiële ontwikkelingsniveau, oftewel het kunnen oplossen van problemen onder begeleiding. De Zone van Naaste Ontwikkeling heeft betrekking op de potentiële leermogelijkheden van een individu.

Vooral kinderen doen geen ontdekkingen die geheel nieuw zijn, want ze zijn al bekend bij anderen. Opvoeders kunnen helpen de kloof te overbruggen tussen wat iemand op een bepaald moment zelf kan en waar iemand, weliswaar met hulp, toe in staat is.

Een kenmerk voor hoogbegaafden is dat ze comfortabel leren vanuit Zone van Actuele Ontwikkeling. Dit in tegenstelling tot de leermethodes op scholen en door begeleiders worden gehanteerd: die werken veel, onbewust, vanuit de Zone van Naaste Ontwikkeling of zelfs vanuit een autoritair concept. Kennis en inzicht met betrekking tot Zone van Naaste Ontwikkeling en Zone van Actuele Ontwikkeling wordt veel meer mogelijk door middel van relatief kleine aanpassingen aan de gebruikte lesmethodes.

Onzorgvuldige interactie in de Zone van Naaste Ontwikkeling ondermijnt voor hoogbegaafde leerlingen of werknemers zowel de kans op het ontwikkelen in hun eigen, persoonlijke tempo als het werken vanuit autonomie. Dit terwijl deze facetten kenmerkend zijn voor hoogbegaafden. Onzorgvuldige interactie vindt plaats als de begeleider aannames doet over wat een persoon wel of niet kan of begrijpt. Er moet worden uitgegaan van de persoon en niet vanuit aannames of verwachtingen richting die persoon, want de persoon heeft de regie. Verder dient aan het begin van de interactie het doel duidelijk te zijn. Als het doel niet duidelijk is, kan de persoon niet de noodzakelijke regie hebben. Leren doe je samen.

Zorgsyndroom

Hoogbegaafden hebben zeker ook de Zone van Naaste Ontwikkeling nodig, namelijk bij instructie, als ze blokkeren, in hun zone van actuele ontwikkeling of als er kennishiaten zijn ontstaan door hun natuurlijk snelle leerstijl. Daarbij is het van extra groot belang om niet in het zorgsyndroom te vervallen en ze tijdig hun Zone van Actuele Ontwikkeling te gunnen. Het is echter van even zo groot belang ze van te voren van het doel van de ondersteuning op de hoogte te stellen.

Dit geldt nog sterker voor twice-exceptionals, oftewel hoogbegaafden met een diagnose. Hun vermogen kennis en vaardigheden wordt worden snel onderschat, waardoor er minder accuraat wordt gekeken naar wat zij zelf kunnen en naar wat zij nog kunnen leren. Vooral met oog op wat zij zelf kunnen leren is het belangrijk hen die ruimte te gunnen en de regie bij hen te laten, met oog en kennis van de diagnose en wat zij daarin nodig hebben om optimaal te kunnen ontwikkelen. Veel leerkrachten en begeleiders trachten kinderen of volwassenen van binnen de Zone van Naaste Ontwikkeling te helpen en ondersteunen. Dit terwijl het kind of de volwassene snel genoeg heeft aan een passende inzet van adequate hulpmiddelen en passende interactie in de Zone van Naaste Ontwikkeling, om in de Zone van Actuele Ontwikkeling te mogen groeien.

Een valkuil bij het schrijven en uitvoeren van plannen is dat we zo’n groot hart hebben voor kinderen en jongeren dat we gaan ‘verzorgen’ in plaats van ‘ondersteunen’. Vraag kind en ouders verantwoordelijkheid te nemen voor wat ze wél kunnen, niet voor wat ze nog níet kunnen. Zo ontstaat aangeleerde hulpeloosheid bij cliënten en houden we als professionals ons werk in stand door ons zorgsyndroom.

Natuurlijk moeten we helpen waar dat nodig is, maar we moeten ervoor waken handelingen en taken over te nemen die het kind, eventueel samen met ouders, zelf kan. Ook al doen ze het op een manier die in onze ogen niet de meest voor de hand liggende is. Dat vereist een getraind oog. Ondersteunen betekent hierbij samen zoeken naar oplossingen, met de talenten en kwaliteiten van het kind en zijn ouders als uitgangspunt. Vraag hen niet verantwoordelijkheid te nemen voor wat ze nog níet kunnen, maar voor wat ze wél kunnen.

Hoe ik leer

Dus nee, ik leer niet top-down, maar ik zie wel snel verbanden, details en het grotere geheel. Ik leer autonoom heel veel, in mijn Zone van Actuele Ontwikkeling, maar ik leer nog veel meer in mijn Zone van Naaste Ontwikkeling, door gelijkwaardige interactie, waarbij ik als leerling de regie heb. Dit is waarom ik graag peercontact zoek en dat voor vele andere hoogbegaafden van groot belang is: leren doe je samen.

Van Doorn E, Van Loo F, 2013. Basisboek Mediërend leren. Uitgeverij Boom, Amsterdam, Nederland.
Feuerstein R, Rand Y, Rynders RE, 1993. Laat me niet zoals ik ben. Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, Nederland.
Klein P, 2016. Early intervention. Routledge, Taylor & Francis Group, UK. First version published in 1996.
Meichenbaum D, 1977. Cognitive-behavior modification, an integrative approach. Springer, New York, USA.
Tzuriel D, 2001. Dynamic assessment of young children. Springer, New York, USA.
Vygotsky LS, 2012. Thought and language. The MIT press, Massachusetts, USA. First Russian version published in 1934. First translation published in 1962.

Hoogbegaafd! Cognitieve & Executieve functies

 Lid worden


© Laura via >>Ik wil de hele wereld kleuren<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Omni-interesse

By | juni 7th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Het zijn enkele van de meest voorkomende vragen bij informele introducties. Wat zijn je hobby’s? Wat vind je leuk om te doen? Waar ligt jouw interesse? De meeste mensen hebben hier simpele concrete antwoorden op, ze hebben één of een paar hobby’s die ze vasthouden gedurende hun hele leven. Soms ontdekken ze iets nieuws, maar ze keren altijd terug naar hun oude vertrouwde hobby. Dat is nou eenmaal ‘hun ding’.

Ik heb echter nooit een goed antwoord op die vragen kunnen geven. Mijn interesse ligt overal waar ik het kwijt kan. Omdat ik, dankzij mijn hoogbegaafdheid, vrijwel alle onderwerpen goed kan volgen, zelfs als het technisch wordt, wil ik me gerust verdiepen in bijna ieder onderwerp dat ik tegenkom. Het mezelf uitdagen met nieuwe, vreemde materie geeft mij voldoening – en die materie, dat kan van alles zijn. Deze “omni-interesse” heeft mijn keuzes voor studieprofielen ook beïnvloed. Waar anderen kozen voor vakken die ze leuk, interessant of makkelijk vonden, koos ik altijd voor de vakken waar ik het minst van wist – daar viel het meest te leren.

Mijn hobby’s lijken ook nooit echt lang te blijven hangen. In de afgelopen tien jaar heb ik van tekenen tot paardrijden, van fotografie tot videogames en van geschiedenis tot geografie gedwaald. Alles vond ik helemaal geweldig, tot ik op een punt kwam waarop het als een verplichting aan begon te voelen of dat de lol er simpelweg af is – meestal na pak ‘m beet anderhalf jaar – waarna ik weer op zoek ga naar iets nieuws. Soms kom ik enkele jaren later wel weer terug op een oude hobby, maar deze gaat er dan met hetzelfde tempo ook gewoon weer uit. Ik kan blijkbaar gewoon geen hobby’s vasthouden.

Ik vraag me af of dit gevolgen gaat hebben voor mijn toekomstige carrièrekansen. Als ik interesse voor een hobby niet langer dan twee jaar vast kan houden, kan ik dat dan wel met een baan? Of word ik gedoemd tot een pijnlijke keuze tussen constant baan-hoppen of onplezierig werk? Kan ik het me wel veroorloven om me te specialiseren, of is dat een verspilling van mijn tijd – en van mijn collegegeld, wat dat betreft?

De oorzaak van dit gebrek aan commitment ligt volgens mij bij diezelfde omni-interesse. Alles is interessant, dus een nieuw onderwerp, een nieuwe potentiële hobby om mezelf op los te laten, is ook heel interessant. Mijn huidige hobby, die heb ik al een poosje, die ken ik nou wel. Mijn drive om continu te blijven leren drijft mij steeds weg uit mijn comfortzone van vrijetijdsbesteding, en pusht me naar iets nieuws. Dit is alleen maar positief voor mijn mentale verrijking en ontwikkeling, maar het maakt het beantwoorden van die ogenschijnlijk simpele vragen niet makkelijk. “Waar ligt jouw interesse?” “Uhh, ja, waar niet?”

Hoogbegaafd! Zeer hoogbegaafde volwassenen

 Intake


© Erik van Beesten | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Volgens mij heb ik geen kwaliteiten”

By | juni 5th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Cliënt: “Nou, volgens mij heb ik helemaal geen kwaliteiten.”

Ik: “Jij denkt geen kwaliteiten te hebben? Als in: nul, compleet afwezig?”

Cliënt: “Ja, ik kán wel dingen, het is niet dat ik denk dat ik niets kan, alleen om dat nou kwaliteiten te noemen…dat…voelt…onterecht ofzo.”

Ik: “Onterecht…vertel?”

Cliënt: “De dingen die ik van nature goed kan, daar heb ik niets voor gedaan, die zijn er. Het voelt overdreven, gekunsteld, om die in populaire managementtaal tot kwaliteiten te bombarderen. Bovendien brengt de term zowel een intern als een extern onderscheid aan en dat strookt niet met het principe van gelijkwaardigheid. Ik vind het belangrijk om mensen, dingen, de wereld, holistisch en includerend te benaderen, met acceptatie voor alles wat we reduceren tot ‘mooi’ of ‘lelijk’.”

Ik: “Wat een gelaagd betoog. Oké, je noemt een aantal punten. Je ervaart in ieder geval weerstand om dat wat voor jou vanzelfsprekend is, een natuurlijk gegeven, om dat vanuit commercieel oogpunt positiever te kwalificeren.”

Cliënt: “Ja, dat lijkt me waanzin.”

Ik: “Waanzin…en wat is daarop tegen?”

Cliënt: “…?”

Ik: “Oké, je zei ook dat de term ‘kwaliteiten’ -of het denken in dergelijke termen, zo begrijp ik je- een intern en extern onderscheid aanbrengt. Hoe bedoel je dat?”

Cliënt: “Extern brengt het een onderscheid aan in relatie tot andere mensen. Door te zeggen dat ik de kwaliteit, ik noem maar wat, analytisch vermogen heb, luid ik per definitie een situatie in waarin de ander zich daaraan gaat afmeten, zoals we dat allemaal doen, ons vergelijken met anderen. ‘Heb ik dat analytische vermogen ook; en is dat dan minder, meer of hetzelfde? Ben ik dan wel goed genoeg, net zo goed, beter?’ enzovoort.”

Ik: “Ben je je bewust van de aannames die in deze gedachtegang zitten? ‘De ander gaat zich afmeten, we doen dat allemaal’. Ik hoor er ook in dat je dat een ongewenste situatie vindt.”

Cliënt: “Ja, dat klopt, er is al genoeg competitie, afwijzing en uitsluiting in de wereld. En dat iedereen zich aan elkaar afmeet, dat is een feit, dat is de realiteit.”

Ik: “Van wie?”

Cliënt: “Wat bedoel je?”

Ik: “Wiens realiteit is dat? En neem de tijd om je antwoord te overwegen. Dat snelheid een kwaliteit -oeps- van je is, dat is overduidelijk, dus waak ervoor dat je snelle denken je niet in een tunnelvisie brengt. Wiens realiteit beschreef je net?”

Cliënt: “…ja oké, dat kan alleen maar die van mijzelf zijn…maar ik zie wel veel dezelfde dynamiek om mij heen en die herken ik ook in de politieke en sociale problemen in veel andere landen.”

Ik: “Dat je scherp bent in je waarnemingen, dat je sensitief bent ver buiten je directe leefwereld, en empathisch richting anderen, daar wil ik niets aan afdoen.”

Cliënt: “Oké.”

Ik: “Terug naar jouw realiteit, of jouw beleving ervan. Vertel eens meer over de associaties die je hebt bij de vergelijkingssituaties die je net beschreef, wat zijn je ervaringen daarmee?”

Cliënt: “Nou, ik werk als ziekenhuisverpleegkundige op de SEH (Spoedeisende Hulp, red.) en in het ziekenhuis is de samenwerking van diverse specialisaties van groot belang. Tussen die professies zijn de cultuurverschillen echter enorm. In alle hogere lagen -de specialisten, internisten, chirurgen- is competitie op basis van competenties zeer geaccepteerd. Elkaar aftroeven, willen winnen, de beste zijn, enzovoort. Tussen verpleegkundigen onderling is dat echter not done. Harmonie, gezamenlijkheid, saamhorigheid, het teamgevoel, dat heeft allemaal voorrang. Waag het niet om af te wijken…”

Ik: “Je rolt met je ogen…”

Cliënt: “Pffff ja, het benauwt me.”

Ik: “Vertel eens wat je hebt meegemaakt met je directe collega’s.”

Cliënt: “Zodra iemand z’n nek uitsteekt, met een nieuw idee komt, voel je de spanning in de groep toenemen. Er wordt iets van gevonden, je hoort ze gewoon denken ‘oh kijk haar nou, doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg’. Dat wordt overigens ook letterlijk gezegd, achter je rug om of tussen neus en lippen door. Niet alleen bij mij, ook bij andere collega’s. Ik wil me daar niets van aantrekken, ik blijf wel met mijn ideeën komen, ik blijf betrokken en initiatieven nemen, maar ik betaal er een sociale prijs voor. En dat is zwaar.”

Ik: “Zo, een complexe situatie, zo begrijp ik je, waarin elke keuze niet geheel bevredigt. Je hebt het vermogen om een opvallende positie in te nemen in de groep, alleen je positie wordt nog niet geaccepteerd.”

Cliënt: “Klopt, er is altijd wel een controlerende reactie, soms in een quasi positief jasje, iets van ‘haha, onze Sheldon heeft weer een briljante ingeving’, maar ook dat voelt niet goed…een stereotypering waarin ik niet als Amber, maar hoogstens als een persiflage, een TV-nerd, boven het maaiveld mag uitsteken.”

Ik: “Een intens krachtenveld…dat roept vast een mengeling aan gevoelens op…?”

Cliënt: “Ja, het is sowieso bloedfrustrerend. En het maakt me onzeker, over mezelf, ik weet me geen houding te geven en dan baal ik weer van mezelf dat ik zo stoïcijns of juist verlegen reageer. En ik moet ook toegeven dat ik mijn collega’s veroordeel om hun blijkbaar lage standaarden. Hmmmm…dat klinkt heel naar.”

Ik: “Ah, dit is een pittige gewetensstrijd zo zie ik aan je… Laten we de verwarring die je ervaart, de soep van gedachten en emoties, eens ontleden. Je begon met te zeggen dat jij geen kwaliteiten hebt, en daarna, genuanceerder, dat je wel kwaliteiten hebt, maar frictie ervaart in de erkenning ervan, zowel door anderen als door jouzelf. Herken je dat?”

Cliënt: “Ja, die erkenning, dat klopt, maar ook door mijzelf?”

Ik: “Zit daar niet de pijn? Vanwaar raakt andermans erkenning of gebrek daaraan jou dusdanig dat we het er hier vandaag over hebben? Ah, dit raakt je…”

Cliënt: “…(*huilt en veegt verwoed de tranen weg die blijven komen*)…sorry hoor, ja waar het om gaat, is da…”

Ik: “Misschien even niet praten nu…?”

Cliënt: “…(*slikt en slikt en slikt*)…”

Ik: “…”

Cliënt: “…het zat eraan te komen…”

Ik: “Vind je het fijn als ik je interne bewegingen en de mogelijke perspectieven wat nader probeer te duiden zodat je je eraan kunt spiegelen, terwijl je ondertussen je verdriet een beetje meer de ruimte geeft dan je gewend bent om te doen?”

Cliënt: “Ja, dat is goed…anders is het zo stil.”

Ik: “Oké. Je verdriet vraagt nu om jouw aandacht, jouw erkenning. Je werkomgeving brengt dat verdriet aan het licht, in samenhang met de frustratie en onzekerheid zoals je die zelf al benoemde. Om aan je behoefte van erkenning tegemoet te komen, kun je dit moment gebruiken om jezelf die erkenning te geven. Onderschat die waarde niet. Het verdriet brengt je in een intiemer contact met jezelf, het maakt je stiller en in die stilte is nu pijn voelbaar. Dat is niet per se een prettige ervaring, maar wel nodig of in ieder geval wenselijk in je ontwikkeling.
Je weerstand tegen -het woord- kwaliteiten begrijp ik vanuit dit intiemere perspectief als een behoefte aan liefde, aan rust, aan zorg, aan ontspanning. Een emotionele, menselijke behoefte om geliefd te worden, geaccepteerd om wie je bent inclusief al je capaciteiten, normaliteiten en abnormaalheden. In wat je eerder zei, hoor ik ook je wens om die liefde en acceptatie te kunnen betonen aan andere wezens. Tegelijkertijd ervaar je de behoefte om jouw potentie te mogen uitleven, te mogen excelleren zonder daarop afgerekend, afgewezen, te worden. Je wilt verbinding kunnen ervaren met anderen, zonder de verbinding met jezelf te verliezen. Je wilt autonoom zijn, zonder sociaal te worden uitgesloten. Klinkt dit enigszins waarachtig voor jou?”

Cliënt: “Ja, ik zou mezelf willen zijn, zonder angst en onzekerheid.”

Ik: “En de schijnbare paradox is dat die ontwikkelingswens nu vraagt dat je jezelf accepteert inclusief angst en onzekerheid. Dit gaan we nog nader bevragen en onderzoeken. Bijvoorbeeld vanuit het perspectief van je persoonlijke historie: je gezin van herkomst en hoe jij daarin met jouw sensitieve interne constitutie bent geprogrammeerd, waarmee ik niet wil zeggen gedetermineerd. In samenhang daarmee gaan we kijken naar je gedachten en emoties, je afweermechanismen, je communicatie, de ‘fit’ tussen jou en je werkomgeving, misschien goed om ook naar faalangst en zingeving te kijken, en naar je identificatie met gedachten en emoties. Het thema gelijkheid en gelijkwaardigheid is ook nog een dingetje denk ik…”

Cliënt: “Een dingetje, ja haha… Bedankt, ik vond dit heel fijn, het is niet alleen mentaal, het is breder, het verliep heel natuurlijk.”

Ik: “Bedankt voor je super kwalitatieve inbreng…!”

Kwaliteiten

Deze conversatie is gebaseerd op de vragen, ontwikkelingswensen en feedback van diverse cliënten.

Hoogbegaafd! Werk & Ondernemen

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Laït: de remedie tegen het verleden

By | juni 2nd, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Ik schrijf dit om jullie te laten weten dat we niet in het verleden hoeven te blijven rondhangen. We hoeven niet te zeggen dat we het verleden zijn, want dat is een leugen. We zijn alleen ons verleden uit het perspectief van de observator die houdt van logica, denkbeelden en controle. Dit is dezelfde observator die het verleden gebruikt om het leven te veroordelen. Maar zouden we werkelijk in staat zijn iets te veroordelen, dus iets goed- of af te keuren, wanneer we geen verleden c.q. herinnering zouden hebben? We zouden niet eens kunnen denken, nietwaar? Als we de condities waarin we zijn opgegroeid doorgronden, zien we dat de observator is geconditioneerd en op die manier zal het nieuwe altijd het oude zijn. Dit wijst uit dat er geen verschil is tussen de observator en het geobserveerde. De observator is een, op basis van het verleden, gevormde identiteit.

Wat ben ik dan wel? Wat blijft er nog over als de observator en het geobserveerde hetzelfde zijn? Heb je jezelf nooit afgevraagd waar het bewustzijn vandaan komt die de illusie van de observator en het geobserveerde doorziet? Dit is een teken dat dit bewustzijn onafhankelijk van de observator functioneert. En dat is wat ik ben: bewustzijn. Ik noem dit bewustzijn “Laït”, wat betekent “licht kent geen leven en dood”. Laït is niet dualistisch, ze is holistisch. Ze kent geen tijd, ze heeft geen begin en geen einde, ze kent geen ruimte, ze kent geen angst en ze oordeelt niet. Ze is een krachtig, liefdevol bewustzijn – dat autonoom van materie opereert – waar alle dimensies zijn gereduceerd tot niets. Ook ik maakte keuzes met het intellect van de wantrouwige, angstige observator. Maar deze observator is slechts een boek in een eindeloze bibliotheek. De observator kan met zijn logica begrippen zoals eindeloosheid en de dood niet begrijpen. Slechts enkel wanneer je Laït ervaart begrijp je dit werkelijk, want dan ben je bewustzijn. En deze geestesgesteldheid ervaar je vanzelf wanneer je wegblijft bij de observator, want Laït is onze natuurlijke staat. Deze staat heeft geen oorzaak zoals angst dat heeft.

Begrijp dat ik ook constant groei en dat waarschijnlijk ieder mens periodes in zijn/haar leven doorgaat en het keuzes maakt als observator zijnde en daarbij Laït negeert, maar hier heb ik van geleerd en inmiddels begrijp ik nog beter dan eerst dat ik aandacht moet hebben voor Laït, wil ik voorkomen dat ik weer de intellectuele observator wordt met al zijn wantrouwen, boosheid en veroordeling. Het enige waarvoor ik mijn intellect nodig heb is om hetgeen Laït me vertelt in de praktijk te kunnen brengen. Verstandelijk begrijp ik dat al jaren, maar ik durfde het niet met gevoel in de praktijk te brengen. Ik durfde niet kwetsbaar te zijn. En het is mogelijk dat ik in de toekomst weer door een periode ga waar de balans tussen Laït en mijn intellect scheef groeit. Laat me maar op mijn bek gaan, dat is onderdeel van het leven. Schiet hierdoor niet in paniek, zelfs niet als het mijn dood lijkt te worden, want nogmaals: Laït kent geen leven of dood. Paniek komt nagenoeg altijd voort uit onbegrip; een gebrek aan Laït. Enkel vanuit het perspectief van de observator, dat kleine boekje in die eindeloze bibliotheek, bestaat er verschil tussen leven en dood. Zoek geen logica hiervoor, want dan zul je de observator zijn. Geef mij de ruimte om te groeien en ik zal er hoe dan ook van leren. Soms zal dat pijn doen, maar Laït zal me niet verlaten. Wanneer ik ooit weer in een situatie kom dat het lijkt alsof ik de connectie met Laït ben verloren, begrijp dan dat ik te intellectueel in het leven sta en dat ik een illusie waarneem. Maar besef ook, dat op het moment je dan in paniek schiet, dat je eveneens dezelfde illusie waarneemt. Dan ben je onderdeel van mijn probleem.

Hoogbegaafd! Zeer hoogbegaafde volwassenen

 Intake


© Niek Verhage | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Een waarneming

By | mei 30th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

De planten en bomen aaiden door de wind. De nog opgekrulde varens en opgeschoten grassen vormden een onwaarschijnlijk gezelschap.

Ik pulkte aan de basten van de voorovergebogen bomen, in hun groei belemmerd door het ontkiemen op deze toevallige plek. De afgrond daarachter was, hoe ik ook drentelde en dartelde, sjokte en slenterde, niet aan mij besteed.

Mijn haren droogden in de wind uit het dal zoals de grassen en granen om me heen, maar krulden en roken naar de shampoo uit het hotel van lang geleden.

Spinnenwebben waren nog vochtig, met druppels zwaarder dan de leden van het weversgilde. De kruiden met stekelbladeren vormden een uitstekend uitgangspunt. Mijn zijden jurk waaide op in de wind terwijl mijn benen de compositie doorbraken.

De anderen, nu pas opmerkzaam, probeerden mijn achtergebleven moment te beëindigen. Met de wind hoorde ik mijn naam, als uit een andere ruimtetijd. In het veld in de verte zat een door zonnebrillen verblinde menigte, in elkaar overlopend als de groeven en scheuren in de aarde van het pad.

Alleen het gekrakeel van insecten verried mijn aanwezigheid. Als een schaduw sloop ik door de kronkels van het pad terwijl ik alle voetsporen ontweek.

Verzonken in mijn Wonderland wist ik al lang niet meer wat gangbaar was, of ik had het me nooit gerealiseerd.

Hoogbegaafd! Zeer hoogbegaafde volwassenen

 Intake


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Ik ga er een einde aan maken”

By | mei 29th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Zelfmoordneigingen

Misschien ben je bekend met de dialogen die ik schrijf, die in vrij directe zin zijn gebaseerd op mijn cliëntenpraktijk. Dit is een ander koekje van eigen deeg.

Hieronder tref je een fantasievolle dialoog tussen een persoon met suïcidale neigingen – zich gepassioneerd, haast psychotisch uitend, hoewel geenszins onnavolgbaar – en een omstander met een hulpverlenende professie.

Ik heb getracht de dialoog zorgvuldig, origineel en compassievol vorm te geven. Deze moet worden gelezen als onderdeel van een proces dat niet in 1200 woorden is te vangen, maar waarin – zo hoop en meen ik – wel de essenties zijn vervat.

De tekst is zowel een blijk van respect aan allen in de GGZ en haar wijde omtrek als een ode aan het associatieve, creatieve brein. Diverse bronnen hebben mij tot dit blog geïnspireerd: ze staan onderaan vermeld.

Ik wens je veel lees-realisaties en ontvang graag je reactie!

Disclaimer: onderstaande tekst bevat scheldwoorden.

Regie: Int. en ext. overal en nergens – ruimte gevuld met mensen – dag en nacht.

“Ik ga er een einde aan maken. Een einde aan dit plantáárdig bestaan.”

“Oké. Nu?”

“Nee, natuurlijk niet nu, er dienen voorbereidingen te worden getroffen.”

“Wauw. Ehm. Oké. Dan maak ik nog even gebruik van de tijd dat je er nog bent om me aan je voor te stellen. Ik ga jou en dit moment nooit vergeten. Dat weet ik zeker. Wil je wat drinken?”

“…wat drinken, is dit een truc ofzo?
Ben jij net als iedereen aan het proberen mij op andere gedachten te brengen, mij je empathie boehoehoe te tonen, omgekeerde psychologie toe te passen, met jullie stinkende trucjes en walgelijke manieren die mij alleen maar uitstel van executie geven?? Slaap kindje, slaap. Nadat jullie je handen weer quasi schoon hebben geveegd in rozenwater waar alleen het water een origineel ingrediënt van vormt, trekken jullie glibberend en glijdend van die klote pantoffels aan, die jeukende dingen, ik kan ze niet verdragen, terwijl jullie genieten, wat een kutwoord, genieeeeeten, van het zachte materiaal en denken dat jullie dat verdiend hebben nadat jullie je weer belangeloos, oh nee pay check, hebben ingezet voor de zieke wereld die jullie zogenaamd beter kunnen maken, ondertussen vergetend hoeveel konijnen er zijn fijngehakt om aan de beschimmelde voetjes te kunnen pronken. Oh, het is synthetisch materiaal? Nog erger, godverdomme, sinds wanneer is iets wat niet-natuurlijk is beter dan Het Ori-gi-neel, voor zover dat dan weer bestaat. Synthetisch, en wie hebben dat materiaal gemaakt, denk je? Made in Bangladesh, hoe exotisch, wat is iedereen toch internationaal georiënteerd, terwijl ze hun ogen sluiten voor de MENSEN, hun MEDEMENSEN, die hun ziel verknauwen in groezelige fabrieken, waar ze gedewaardeerd worden tot zombies, verworden tot inwisselbaar afval, inwisselbaar maar niet recycleba…”

“Zo… Intense beelden schets je daar. Maar nee, het is geen truc, ik kom hier binnen, je verrast me geweldig met je uitspraak, ik bevind me tussen perplexiteit en acceptatie. Ik wil wat te drinken inschenken voor mezelf en ik bied het jou ook aan, omdat je nu eenmaal hier bent en nog leeft.”

“En daarna? Je geeft me wat te drinken en dan knoop je casual een praatje aan?
Alsof er ook maar iets van dit leven in de verste verten tot in de kotsende oneindigheid casual genoemd kan worden. Alsof mijn leven een casualty is. Wat het feitelijk ook is, wat is een leven met de wetenschap dat je DOOD gaat? ‘Vergankelijkheid is een inherente eigenschap van het leven’, oh prachtig, draag mij maar weg. Is dat leven?? Wie bedenkt dat godverdomme?? Wie haalt het in zijn harses om mij daaraan te onderwerpen? WAAROM ben ik hier?? WIE waren er toen ze er moesten zijn? En WIE heeft hen weggejaagd en was het niet waard om hen bij zich te houden? En denk jij dat ik me dan weer laat misbruiken om een aangeleerde interventie op los te laten? Alsof ik een versteend laboratorium ben, zonder enige uitweg, maar met alle ingangen open, voor iedereen toegankelijk, publiek en generiek, ja hoor, kom maar binnen, en ga weer weg zodra het je goeddunkt, en laat mij dan vooral onbezorgd, onbevlekt, bevlekt, achter in deze kerker die zich leven noemt!!!”

“Nee, ik wilde je niet verleiden tot een praatje om mijn kunde op bot te vieren, mocht dat in de buurt komen van wat je bedoelt. Nadat ik je het drinken had gegeven, zou ik zijn gaan zitten op een van de vrije stoelen. Daarna zou ik mijn hart voelen scheuren, krimpen, verpulveren, nu ik weet hoe verschrikkelijk ellendig jij je voelt. Ik zou mijn gedachten over elkaar heen zien worstelen, vergezeld van een hijgend gevoel, de mogelijke interventies overwegende, beseffende dat ik dat aan het doen ben, daarin enige waarachtigheid en ordening proberen aan te brengen. Die pijn van dat alles dan zelf verdragen, want jij hebt me niets gevraagd.”

“…….. Vraaaaaaaaaaagen, wat is er nog te vragen? Bestaan vragen niet bij de gratie van hun antwoorden en zijn niet alle antwoorden reeds lang zal ze leven gegeven, zonder ook maar enig pietepeuterig teringklein strottenhoofdje aan genezing te offeren!?”

“Je hoort erbij. We willen jou erbij hebben. Het spijt me dat we je dat tot nu toe niet getoond hebben, althans niet op een manier die voor jou herkenbaar was. Je verdient het om er te zijn. Je verdient zorg om te kunnen genezen. Je bént niet voorgoed ziek, je ervaart de intense, trieste gevolgen van een onmenselijk gebrek aan aansluiting met je omgeving. Ik vind het fijn dat je er bent en het doet me verdriet om jou zo in nood te zien. Ik weet niet of het professioneel is om dat te zeggen, maar dat vind ik nu niet belangrijk, want jij lijkt te hunkeren naar oprechte aandacht. Is er iets wat ik voor je kan doen, of wat we voor je kunnen doen?”

“Jullie hebben mij niet nodig!!!”

“Jawel! Je hebt invloed op ons. Ik kan alleen vanuit mijzelf spreken, dus ja alleen al in dit moment ben ik mede afhankelijk van jou, van wat je doet, van wat je zegt, van hoe je op me reageert, hoe je me toelaat en hoe je me benadert. Samen ben ik niets zonder jou.”

“Waarom…?! Waarom ben ik zo, waarom is mijn leven zo, zo zo walgelijk, zo kapot?”

“Misschien leeft het nog, is het niet kapot…?”

“Ik! Ben! Kapot! En ik ga kapot!”

“Wat verscheurend om te horen… Voel je misschien zoveel dat je niet meer kunt voelen? Is dat misschien waarom die gedachten aan zelfmoord er zijn? Voel je je beschadigd…gekwetst?”

“Als je de lijn nu verbreekt, is het gedaan met me, dan val ik in flinters uiteen.”

“Ik ga nergens heen. Je zei dat je ér een einde aan wilt maken. Waar wil je een einde aan maken?”

“Aan…dít.” (*krimpt ineen, kijkt naar het eigen lichaam en wijst daar met tien gekromde, gespannen vingers naar*)

“Wil je vertellen wat er in je omgaat?”

“…ik weet het niet…ik weet niet of dat goed is…ik weet niet meer wat goed is…”

“…”

“Het is zo moeilijk, ik kan niks, ik weet niks, ik ben niks, ik doe niks goed, het is als leven in een geluidsdichte ruimte. Een box. Van glas. Ik zie iedereen en zij zien mij, maar ik kan hen niet bereiken en zij staren me aan.”

“Hm-mm. En dan?”

“Dan word ik gek.”

“Nou, dan bén je het in ieder geval niet. Hoe zou je omschrijven hoe je je voelt in die box?”

“Klein. Tot last. Onkundig.”

“Hmm, dat lijkt me een ontzettend naar, intens gevoel. Heb je zelf ideeën over wat je zou helpen?”

“Liever niet raar gevonden worden.”

“Oké, dat snap ik. Is er misschien iets wat je prettig vindt nu?”

“Rust.”

Regie: Gordijnen open – lichten aan – geluidloos applaus.

Inspiratiebronnen:
De cliënten die ik mag begeleiden via mijn praktijk Begeleiding in bewustwording. Zij zijn de levende voorbeelden van intense veelzijdigheid: creatief-abstract denkend, diep voelend, het leven bevragend, zelf-onderzoekend, pijn-bestrijdend, moedig en bereid, sensitief en wederkerig in de relatie, ontluikend in hun innerlijke gronding.
Het script van het toneelstuk ‘Psychosis 4.48’ -geschreven door de Britse Sarah Kane die zelfmoord pleegde op haar 28e– geeft een totaalbeleving van de psychose van binnenuit door tekst en regie-aanwijzingen te laten samenvallen.
Mijn bezoek aan de Publieksdag Depressie op zaterdag 20 mei 2017. Ik bemerkte een focus op Cognitieve Gedragstherapie als behandelmethode, die mijns inziens slechts een onderdeel is van de benodigde integrale benadering van kop- en hartzorgen.
De hartstochtelijke, vertwijfelde oproep in de Volkskrant van de moeder van een klasgenoot van tiener Marije die zelfmoord pleegde op haar 16e.
Dit artikel over zelfmoordgedachten bij leerlingen, mij aangedragen door SMARTonderwijs (waarvoor dank!).
Mijn onderzoek en ervaring als (trainings)actrice, waarover je hier meer kunt lezen.

Nu hulp nodig? Klik op deze tekst.

Hoogbegaafd! Rouw & Traumaverwerking

 Intake

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Wat is ook alweer de zin van zelfobservatie?”

By | mei 22nd, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Ik: “Hoe is het je vergaan sinds de vorige sessie?”

Cliënt: “Ja, goed, ik heb elke dag een aantal keer een moment voor mezelf genomen. Even rustig gezeten, geobserveerd hoe het met me ging en dat is fijn, geeft rust. En terwijl ik bezig was, vroeg ik me af waarom ik het ook alweer deed, dat observeren.”

Ik: “Nou, allereerst fijn dat je het al direct zo hebt kunnen integreren in je dagen, en je er rust bij ervaart. En toen merkte je, tijdens het observeren, dat er een vraag in je opkwam, ‘waarom doe ik dit ook alweer?’ Je vraag begrijp ik als: ‘wat is de zin van zelfobservatie?’, is dat ‘m?”

Cliënt: “Ja.”

Ik: “Ik noteer je vraag op de flipover en dan mag je ‘m zo zelf beantwoorden. Eerst iets over de vorm: dat zo’n gedachte bij je opkomt tijdens meditatie is volstrekt natuurlijk. Wees er alert op dat je ook dergelijke vragen vervolgens blijft betrekken in je meditatie. Is dat relatieve onderscheid tussen vorm en inhoud helder?”

Cliënt: “Ja, ik snap het, blijven toekijken, ook naar de gedachten die over de meditatie zelf gaan, en er eventueel later inhoudelijk op reflecteren.”

Ik: “Precies. Gedachten kunnen een hoog abstractieniveau aannemen en als ze ontstaan in meditatie zijn ze vaak rijk en origineel. Als ze zich voordoen in meditatie, welk verschil subtiel voelbaar is, blijf dan aandachtig kijken. En met kijken doel ik op kijken met je hele wezen; voelend, ervarend, toetsend, onderzoekend. Gedachtevormen kunnen tricky zijn, ze doen zich verleidelijk voor als inhoudelijk waar, rationeel en weldenkend, terwijl ze in essentie uitingen van emoties, weerstand, onzekerheid kúnnen zijn. En dan verdienen die jouw ruimte, aandacht en begrip. Kortom, als je merkt dat je afgeleid raakt door de inhoud, breng je aandacht dan weer zachtjes terug naar het proces, het observeren.”

Cliënt: “Oké, daar ga ik mee oefenen.”

Ik: “Dan, je vraag. In een vorige sessie bespraken we de relatie met je vrouw, van wie je veel houdt en aan wie je je zo graag meer zou willen geven. Je vertelde dat jullie regelmatig in kleine woordenwisselingen terechtkomen, die vaak als startpunt hebben dat jij ongeduldig of geïrriteerd reageert op haar vragen. We hebben een aantal van die conversaties uitgeschreven om te zien wat er gebeurt, wat er wel en niet wordt uitgesproken, en welke emoties, waarden en behoeften erdoorheen te beluisteren zijn. Laten we zo’n dichtbije, alledaagse situatie als referentie nemen. Stel dat je vlak voor je interactie met haar aan het zelf-observeren was geweest, wat zou dat hebben kunnen opleveren?”

Cliënt: “Hmm (*glinsterogen*), ik zou al meer rust hebben gevoeld en niet zo haastig aan de keukentafel zijn gaan zitten.”

Ik: “Dat klinkt ontspannen. En stel dat je bij aanvang van het gesprek aan zelfobservatie had gedaan?”

Cliënt: “Dan had ik minder snel, minder geïrriteerd gereageerd en beter geluisterd.”

Ik: “Oké. En wat zou het gevolg kunnen zijn geweest van jouw minder reactieve, meer ontvangende houding?”

Cliënt: “Dan was ik niet tegen haar uitgevallen en was zij niet verdrietig geworden.”

Ik: “Ah, dat zou een mooie opbrengst zijn, zeg. Het is pijnlijk om dat nu te erkennen zie ik aan je, en je ziet er tegelijkertijd opgelucht en vastberaden uit. Stel dat je gedurende het gesprek aan zelfobservatie had gedaan of je had je gerealiseerd dat je innerlijk een stapje terug kon doen, wat dan…?”

Cliënt: “Ik had mijn gevoelens en gedachten beter kunnen herkennen, en die van haar ook. Het had me een ruimere blik gegeven op onze interacties, patronen, processen en bewegingen.”

Ik: “En wat nog meer?”

Cliënt: “Ik had kunnen bijsturen, vanuit eigenwaarde kunnen reageren. Ik had kunnen bedenken ‘waar ben ik nou mee bezig?’ Want eigenlijk ben ik best warm en liefdevol, maar ik durf het niet te geven.”

Ik: “En als je dat ter plekke onder ogen had gezien, wat dan?”

Cliënt: “Dan had ik daar misschien iets over kunnen zeggen. Het had me mogelijkheden en keuzeruimte gegeven. Ik had me kunnen uiten, waar ik nu vaak dichtklap en mokkend wegloop.”

Ik: “Elk moment leent zich voor zelfobservatie, of voor het starten ermee. In dat ene moment breng je jullie relatie lichtjaren verder. We doen dit terugkijken overigens niet om schuld of spijt in jou te activeren. Je hebt tot nu toe geen blijk gegeven van een sterke neiging tot schuldgevoelens, maar ik pols wel even bij je wat deze reflecties met je doen?”

Cliënt: “Nou, van schuldgevoelens heb ik niet zo’n last, maar schaamte voel ik wel. Het is ook dat ik er stil van word en al die interacties voor me zie, mezelf daarin zie doen en laten, en ik nu een rust voel die mijn gesprekken zou vergemakkelijken.”

Ik: “Veranker je in die rust en blijf ook nu toekijken. Dan, je woorden van hiervoor samenvattend: je geeft aan dat je vanuit meer zelfkennis de communicatie oprechter had kunnen voeren. Er is nog een woord dat bij me opkomt, een thema dat we eerder bespraken, over afstand en nabijheid tot jezelf en tot anderen, weet je waar ik op doel?”

Cliënt: “Intimiteit.”

Ik: “Juist. Wat had intimiteit hier betekend?”

Cliënt: “Ik had meer contact kunnen houden met de liefde in mijzelf. Ik had haar meer liefde kunnen tonen en mijn liefde voor haar kunnen honoreren zoals ik dat zo graag wil.

Zelfobservatie voor bewustzijn

Bovenstaande conversatie is gebaseerd op de specifieke vraag van een cliënt die zijn afweermechanismen wil ontmantelen om zodoende de warme, liefdevolle man te kunnen zijn die hij van binnen voelt.

In dit artikel wordt zelfobservatie verkend als methode en levenshouding om bewustzijn als continu proces te realiseren. Vanzelfsprekend is geen enkele methode op zich zaligmakend. Het is van belang om elke vraag en methode geïntegreerd in te zetten en af te stemmen op de staat van de persoon.

Hoogbegaafd! Liefde & Relaties

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Insteken of af laten glijden? De draad kwijt

By | mei 21st, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Steeds vaker zie ik de wens van mensen om ‘iets te betekenen voor de maatschappij’.  Mensen die heel bewust kiezen voor een bepaalde organisatie, een specifieke functie. Een deel van die mensen raakt daarin alleen hun draad kwijt. Ze worden opgeslokt in de structuur van een organisatie, raken verstrikt in systemen. En vragen zich vervolgens af wat hun bedoeling ook alweer was. Wouter Hart schrijft hier mooie dingen over in zijn boek  “Verdraaide organisaties”.

Vooral hoogbegaafden zie ik in die situaties worstelen. Blijf ik insteken op deze organisatie, deze functie? Of laat ik het van me afglijden en kies ik een eigen pad? Juist als je ín een organisatie zit, kun je zaken van binnenuit veranderen. Maar ja, hoe doe je dat? Waar begin je? Heb je voldoende in huis om stappen te zetten?

Om die vragen te kunnen beantwoorden vind ik het inmiddels heel interessant om te kijken naar KernTalenten. KernTalenten geven je aard, je potientieel én je intrinsieke motivatie weer. Als je inzicht hebt in waar jij van nature energie van krijgt, en vooral ook welke omstandigheden jou energie kosten, dan kun je de eerder gestelde vraag beantwoorden: insteken of af laten glijden?

KernTalenten gaan veel verder dan waar we met de huidige HR instrumenten vooral naar kijken: talenten, competenties, vaardigheden. Deze insteek is op zich interessant maar altijd gebaseerd op de huidige situatie. Juist hoogbegaafden zijn soms goed geworden in zaken waar ze van nature eigenlijk geen energie van krijgen. En dan raak je de draad kwijt: hoe kan dat nou? Ik ben er goed in en toch krijg ik geen energie.

Pak in ieder geval de draad op van je eigen leven. Zorg dat je inzicht hebt in je eigen KernTalenten en je bedoeling. Dan weet je ook via welke weg je hier invulling aan kunt geven. Ga je insteken of af laten glijden?

Hoogbegaafd! Werk & Ondernemen

 Lid worden


© Ingeborg de Keizer via >>Eigen Meerwaarde<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Niet zomaar een beetje hoogbegaafd

By | mei 17th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Zeer hoogbegaafd zijn brengt een zijnswijze met zich mee, die zich doorgaans kenmerkt door een intens waarnemingsvermogen, een onuitputtelijke drang naar het opdoen van nieuwe kennis, het zien van patronen in een groter geheel, en het vermogen deze toe te passen in een andere context. Van hieruit is het fijn om nieuw te creëren en combineren, om boven standaard hokjes uit te stijgen.

Je spreekt als zeer hoogbegaafde een zekere taal die je vaker openlijk wil spreken. De uitwisseling met iemand die dezelfde taal spreekt, los van taalgebied, en toch iets heel anders doet in het leven is een sensationele ervaring, intens, passievol, maar uiteraard niet noodzakelijkerwijs een liefdesrelatie. De klik op basis van zijnswijze gaat dwars door absolute leeftijdsverschillen heen. Je weet elkaar aan te voelen als in een stroom. Zo kan je met zevenmijlslaarzen inhaken op het volgende punt zonder te hoeven uitleggen welk punt dat dan is.

Het is makkelijk om jezelf te vergeten als je niet in de overheersende windrichting waait. Veel zeer hoogbegaafden zijn bescheiden en laten het niet actief doorschemeren. Maar anders dan het simpelweg op IQ-scores te gooien, is er vooral een wezenlijk verschil. Alleen al in het waarnemingsvermogen en de manier waarop je de via verschillende kanalen binnengekomen informatie, gebeurtenissen en gedachten integreert in rijke associatievelden. En dat mag je best erkennen.

Niet elke hoogbegaafde is hetzelfde en met niet elke hoogbegaafde is er een klik. Maar de hoogbegaafde diversiteit alleen is al iets om te vieren.

Bij deze bestaat er een geheime groep voor zeer hoogbegaafden. Toelating gebeurt alleen na intake, op aanbevelen van iemand die al lid is, of als we al bekend zijn met jou in andere groepen. Want misschien is een oogst pas succesvol als er genoeg planten bij elkaar staan in plaats van alleen in een grote weide in de volle wind.

Hoogbegaafd! Zeer hoogbegaafde volwassenen

 Intake


© Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Ik ben een zeer kritisch persoon”

By | mei 11th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Cliënt: “Ik ben altijd al een zeer kritisch persoon geweest. Dat heb ik van huis uit meegekregen. Een goed stel hersens en het vermogen om zelfstandig na te denken. Onontbeerlijk voor een gezonde ontwikkeling. En naar mijn idee is het gebrek eraan de oorzaak van vele maatschappelijke problemen.”

Ik: “What a gift, never lose it.”

Cliënt: “Jazeker.”

Ik: “Nou, mooi.”

Cliënt: “…”

Ik: “…is er iets?”

Cliënt: “Nou, ik ben hier om gecoacht te worden, dus ik wacht op je aanpak.”

Ik: “Oeh, ik zou niet durven joh, bij zo’n kritisch persoon als jij. Ik ben bang dat ik iets verkeerds zeg, nee hoor, ik waag me er niet aan, volgens mij weet jij het zelf het best.”

Cliënt: “Hè hè…”

Ik: “Hmm?”

Cliënt: “Ja, je daagt me uit. Vind ik wel een leuke manier hoor, moet ik zeggen. Je spiegelt me in een herkenbare dynamiek. Ik krijg weinig echt nuttige feedback en mijn medewerkers lijken me niet te durven tegenspreken. De moedigste van hen heeft me dat zelfs een keer toevertrouwd. Terwijl ik wel echt open sta voor hun mening.”

Ik: “Oh ja?”

Cliënt: “Ja. Als het bijdraagt aan het functioneren van het bedrijf. Ideeën waarvan je denkt, ha daar was ik zelf niet opgekomen, of feedback die echt iets toevoegt.”

Ik: “Oké, en in alle andere gevallen?”

Cliënt: “Dan vind ik het tijdverspilling. Vermoeiend.”

Ik: “Oh, dat klinkt als een vervelende ervaring, dat je die als tijdverspilling duidt. Dat lijkt te raken aan zingeving en levenslust.”

Cliënt: “Ja…interessant dat je tijdverspilling koppelt aan levenslust en zinvol bezig zijn…”

Ik: “Vertel?”

Cliënt: “Nou, ergens vind ik het niet zo netjes van mezelf om anderen als tijdverspilling te beschouwen. Ik wil me namelijk wel met anderen kunnen verbinden. En bekeken vanuit een positiever perspectief, dat van die levenslust en zingeving, lijkt er ineens meer ruimte te zijn.”

Ik: “En in die ruimte ontstaat hoop, zo meen ik aan je te zien. Overigens is dat perspectief niet zozeer positiever als wel intiemer, natuurlijker en waarachtiger. Jouw levenslust en behoefte aan zingeving waren er zogezegd eerder dan je oordeel tijdverspilling en je ervaring van vermoeidheid.”

Cliënt: “Hmm. Dit soort waardering is nieuw voor me.”

Ik: “Een nieuwe ervaring…oké, mag ik je dan aanmoedigen om ‘m zo vol mogelijk te ondergaan? Op die waardering komen we later nog terug, misschien niet vandaag, maar uit je opmerking begrijp ik dat het een belangrijk thema voor je is. Even terug, je initiële punt samenvattend: je hecht veel waarde aan je kritische denkvermogen en tegelijkertijd merk je dat het ongewenste effecten heeft op je omgeving. En je wens is om meer, vaker, kwalitatieve inbreng te ontvangen van je mensen. Is dat in die formulering herkenbaar voor je?”

Cliënt: “Ja.”

Ik: “En wat is volgens jou de belangrijkste factor die dat nu verhindert?”

Cliënt: “Een factor van belang is dat ik vaak sneller en groter denk dan veel anderen. Een disbalans, die ik ook in mijzelf herken, ik raak uit balans in interactie met de omgeving. En inmiddels ben ik er ook achter, door allerlei cursussen en gedoe, dat ik zelf een andere invloed moet uitoefenen. Dus ik heb allerlei technieken geprobeerd: mijn mond houden, open vragen stellen, doorvragen, complimenten geven, geduld oefenen. En dat werkt wel enigszins, maar er is nog meer te halen denk ik.”

Ik: “Oké, dat klinkt gedreven en vindingrijk. En wat vind je verder van het functioneren van je personeel?”

Cliënt: “Of ze hun werk goed doen, bedoel je? Ja top, op hun uitvoering heb ik niets aan te merken, het zijn stuk voor stuk specialisten, net als ik. Ik werk uitsluitend met experts.”

Ik: “Oké, dus we kunnen nu focussen op jouw uitvoering. Vertel eens wat meer over de situaties waarin je die technieken toepast.”

Cliënt: “Vorige week: teamoverleg en brainstormsessie over onze branding en strategie. Ik open het overleg met vragen in de trant van ‘wat zijn jullie ideeën en wensen?’, ‘wie heeft er nog nagedacht over…’ enzovoort.”

Ik: “Het lijkt erop alsof je de irritatie van toen ook nu weer intens voelt. En toen?”

Cliënt: “Teleurstellend weinig. Oor-ver-dovende stilte.”

Ik: “En toen?”

Cliënt: “Toen ben ik boos weggelopen.”

Ik: “Oké, dus je gevoelens werden te intens om je zittend te houden. Mag ik een paar kritische noten kraken?”

Cliënt: “Graag.”

Ik: “Punt 1: je bedient je van constructieve technieken, alleen ze zijn nog niet uitgelijnd met je intenties en emoties. Je stelt open vragen, terwijl je gezicht een verbetenheid toont die je innerlijke frictie aan het licht brengt. Punt 2: jouw me…”

Cliënt: “Ja, maar dat is omda…”

Ik: “Wat doe je nu?”

Cliënt: “Ja, ik onderbreek je, sorry. Ga door.”

Ik: “Dat niet alleen, je reageert direct inhoudelijk. En dat geeft tussen ons niet, alleen je wilt iets veranderen, dus we gebruiken alles wat zich nu voordoet om van te leren. Het kunnen onderbreken is een prima vaardigheid, noodzakelijk zelfs zou ik zeggen. Alleen…hoe zet je ‘m in?”

Cliënt: “Ja, ik snap het. Het maakt verschil of ik dat onderbreken bewust doe of niet. En vanuit welk gevoel dat onderbreken gebeurt.”

Ik: “Yes. Laten we dit moment benutten door iets meer te leren over wat er in jou zo snel reageerde. Kun je daar contact mee maken? Waren er bepaalde gedachten, gevoelens, emoties, neigingen die je herkende? Je hoeft die nu nog niet te benoemen en het is ook niet nodig dat je ze volledig, tot in detail, overziet. Dat kan ook later. Maar begin ergens, en zie meer dan je voorheen zag. Ben je daar?”

Cliënt: “Ja…”

Ik: “Oké, heel goed, houd die concentratie vast, terwijl je luistert naar het volgende. Dan ga ik door met punt 2… jouw medewerkers lijken jouw oordeel haarfijn op te pikken en houden wijselijk hun mond. Je zegt wel dat je hun inbreng wilt horen, maar mentaal sta je klaar om dat wat je wordt aangeboden, te beoordelen en af te serveren. Punt 3: je prijst jezelf om je kritische denkvermogen, terwijl je dat vermogen zelf niet kritisch tegen het licht houdt. Er ontstaat frictie in jou en als je die niet bewust ervaart en organiseert, dan komt die taak bij je omgeving te liggen. En nu, voordat je verbaal reageert, voel eens wat er in je omgaat…en merk op welke gedachten je hebt…zou je ze met me willen delen?”

Cliënt: “Nou, een van de eerste dingen die bij me opkomt, is dat ik nog niet eerder zo lang naar kritische feedback heb geluisterd als nu. In andere situaties had ik er allang iets tegenin gebracht. Door dat niet te doen, overdenk ik je woorden meer. Ik zie al die situaties in gedachten voorbijkomen…en ik ervaar een soort lichte schaamte. Waarom pak ik dat zo aan?”

Ik: “Geniale vraag! Je bent op weg naar een dieper begrip van en voor jezelf. Je bent meer dan de kritische persoon waar je je mee vereenzelvigt. Je kritische houding is geen inherent kenmerk van wie jij bent, maar een gedragspatroon gebaseerd op je natuurlijke capaciteiten. Nu kunnen we op onderzoek naar die natuurlijke capaciteiten, plus je historie, psychologische automatismen, emotionele staat, drijfveren en intenties. Dat vraagt om leren waarnemen wat er zoal door je heen gaat, terwijl je doet wat je doet. Want dat je oprecht wilt ontwikkelen, dat is helder.”

Cliënt: “Ja, dat is denk ik wel nodig, alleen ik heb nog geen idee hoe dat eruit ziet…”

Ik: “En dáár zit nu je interventieruimte, je potentiële groei. Het niet-weten en dat accepteren. Er niet zoals gebruikelijk controlerend op reageren. De onzekerheid toelaten en onderzoeken wat die inhoudt.”

Cliënt: “Dus ik moet een laag dieper.”

Ik: “Als je dat wilt, ja. En, valt dit voor jou in de categorie ‘feedback die echt iets toevoegt’, zoals je eerder zei?”

Cliënt: “Hmm, dat ga ik nog eens scherp beoordelen, haha!”

Zichzelf weer herkennen in eigen gedrag

Dit gesprek is gebaseerd op de persoonlijke ontwikkelingswensen van diverse cliënten, die zichzelf (weer) willen kunnen herkennen in hun eigen gedrag.

Hoogbegaafd! Werk & Ondernemen

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Ik ben de grootste rem op mezelf

By | mei 11th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Opgroeien was als hard fietsen en tegelijk in de rem knijpen: mijn jeugd zat vol tegenstrijdigheden. Deze tegenstrijdigheden ben ik gaan verinnerlijken. Nu ben ik de grootste rem op mezelf.

Omdat ik van de volwassenen in mijn nog jonge leven mijn minder begaafde leeftijdsgenoten alle beschikbare ruimte moest geven, kreeg ik zelf geen ruimte. Ik moest hen ruimte geven zodat ze zichzelf niet tenietgedaan voelden, terwijl ik mezelf van binnen opvrat. Ik snap de redenatie van die volwassenen, maar op die manier werd mij geen vertrouwen gegeven in het van nature goed kunnen omgaan met anderen. Ik was er niet op uit om anderen tekort te doen door mijn capaciteiten. Dat ben ik nog steeds niet.

Ik had het graag anders gezien, maar ik kan mijn geschiedenis niet veranderen. Wel kan ik in het vervolg op gepaste wijze de rem loslaten om op hoge snelheid invulling te geven aan een vernieuwde zingeving. Ik ben daar volwassen genoeg voor en ik ben al lang niet meer afhankelijk van de volwassenen van destijds. Maar het doorbreken van die conditionering kost tijd.

Ik ben op zoek naar een nieuwe plek in de maatschappij. Waar dan? Ik ben er zelf nog niet uit. Ik zit in het gat van de werkloosheidswet, maar er is genoeg werk aan de winkel. Ik ben bijna gepromoveerd en sta met lege handen op de arbeidsmarkt. Hoe ga ik ze vullen? Wat kan ik combineren? In wat voor organisatie is men toe aan een vernieuwende blik? Zal ik zelf een onderneming starten?

Het is doorbijten om me nu niet mislukt te voelen. Soms lukt het niet en dan leg ik mezelf een schuldgevoel op, als een schuld die zichzelf in de schoenen schuift. Hoewel ik meestal snel weer in staat ben om die schoenen uit te trekken en de schuld eruit te schudden, zou het schelen als dat niet nodig was. Ik ben een capabel persoon en ik kan snel leren, verbindingen zien tussen disciplines en vakgebieden, een systeem doorgronden, of het zelf opbouwen. Mijn vrienden verbazen zich erover dat ik me soms mislukt voel.

Ondertussen bezoek ik nieuwe landschappen. Ook ga ik ze steeds meer zien met nieuwe ogen. Er moet een werkplek zijn waar ik gezien word voor wat ik waard ben en waar ik mezelf goed zichtbaar kan maken, een plek in dat landschap van mogelijkheden waar ik goed kan vertoeven en in mijn onderhoud kan voorzien. Daarvoor moet ik mezelf eerst continu als een capabel persoon zien die bovendien best wat vaker fouten mag maken, en mezelf niet zien als een mislukking.

Ik heb niet goed voor mezelf gezorgd. Ik heb me steeds ingeleefd in anderen, maar daarbij heb ik mezelf te vaak als onzichtbare waarnemer beschouwd. Ook nu de kooi van mijn jeugd me niet langer fysiek opsluit. Daarmee ben ik verworden tot de grootste rem op mezelf. Het is tijd om de rem los te laten en mijn identiteit te laten zien.

Hoogbegaafd! Zeer hoogbegaafde volwassenen

 Intake


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Slimme vraag

By | mei 7th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Ik heb me altijd gerealiseerd dat mijn verhoogde intelligentie een gift is, een soort magisch cadeau dat ík om de een of andere reden heb gekregen, en dat het iets heel bijzonders is. Desondanks probeer ik het altijd zoveel mogelijk achterwege te houden. Niet iedereen hoeft het te weten.

Mijn IQ is mijn kleine geheimpje. Dat heeft ook zo zijn reden. Lang, lang geleden moest ik elke zondag met mijn ouders mee naar de kerk. In het kader van ‘we houden de kinderen bezig’ werden alle aanwezige kinderen op een gegeven moment naar voren geroepen. Hier hielden ze een klein praatje met de dominee, om vervolgens in de consistorie te verdwijnen. De dominee stelde altijd vragen. Vragen over de Bijbelteksten, over de personages in de verhalen, en over het geloof. Ik, de leergierige boekenwurm die ik was, wist de verhalen praktisch na te vertellen, en dus beantwoordde ik elke vraag van de dominee. Na de derde of vierde vraag vroeg de dominee aan mij: “Zo, zo. Hoe weet jij zo veel?” En kleuter-Erik reageerde zonder blikken of blozen met: “Want ik ben hoogbegaafd.”

Achteraf weet ik dat het bulderende gelach van de gemeente er een van vertedering was. Indertijd, echter, hoorde ik alleen maar honderden mensen lachen om mij. Ik ben huilend weggerend, en sindsdien heb ik mijn gift grotendeels verzwegen. Noem het een miniatuur-jeugdtrauma.

Tegenwoordig zijn de wonden veelal geheeld. Als het nu ter sprake komt, zorg ik ervoor dat men weet dat ik het liever niet zeg – “Ik houd niet van opscheppen.” of “Ik wil niet arrogant overkomen.” Maar als de informatie eenmaal bekend is, dan zie ik vaak een verschuiving in de houding van mijn collegae. ‘Ah, mooi, we hebben een slimme. Hoef ik lekker minder te doen!’ De mens is nou eenmaal liever lui dan moe.

Geloof het of niet, waarde medestudenten, maar ook ik loop soms vast. Mijn hersenen bieden mij toegang tot geweldige dingen, maar mijn autisme sluit nou juist weer wegen af die voor iedereen makkelijk te bewandelen zijn. Het schrijven van een belangrijke e-mail. Het organiseren van een vergadering. Het beginnen met een taak zonder een volledige en ondubbelzinnige uitleg over hoe en wat. Het gaat steeds beter, maar dit zijn dingen waar ik nog altijd veel moeite mee heb.

“Ah kom op, jij bent toch de slimme hier?” klinkt het dan vaak uit de mond van een achteroverleunende, Dumpert-bekijkende collega. Blijkbaar begrijpt men niet dat ook intelligente mensen tegen dingen aan kunnen lopen. Als ik iets niet kan, dan verdien ik blijkbaar het hoogbegaafdheidslabel niet. Alsof dat te ‘verdienen’ is.

Enkele maanden geleden gaf ik een voorlichting aan een groep middelbare scholieren over studeren met een label – in dit geval betekent ‘label’ hetzelfde als ‘enige indicatie, van autisme tot hoogbegaafdheid en van schizofrenie tot manische depressie’. Tijdens de vragenronde kwam de slimme vraag: “Moet ik eigenlijk wel vertellen wat ik heb?” Over deze vraag heb ik lang moeten nadenken, maar met het oog op de tijd reageerde ik met het nietszeggende “Dat is je eigen keuze.” In de weken daarna heb ik meerdere malen lopen ijsberen over het antwoord op die simpel ogende vraag. Moet je dat eigenlijk wel willen?

Het is zo’n vraag zonder duidelijk antwoord. Wat ik tijdens mijn seminar antwoordde gaat alsnog enigszins op: het hangt af van je eigen voorkeur. Waar je zelf meer waarde aan hecht. Zoals zoveel dingen in het leven, heeft het voordelen en nadelen. Maar waarom zou je precies vertellen wat er op je label staat? Dat is een label dat op jou geplakt is, niet wie jij bent. Waarom zou je niet in plaats van “Ik ben hoogbegaafd” bijvoorbeeld zeggen “Ik ben een erg logisch persoon, gericht op kennis. Ik denk in oplossingen, en vind deze vaak sneller dan anderen.” Dit schrikt mensen niet af, neemt de nadelen van een label weg, en staat ook nog leuker op je CV! Dus, als ik die vraag nogmaals zou mogen beantwoorden, zou ik zeggen: “Zeg niet wat je hebt, zeg wie je bent!”

Hoogbegaafd! Autismespectrum

 Lid worden


© Erik van Beesten | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Ik mag weer mezelf zijn van mezelf

By | mei 5th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Hoogbegaafd dus. Alle stukjes vallen meteen op hun plek. Mijn enorm sterke wil die ik al van jongs af aan heb, de ingewikkelde zaken die ik me al afvroeg toen ik amper zes jaar oud was (mama, hoe bestrijd je armoede?) en het vele onderzoeken. Echter ook verveling in de klas, onderpresteren, faalangst en extreem perfectionistisch zijn. Een probleemkind vond men mij, een betweter met een grote mond.

De oorzaak werd overal gezocht. De dood van m’n vader als ik dan weer eens lastig was in de klas, het hebben van geen inzicht toen ik rekensommetjes op m’n eigen manier uitrekende en zelfs m’n rijke fantasieleven werd gezien als liegen. Waarom snapte niemand mij? Een pienter kind was ik wel, dat zagen mijn school en de psychologen nog wel in, maar verder werd er niet gekeken.

Lang was ik overtuigd dat het allemaal aan mij lag. Een dombo vond ik mezelf, een sociaal onhandige sufferd. Waarom kon ik gewoon niet normaal zijn zoals anderen? Waarom was ik steeds het buitenbeentje? Op mijn vijftiende liep ik dan ook compleet vast. School lukte niet en van m’n emotionele toestand snapte ik niks. Psychologen dachten het allemaal zo goed te weten, maar ik was het nooit met ze eens. De meeste sessies eindigden dan ook in extreme boosheid van mijn kant.

Resoluut heb ik op een dag besloten om mezelf te veranderen. Ik wilde populair zijn, sociaal vaardig en vooral niet meer als nerd gezien worden. Achteraf gezien is dat het moment geweest dat ik alle uitdagingen uit de weg ging en de clown ging uithangen. Liever zo dan dat ik weer teleurgesteld was als iets niet lukte, toch? Liever zo dan gekwetst te worden door de medemens, toch? Elf jaar heb ik me anders voorgedaan dan ik was. Elf jaar heb ik gedaan alsof ik graag onder mensen was, school me totaal niet interesseerde en het minimale uit jezelf halen stoer was.

Totdat ik vorig jaar ineens behoefte had aan m’n authentieke zelf. Ik verlangde naar de Stephany die veel wist en van leren hield, de Stephany die zaken onderzocht en veel las, de Stephany die graag op zichzelf was en zich bezighield met ander soort aangelegenheden dan het dagelijks leven en concrete zaken. De “diagnose” hoogbegaafdheid kwam een paar maanden later.

Stap voor stap ontdek ik nu m’n nieuwe identiteit. Het ontkennen maakt langzaamaan plaats voor acceptatie, het dom voelen voor zelfvertrouwen in m’n kunnen. Oude karaktertrekjes keren langzaam terug. Ik mag weer mezelf zijn van mezelf. Wat een bevrijding.

Hoogbegaafd! Jongvolwassenen

Voor jongvolwassenen tussen de 15 en 32 jaar

 Lid worden


© Stephany Daal | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Zo ben ik nu eenmaal”

By | mei 5th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Cliënt: “Dat is ook wel een beetje hoe ik ben.”

Ik: “Hoe ben je?”

Cliënt: “Nou, dat jolig omgaan met de lastige kanten van het leven, niet echt bij dingen stilstaan, zo ben ik nu eenmaal, dat is mijn stijl.”

Ik: “Oh ja?”

Cliënt: “Onze familie is nogal hedonistisch, genieten van de goede dingen en niet te moeilijk doen over de nare dingen. Die horen erbij, we praten er even over, vervolgens worden al snel de filosofie en het wereldleed erbij gehaald, we lachen om de dramatiek van het menselijk bestaan, we drinken wat en we gaan weer door. Het leven is te kort om niet van te genieten.”

Ik: “Ah ja…stuk voor stuk prachtige en waardevolle elementen van een vervuld leven. En momenteel lijken ze je geen voldoening te geven…”

Cliënt: “Ja klopt, haha…”

Ik: “Hee, een lach…?”

Cliënt: “Nou… jij zegt weinig en dat voelt ongemakkelijk… ik ben dat niet gewend, in mijn familie was ik allang door minstens drie personen onderbroken, lekker geinen over en weer, de competitie aangaan, ook wel gerustgesteld worden, hoewel je na afloop toch met een onbevredigd gevoel achterblijft. En ik moet toegeven dat als ik mezelf zo hoor praten, dat ik ook wel besef dat daar ‘iets’ zit.”

Ik: “Iets? Wat zou dat zijn?”

Cliënt: “Ja, een… iets… wat ik nog niet heb ontdekt.”

Ik: “Hmm… en hoe sta jij tegenover ontdekken?”

Cliënt: “Dat ligt aan de te verwachten ontdekking. Hmm, haha, dat is een paradox.”

Ik: “Niet te snel. Onderzoek en splits ‘m uit.”

Cliënt: “Okee… in controleerbare situaties, waar het gaat om kennis, nieuwe leerstof, nieuwe leerprocessen, andere landen, nieuwe ontmoetingen, daar sta ik te trappelen om te ontdekken. Ik pluis alles uit, lees alles wat er te lezen valt over een bepaald onderwerp, op vakantie vind ik de leukste en beste plekken.”

Ik: “Dat toont een aantal van jouw capaciteiten: vindingrijkheid, groot leervermogen, creativiteit, kracht, leiderschap. Allemaal uitingen van jouw levenslust, zo begrijp ik! En wanneer ben je behoudender in dat proces van ontdekken?”

Cliënt: “Als het over mezelf gaat. Als het dichtbij komt.”

Ik: “Okee, dus als ik je frivool mag samenvatten: hoe verder weg, hoe makkelijker. Herken je dat?”

Cliënt: “Hmm, ja… in grote lijnen wel ja…”

Ik: “Kijk er eens opnieuw naar. Is je verhouding tot ontdekken inderdaad paradoxaal?”

Cliënt: “Hmm… misschien niet… misschien meer… vloeiend, als ontdekkingsreizen in de wereld en in jezelf. Maar: de werkelijkheid is een ongedeeld geheel, Advaita, boeddhisme, non-dualiteit, ook de wetenschap houdt zich daarmee bezig. Dus er is geen verschil tussen binnen en buiten, tussen jou en mij, op moleculair niveau zijn er geen grenzen.”

Ik: “Merk je wat je nu doet?”

Cliënt: “Ja, ik ga rationaliseren, dat moet ik niet doen, een bekende valkuil.”

Ik: “Goed opgemerkt. En wat gebeurde er daarna; merk je hoe je mentaal-emotioneel op het opmerken van die valkuil reageerde?”

Cliënt: “Ik remde mezelf… terechtwijzend misschien.”

Ik: “Hè, wat naar… bedank je gedachten voor het meedenken, laat ze je niet verharden, laat ze je leiden naar je gevoel, laat ze je inspireren, in het voordeel werken van jouw evolutie… Wat je net zei, over die ongedeelde werkelijkheid, wat betekent dat voor jouw persoonlijke ervaring?”

Cliënt: “Geen idee, er zit overal wel iets in denk ik, elke zienswijze heeft zo zijn voor- en nadelen. Het uitsluitende antwoord heb ik nog niet gevonden.”

Ik: “En wat is de volgende plek waar je gaat kijken? Waar kun je een volgende slag slaan op weg naar voor jou bevredigende antwoorden denk je?”

Cliënt: “Ja, dat zal dan wel weer in mezelf zijn. Maar waar en hoe??”

Ik: “Jij weet wel waar. En hoe… misschien kun je het meer in de toepassing zoeken? Subtiel, creatief en integraal toepassen van wat je leest. Toetsend… voelend… luisterend… Onderzoeken hoe het voor jou is. Vanuit welk gevoel begon je te vertellen over de dynamieken in je familie?”

Cliënt: “Gemis. Een gevoel van verdriet, eenzaamheid, iets wat onvervuld is. Ik voel me beperkt, alsof we over het leven heen dansen, maar het niet echt aanraken ofzo… maar ik wil mijn familie niet afvallen.”

Ik: “Dat begrijp ik… jouw wens en loyaliteit kunnen naast elkaar bestaan. Wat zou je willen?”

Cliënt: “…ja, er is verdriet, maar als ik ga huilen, dan ben ik bang dat ik niet meer kan stoppen.”

Ik: “Zou dat waar zijn denk je? Visualiseer dat eens, jij die begint met huilen en daar dan jaren mee doorgaat, zonder een droog moment? En stel dat er veel verdriet bovenkomt, is dat dan een reden om het niet toe te laten?”

Cliënt: “Maar verdriet is toch op zichzelf ook een illusie? Er is toch geen werkelijke reden tot leed?”

Ik: “Hm-mm… dat klinkt als een weergave van wat je hebt gelezen over diverse bevrijdingsleren… maar het komt mij voor dat dat niet de relatieve betekenis is van jouw reactie. Je zei: ‘er is toch geen werkelijke reden tot leed, verdriet is een illusie’… voel en hoor die woorden eens opnieuw, wat doen zij met je?”

Cliënt: “…pfff… ja, het zijn andermans woorden… ze… houden me tegen.”

Ik: “Dat wat zich aandient, is jouw unieke, persoonlijke startpunt. Zoek de verzachting en geef je over aan wat er is. Dat mag nu of later, op een moment dat jij prettig vindt.”

Cliënt: “……”

Een innerlijk vervuld leven

Dit gesprek is gebaseerd op de persoonlijke ontwikkelingswensen van cliënten, en hun herkenbare en toch hoogsteigen weg richting een innerlijk vervuld leven.

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“…weet jij mij beter dan ik?”

By | april 27th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Mij bekruipt het gevoel dat ik geen tijd te verliezen heb. Na 10 jaar schipperen tussen mijn kennis als verpleegkundige en het mantelzorgen voor mijn 86-jarige hoogbegaafde en hoogsensitieve moeder, ben ik, hoogbegaafde en hoogsensitieve dochter, sinds krap twee weken ontslagen uit mijn voor haar noodzakelijke en voor mij onvermijdelijke rol van haar spreekbuis. De professionals van het reguliere verpleeghuis laten mij subtiel weten dat mijn taak genoeg is geweest. Dat ik ‘mag loslaten’…

Dat is voor mij een confronterende boodschap: loslaten, wát eigenlijk? Na haar diagnose twee jaar geleden van vasculaire dementie stopte mijn altijd klagende moeder namelijk abrupt met confabuleren en compenseren, en werd zij een tot dan toe onvoorstelbaar toegankelijk en lief persoon.

Ik voel verlies: ik ben opgevoed door een moeder die om haar eigen pijn heen draaide. Zij was daardoor vóór haar diagnose een vrouw die klaagde, die boos was als iemand ‘het in het hoofd haalde om…’, die vond dat ‘niemand echt belangstelling had…’, die feitelijk niet wist waar zij zelf behoefte aan had, die niet deed aan zelfreflectie. Ik heb de zorg om haar heen tegen de klippen op georganiseerd, om haar maar niet meer te hoeven horen klagen.

Nu kan ik dat niet meer doen. Nu moet ik ‘loslaten’. Nu moet ik aanvaarden dat ik haar behoeften niet meer voor haar kan verwoorden. Nu zal haar verongelijkte persoonlijkheid weer vaker gezien worden.

Vanochtend werd ik wakker met een vast voornemen: wees er als de kippen bij om je zelfkennis uit te bouwen en te weten waar je behoeften liggen om je goed te voelen. Oefen je in het uitdrukken van die behoeften, zodat jij dat ook kunt als je niet meer alles zelf in de hand hebt. Ik heb mijn moeder in de door mij georganiseerde thuissituatie lang kunnen ontzien, haar kunnen ‘vertalen’ naar de (professionele) omgeving, haar kunnen behoeden voor al te veel eenzaamheid, haar heel vaak het voordeel van de sociale twijfel gegeven. Nu zit ze zonder die buffer en is ze nog net zo eenzaam.

Je kent jezelf het beste, dus kén jezelf dan ook snel het beste.

…weet jij mij beter dan ik?

Hoogbegaafd! Lichamelijke functies

 Lid worden


© Emmy | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

By | april 26th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

In het donker lig ik wakker. Buiten regent het en ik denk aan wat was. Ik ben van mijn geloof af gevallen, of beter, gegleden, pas van maand tot maand merkbaar aan een steeds dieper moeras.

Ik ben niemand en nergens. Hallo wereld, je kende me misschien in een vorig leven. Wat moet je met me aan? Structuren en systemen zijn log en staan in de weg. Zal ik zelf iets maken? Wat dan? Hoe kan ik dovemansoren van gehoorapparaten voorzien?

Een auto rijdt door de straat. Het is vier uur ‘s ochtends. Wat zou de bestuurder doen? Ben ik niet de enige nachtbraker, of zijn er contracten en verplichtingen die de bestuurder op dit tijdstip op pad doen gaan? Dan is er behalve de tijd niets dat ons bindt.

Na een gewelddadig ziektebed ben ik verdwenen. Voor sommigen ben ik daarmee dood. Blijf ik ongezien tot het tijd wordt om me te herinneren? Ergens zal ik verschijnen.

Ik zink weg in een lucide droom en maak daarin een fout. Mijn fout was een bedreiging voor een systeem waarbinnen fouten maken niet kon. Ik antwoordde: ∞

Het juiste antwoord was . of | of X.

Het antwoord doorbrak een deadline van een project waarin vernietigd diende te worden. Door de opschudding stierf ik als gedoodverfde verliezer. Ik doorbrak dat wat niet mocht maar wel bleek te kunnen.

Ik verdween in de diepte beneden het oppervlak. Baande me een weg door het moeras. Kwam bemodderd, onherkenbaar boven, werd achtervolgd als verdachte van de cruciale fout die het universum doorkliefde zoals iedereen dacht dat ze bestond: als eindigheid. Tot de volgende dag aanbrak.

∞: niets is dat niet iets anders aanraakt en niets stopt zonder in iets anders over te gaan.  Ik ben niet gemaakt om misleid te worden. Ik stroom, zacht en wendbaar als water.

Hoogbegaafd! Rouw & Traumaverwerking

 Intake


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Ik kan niet voor 9:00 uur opstaan”

By | april 13th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Cliënt: “Het lukt me gewoon niet, ik kan niet voor 9:00 uur opstaan.”

Ik: “Oh nee?”

Cliënt: “Nee, het lukt me niet om op tijd mijn bed uit te komen.”

Ik: “Hee, dat klinkt alsof je dat als falen beschouwt, herken je dat?”

Cliënt: “Hmm…ja…ik kan gewoon niet elke dag op dezelfde tijd wakker worden.”

Ik: “Oh. En wat is daarvan het probleem?”

Cliënt: “Van mijn werkgever moet ik elke werkdag uiterlijk om 9:00 uur op kantoor zijn, maar dat lukt me dus niet.”

Ik: “Ah, dat is lastig. Dus je werkgever vraagt iets van je waar jij volgens jou niet toe in staat bent.”

Cliënt: “Ja, en ik probeer het echt wel, ik zet mijn wekker op tijd…”

Ik: “En dan lekker vaak snoozen!”

Cliënt: “Nee nee, dat mag ik niet van mezelf. Ik snooze maximaal 1 keer en dan zorg ik dat ik wakker blijf.”

Ik: “Okee, dus daarin reguleer je jezelf al, top. En wat gebeurt er daarna?”

Cliënt: “Dan blijf ik liggen.”

Ik: “Ah, en wat gaat er dan zoal door je heen terwijl je daar ligt?”

Cliënt: “Dat ik geen zin heb, dat ik eigenlijk op zou moeten staan, maar best nog even kan blijven liggen. Ik denk dan aan heel veel andere dingen, zoals nieuwe projecten en ideeën, allemaal dingen die ik zou moeten doen, maar waar ik niet aan toe kom. Veel leuke dingen ook, taken die ik op wil pakken, en tegelijkertijd vraag ik me af of ik het allemaal wel ga afkrijgen die dag. Verder bedenk ik dat ik met mezelf had afgesproken om vandaag op tijd op te staan, no matter what, hoe moe ik ook zou zijn. Maar dan trek ik het liefst de dekens nog eens over me heen. En dan denk ik dat het hele concept van tijd voor mij niet werkt, ik doe niets op tijd en tijd is maar een bedacht systeem om ons te ondersteunen, niet om ons in de weg te zitten en ons leven door te laten bepalen.”

Ik: “Zo, dat klinkt alsof je best actief bent terwijl je nog in bed ligt. En alsof je erg je best doet om uit bed te komen. Wat vervelend dat het dan niet lukt, dat lijkt me dagelijks een nare ervaring.”

Cliënt: “Ja, het gaat elke dag zo en ik weet niet hoe ik verder moet. Maar misschien kan ik mijn creativiteit en productiviteit wel niet binnen het malletje van het werkende leven persen?”

Ik: “Dat weet ik niet of jij dat kunt, ik zie in ieder geval niets aan jou waarom jij dat níet zou kunnen. Je lijkt me iemand met ontzettend veel capaciteiten. Maar ‘persen’ klinkt wel wat geforceerd, alsof je er sowieso flinke weerstand tegen hebt, dus laten we daar wat verder op inzoomen. Wat hoor je in dat woord ‘persen’? Je kunt het een aantal keer na elkaar zeggen om er feeling mee te krijgen.”

Cliënt: “Persen, persen…pfff het klinkt…ehm…gefrustreerd?”

Ik: “Ja, zo ervaar ik dat ook als je dat zegt. ‘Persen’ klinkt ook alsof er iets onmogelijks van je wordt gevraagd -haha, denk jij nu ook aan bevallingen?”

Cliënt: “Ja, haha, ik zet die beelden even uit mijn hoofd.”

Ik: “Goed zo, terug naar wat je zei, frustratie zei je. En welke wens wordt er dan gefrustreerd, met andere woorden: wat zou je graag willen, hoe zou je de dag wíllen starten?”

Cliënt: “Ik zou de wekker om 7:00 uur willen zetten, dan direct fris mijn ogen openen, uit bed springen, ontbijten, douchen, aankleden en naar mijn werk, zodat ik daar ergens tussen 8:30 en 9:00 uur ben.”

Ik: “Okee, helder, dat klinkt levendig! Het lijkt erop dat jij en je werkgever hierin hetzelfde einddoel voor ogen hebben, dat is toch wel een fijn gemeenschappelijk uitgangspunt. Jij voelt je er gefrustreerd onder, en ik kan me zo voorstellen dat het voor jouw leidinggevende ook frustrerend is dat hij of zij jou niet zover krijgt dat je op tijd komt, want het is nou eenmaal diens taak om voor een enigszins gelijklopend bedrijfsritme te zorgen, waarop afspraken kunnen worden gemaakt, personeelsbijeenkomsten kunnen worden belegd, en alle medewerkers op elkaars aanwezigheid kunnen rekenen.”

Cliënt: “Ja…*zucht*”.

Ik: “Hey, waar komt die zucht vandaan? Hoe voel je je?”

Cliënt: “Moedeloos.”

Ik: “Heeee, wat een naar gevoel. Is deze stemming vergelijkbaar met hoe je je voelt als je ’s ochtends in bed ligt en het je niet lukt om op te staan?”

Cliënt: “Ja, dit is precies dat gevoel. Alsof ik er nooit ga uitkomen.”

Ik: “Hè, dat is een erg naar perspectief. Je klinkt…verdrietig…een beetje bozig ook…ga eens met je aandacht naar dat gevoel.”

Cliënt: “Ik ben niet zo goed met gevoelens.”

Ik: “Nou, zij wel met jou.”

Cliënt: “Hoe bedoel je dat?”

Ik: “Je zegt niet zo goed te zijn met gevoelens. Achter die uitspraak zit een wereld van ervaringen, overtuigingen én gevoelens. Wat misschien voor nu waarachtiger is om te zeggen, is dat je niet gewend bent om naar je gevoel te luisteren, dat het overstemd wordt door je mentale activiteit, door je gedachten. Uit wat je me tot dusverre hebt verteld, lijkt het alsof je juist wordt geleid door gevoelens, dat je gedachten er misschien wel mee in gevecht zijn, wat uitmondt in apathie en passiviteit. Hoe klinkt dit voor jou?”

Cliënt: “Hmm. Het is een interessant idee.”

Ik: “Nou, dat klinkt alsof we je brein in ieder geval mee hebben, dat is mooi. Wat voor emotie zit er onder de uitspraak ‘dat is een interessant idee’?”

Cliënt: “Ehm………doelgerichtheid?”

Ik: “En hoe voelt die doelgerichtheid zich, wat is zijn stemming?”

Cliënt: “Ja………vrolijk ofzo, blij?”

Ik: “Dat lijkt me wel! Goed opgemerkt en daar de tijd voor genomen. Heb je er ooit over nagedacht hoe verschillend je je gedachten enerzijds en je gevoelens anderzijds waardeert?”

Cliënt: “Nee, niet op die manier, ik heb emoties leren managen.”

Ik: “Kijk, dat is dan weer een mooi voorbeeld van jouw vermogen tot zelfregulatie en je autodidactische instelling. Tegelijkertijd hoor ik daarin een devaluatie van emoties: ach ze zijn er, laat ik ze maar in goede banen leiden, zolang ze maar niet in de weg zitten. Een hypothese: ik denk dat jij je ’s ochtends in bed best wel eens emotioneel zou kunnen voelen, maar je die emoties niet als zodanig herkent en voelt, en ze uitmonden in een stroom aan gedachten waar je vervolgens veel geloof aan hecht, zodat je daadwerkelijk denkt dat je niet uit bed kan komen en er ook nooit meer zal uitkomen.”

Cliënt: “Dus ik denk dingen die niet waar zijn, maar ik ben me daar niet van bewust?”

Ik: “Welcome to humanity… Wat je eens kunt gaan uitwerken voor jezelf, en dan bespreken we dat de volgende keer, is waar jouw gedachten zoal over gaan. En vervolgens onderscheid aanbrengen, differentiëren, in hoe je je kunt verhouden tot die gedachten. Eenvoudig gezegd: jouw briljante, creatieve gedachten rondom jouw projecten en ideeën wil je veel ruimte geven, inhoudelijk volgen, helemaal uitdenken, verfijnen, vasthouden en zich laten manifesteren in producten en systemen. De bezwarende gedachten wil je ook ruimte geven, alleen dan meer onderzoekend, bevragend en doorvoelend benaderen, om ze daarna inhoudelijk los te laten en meer als signaal te herkennen.”

Cliënt: “Okee, dit is wel productief. Ik heb al zoveel timemanagement en concentratietechnieken uitgeprobeerd, maar niets hielp, of slechts tijdelijk.”

Ik: “Ja, dat is een mooi teken van jouw wijsheid. Door tijdelijke waarheden laat je geest zich slechts tijdelijk sussen. Wat we nu moeten doen, is zorgen dat je zicht krijgt op je gedachten, ze leert waarnemen, bevragen en doorvoelen. Dus nu kun je leren niet alleen je emoties te managen, maar ook je gedachten, en dan heb ik het over managen in de meest zachte, wijze invulling van dat woord. Dus niet afwijzend, dominerend en dissociërend, maar voelend, begrijpend en accepterend.”

Cliënt: “En hoe doe ik dat?”

Ik: “Weet je nog hoe je eerder in dit gesprek zei dat je beelden over bevallingen uit je hoofd ging zetten?”

Cliënt: “Ja…!”

Ik: “Daar mag je thuis mee gaan oefenen…are you ready for some homework?”

Cliënt: “Yes!”

Spanningsveld tussen creativiteit en productie

Dit gesprek is gebaseerd op de problematieken die cliënten en andere personen aangeven te ervaren in de werkcontext. Het spanningsveld tussen creativiteit en productie is een veelgehoord en actueel ervaren probleem.

Hoogbegaafd! Werk & Ondernemen

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Ik heb een autoriteitsprobleem”

By | april 5th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Cliënt: “Ja, ik heb dus een autoriteitsprobleem. Autoriteit is wel een dingetje voor mij.”

Ik: “Een autoriteitsprobleem zeg je, okee vertel?”

Cliënt: “Nou, ik houd er niet van als mensen mij vertellen wat ik moet doen. Als ze denken het beter te weten.”

Ik: “Dat kan ik me voorstellen, je wilt graag vrijheid ervaren, klopt dat?”

Cliënt: “Ja, ik kan prima zelf nadenken.”

Ik: “Daar twijfel ik geen moment aan.”

Cliënt: “Ik waarschuw mijn leidinggevenden ook altijd van tevoren, luister ik heb een autoriteitsprobleem, dus houd d’r maar rekening mee en zit niet te veel op mijn nek.”

Ik: “Dus je intentie is om hen te informeren over hoe jij in elkaar zit en wat voor jou wel en niet werkt in de samenwerking. In je formulering klinkt het alsof het hebben van een autoriteitsprobleem je ook een bepaalde status geeft, de vrije jongen met het autoriteitsprobleem.”

Cliënt: “Ja, ik ben altijd wel een vrije jongen geweest, vroeger al, ik was altijd de rebel.”

Ik: “Heerlijk om zo vrij te leven lijkt me! Hey, je zei in het begin ook dat ze denken het beter te weten. Ik hoor daarin dat je vindt dat ze het niet per se beter weten, dat je je stoort aan uitspraken en gedragingen die in jouw beleving onwaar of niet-kwalitatief zijn. Klopt dat?”

Cliënt: “Ja, ik zie regelmatig dingen gebeuren op het werk waarvan ik denk ‘jongens, dat is toch niet handig’, ik zie dan al van verre aankomen dat dit compleet de verkeerde kant opgaat. En dan zeg ik dat, maar dan wordt er niet geluisterd, en dan denk ik okee prima, dan zoek je het zelf maar uit.”

Ik: “Oh, wat vervelend om te zien waar het misgaat, en dat dan ook aan te geven, terwijl er vervolgens niets mee wordt gedaan. Lekker frustrerend lijkt me.”

Cliënt: “Ja, en ik ga ook aan mezelf twijfelen of ik het wel goed zie.”

Ik: “Dat begrijp ik. Dus we kunnen nu zien dat je een grote opmerkzaamheid hebt in het waarnemen van incongruenties, risico’s, suboptimaliteiten e.d. Tevens hecht je waarde aan kwaliteit en neem je daar verantwoordelijkheid voor door jouw visie te delen met degene die het beleid maakt en de beslissingen neemt. En zodra daar niet naar wordt geluisterd en de relevantie van jouw advies niet wordt gehoord, voel je je gefrustreerd en onzeker en ga je aan jezelf twijfelen.”

Cliënt: “Klopt. En vaak denk ik ook ‘het is toch niet aan mij om hier iets over te zeggen’, straks gaat mijn manager het tegen me gebruiken, en richting collega’s ben ik niet in de positie om hen te becommentariëren. Wie ben ik om hen te vertellen hoe ze het moeten doen?”

Ik: “Goede vraag.”

Cliënt: “Hmm.”

Ik: “Ik hoor je een aantal dingen zeggen, een aantal woorden gebruiken, waarvan ik denk dat het belangrijk is om daar even bij stil te staan en te onderzoeken wat er gaande is in dit soort interacties tussen jou en anderen, en met name in je eigen denkproces. Vind je dat okee om daar op in te zoomen?”

Cliënt: “Ja, graag.”

Ik: “Je zei ‘het is toch niet aan mij om hier iets over te zeggen’. Dat klinkt alsof je niet helder hebt wat jouw positie is en hoe je die zelf wilt invullen, vanuit jouw waarden en visie. Dus je probleem met autoriteit zit ‘m niet alleen in je reactie op andermans uitoefening van autoriteit, maar ook in het innemen van je eigen autoriteit, op een natuurlijke en duurzame wijze. Herken je dat en zijn er nog andere associaties die bij je opkomen in dit verband?”

Cliënt: “Ja…ik had er zo nog niet over nagedacht, over mijn eigen autoriteit.”

Ik: “Dat hangt denk ik samen met je sterke reacties op autoriteit die zowat al je aandacht opeisen, waarna je geen aandacht meer over hebt om überhaupt je eigen positie of autoriteit te overdenken en doorvoelen.”

Cliënt: “Ja klopt, ik ben dan alleen nog maar bezig met de ander. Andere associaties waar je net naar vroeg, heb ik niet direct…ik heb het ook wel bij politie-agenten en oudere mannen.”

Ik: “Okee, goed dat je het zegt, ik wil je aanmoedigen om je associaties zoveel mogelijk vrij te uiten, zodat we ze kunnen onderzoeken, wie weet waar we uitkomen. Even terug nog naar je eerdere woorden, je zei ‘straks gaat mijn manager het tegen me gebruiken’. Beluister je eigen woorden eens zorgvuldig en kijk eens wat ze je voor informatie geven.”

Cliënt: “Nou, ik ben bang dat als ik op tenen trap mijn contract niet wordt verlengd. We hebben net een reorganisatie achter de rug en op zich is alles nu weer rustig, maar ik wil mijn baan niet kwijt, dat zou nu financieel echt heel slecht uitkomen en dit is mijn eerste baan na mijn burn-out, dus ik wil het wel goed doen.”

Ik: “Okee, weet je nog wat je eerste zin was toen je net begon te praten?”

Cliënt: “Ehm…over mijn contractverlenging?”

Ik: “Ja, en hoe voel je je daarover, wat voor emotie uitte je daarbij?”

Cliënt: “Dat ik bang ben om mijn baan te verliezen?”

Ik: “Ja. Je kijkt me vragend aan, maar je woorden waren heel helder, je zei letterlijk ‘ik ben bang’, tegelijkertijd praat je er zo snel overheen dat ik me afvraag of je je wel bewust bent van die angst, hoe groot die is, en hoe die angst je beïnvloedt. Daarmee bedoel ik niet je angst te bagatelliseren, juist niet. Mag jij je angstig voelen en weet je waar die angst vandaan komt?”

Cliënt: “…ja, op zich wel…maar ik zet me er wel snel overheen, ik heb zo mijn manieren en je moet ook niet te lang in dingen blijven hangen.”

Ik: “Nee?”

Cliënt: “Wel dan?”

Ik: “Misschien is er een verschil tussen te lang en helemaal niet? En is er een verschil tussen ergens in blijven hangen en ergens contact mee maken, iets bewust ervaren, voelen, onderzoeken, begrijpen?”

Cliënt: “Ja, ik snap je punt, ben wel bang dat ik er dan niet meer uitkom. En ik weet ook niet hoe ik het moet aanpakken, wat ik anders moet doen.”

Ik: “Ah ik snap je, ja dat idee van jezelf onder ogen komen kan ontzettend beangstigend zijn, wat niet bepaald motiverend is om eraan te beginnen, want angst ken je al genoeg, daar hoef je niet per se meer van. Ik kan je zeggen dat het echt anders is dan je nu denkt, maar dat hoef je niet van me aan te nemen, we gaan daar samen aan werken. En zeg het ook als je het niet met me eens bent of als jij iets net anders ervaart, denkt en voelt dan ik het verwoord, we zijn op zoek naar wat voor jou werkt. Je bent al geweldig en dapper bezig om te delen wat er in je omgaat. En dan permitteer ik mij nu een klein stichtelijk woord: wees jezelf maar een beetje dankbaar voor het feit dat je je openstelt. Ook al voel je die zelfwaardering nu misschien niet zo, omdat je in jouw ogen nog lang niet bent waar je wezen wilt. Kijk of je tijdens deze gesprekken een deel van je aandacht op het proces gericht kan houden, zodat je kunt zien dat je zeker wel in beweging bent, in stapjes.”

Cliënt: “Okee, dat is toch wel fijn om te horen dat ik goed bezig ben. Ik voel me ook al een stuk opgelucht”.

Ik: “Wat fijn. We puzzelen nog even verder. Je vertelde ook dat je niet in de positie bent om je collega’s te becommentariëren. Wat is er te horen in je woordkeuze ‘becommentariëren’?”

Cliënt: “Het klinkt een beetje hard…alsof ik hen de les lees maar dat eigenlijk niet wil.”

Ik: “En welke waarde van jou hoor je daarin terug, wat vind jij belangrijk in de omgang met anderen?”

Cliënt: “Vrijheid? Gelijkwaardigheid?”

Ik: “Zo klinkt het wel. Dus nu is interessant om te gaan ontdekken hoe je die waarden telkens opnieuw kunt actualiseren richting jezelf en anderen. En inderdaad, zoals je aangeeft, dat woord ‘becommentariëren’ klinkt een beetje hard, het is geen neutrale beschrijving. Als we niet neutraal formuleren, zijn meestal onze emoties aan het woord. Dat geldt ook voor de emoties die we als positief ervaren. Zolang je die formuleringen en emoties niet ontleedt, en waar nodig doorvoelt, zul je mentaal blijven pingpongen en in zwart-wit redenaties blijven terechtkomen. In jouw situatie van de frictie met autoriteit varieert je innerlijke opstelling van jezelf onderschikkend en pleasend tot aan de ander afwijzend en opgevend. En het lijkt erop dat je niet-gevoelde en niet-onderzochte angst daarvan de motor is. En dat matcht dan niet zo goed met je zojuist benoemde waarden van vrijheid en gelijkwaardigheid.”

Cliënt: “Hmm. Maar waar komt die angst dan vandaan?”

Ik: “Dat antwoord kan ik je niet geven. Ik kan je alleen begeleiden in het zelfonderzoek op weg naar een voor jou gelaagde en betekenisvolle duiding. Vaak zijn angsten heel oud, van ver terug in ons leven of misschien zelfs wel levensoverstijgend. Daar zijn al vele intelligente en behulpzame perspectieven op geformuleerd, ik kan je als je wilt suggesties geven voor lees- en reflectievoer, en dan kunnen we daar een andere keer op terugkomen. Voor nu is eerst belangrijk dat je de angst en ook andere emoties gaat herkennen, steeds dichter bij het moment dat ze zich voordoen. Hoe zou je dat kunnen doen?”

Cliënt: “In ieder geval niet meer over dingen heenpraten.”

Ik: “Goed idee. En wat betekent dat, wat doe je dan in plaats van dat eroverheen praten?”

Cliënt: “…?”

Ik: “Precies dat, stil zijn, je automatische reacties voor je houden, en bevragen wat er aan de hand is. Dat kun je ter plekke doen of anders later op een rustig moment. Realiseer je dat dat waarschijnlijk ongemakkelijk of onprettig voelt, omdat je iets anders doet dan voorheen.”

Cliënt: “Okee, dat klinkt aanlokkelijk…maar ik zal het wel doen, want ik zie wel dat er iets moet veranderen. Dus nu zijn we van autoriteitsprobleem hier terechtgekomen…??”

Ik: “Ja, hoe vind je dat?”

Cliënt: “Ehm nou, wel wonderlijk, ik had dat niet verwacht.”

Ik: “Zijn we wel op de goede weg denk je, geef het gerust aan als je nog iets mist?”

Cliënt: “Nee, het is goed dit.”

Ik: “Dan toch nog even terugkomend op where it all started: het autoriteitsprobleem. Naast het proces van stil staan en onderzoeken wat we net hebben besproken, kunnen we dat autoriteitsprobleem nog wat creatiever benaderen. Au-to-ri-teits-pro-bleem, wat een gek woord eigenlijk, het is een nogal grofkorrelige samenvatting van een geheel aan elementen uit de werkelijkheid. Zo wordt de gedachte ‘ik heb een autoriteitsprobleem’ een probleem op zich als je die gedachte als gedachte te veel autoriteit geeft. Uiteindelijk heb je dan ook daadwerkelijk iets wat je als een probleem ervaart. We zagen al dat het gaat om de autoriteit van anderen én om die van jezelf, en daarnaast kunnen we abstracter zien dat het woord ‘autoriteitsprobleem’ zichzelf als probleem in stand houdt. Op microniveau, in de zin van op het niveau van jouw menselijke ervaring op een moment in de tijd en ruimte, beschrijft het precies de kern van het probleem, namelijk wat in jou geef je wanneer welke autoriteit?”

Cliënt: “Goede vraag! Tot over twee weken!”

Het autoriteitsprobleem

Dit gesprek is gebaseerd op de problematieken die cliënten en andere personen aangeven te ervaren in contact met anderen. Het autoriteitsprobleem is een veelgehoord en actueel ervaren probleem.

Hoogbegaafd! Werk & Ondernemen

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Over niet gemiddeld zijn denken we niet gemiddeld?

By | april 3rd, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Een gemiddeld IQ is 100. Iemand met een IQ van 70 valt op. Die is niet gemiddeld. En veel mensen zullen zo iemand ietwat raar vinden. Al zeggen we dat meestal niet want dat hoort niet. Wel vinden we het vaak logisch dat we deze mensen begeleiding bieden. Een beschermde werkplek. Een begeleider, een coach.

Iemand met een IQ van 130 valt ook op. En velen van ons vinden ‘dit soort mensen’ ook raar. Alleen lijkt dat rare lastiger onder woorden te brengen. Omschrijvingen variëren:  ‘stelt vaak vreemde vragen’, ‘weet alles beter’, ‘is niet erg sociaal’, ‘maakt alles zo ingewikkeld’. Voor deze mensen geen beschermde werkplekken, geen ondersteuning.

Als ik vervolgens vraag wat voor beeld iemand heeft van ‘een hoogbegaafde’ dan komt er vaak een omschrijving als ‘zo’n superslimme die alles weet, zo’n professor’. Niet zelden gevolgd door ‘met zo’n brilletje’. Doorpratend heeft mijn gesprekspartner vaak het idee dat het ideaal is om hoogbegaafd te zijn: dan kun je alles en lukt alles. Als ik dan het verband leg tussen hoogbegaafdheid en die ene medewerker die hij als ‘raar’ heeft bestempeld krijg ik in eerste instantie vragende blikken. Gelukkig krijg ik regelmatig ruimte om meer uitleg te geven over hoogbegaafdheid en de – heel diverse – kenmerken daarvan. Op dat moment zie ik meer begrip ontstaan bij mijn gesprekspartner.

In de praktijk zie ik vervolgens dat we iemand met een IQ van 70 begeleiden, omdat we zien dat hij niet met het gemiddelde mee kan. Terwijl iemand met een net zo niet gemiddeld IQ van 130 zich maar moet redden. Blijkbaar verwachten we dat hij maar moet doen alsof hij gemiddeld is? En dat lukt dus vaak niet. En ergens snap ik dat ook wel: iemand met een IQ van 100 kan zich wel aanpassen aan iemand met een lager IQ. Maar niet aan iemand met een hoger IQ, simpelweg omdat hij daar niet bij kan. Misschien zouden we daar meer begeleiding voor kunnen organiseren…?

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Ingeborg de Keizer via >>Eigen Meerwaarde<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Hoogbegaafden: stem zorgvuldig, stem medemenselijk, stem voor diversiteit

By | maart 15th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Exit Poll na 15 maart: Hoe zou de Tweede Kamer eruit zien als alleen hoogbegaafden zouden stemmen?

Aantal respondenten: 339
Niet-blanco respondenten: 338 (99.7%)

GroenLinks
76 stemmen
22.5%
34 zetels (TK: 14)

D66
62 stemmen
18.3%
28 zetels (TK: 19)

VVD
39 stemmen
11.5%
17 zetels (TK: 33)

PvdD
35 stemmen
10.4%
16 zetels (TK: 5)

SP
27 stemmen
8.0%
12 zetels (TK: 14)

FvD (Forum voor Democratie)
24 stemmen
7.1%
11 zetels (TK: 2)

CDA
16 stemmen
4.7%
7 zetels (TK: 19)

ChristenUnie
15 stemmen
4.4%
7 zetels (TK: 5)

Piratenpartij
12 stemmen
3.6%
5 zetels (TK: 0)

PvdA
8 stemmen
2.4%
4 zetels (TK: 9)

PVV
5 stemmen
1.5%
2 zetels (TK: 20)

SGP
4 stemmen
1.2%
2 zetels (TK: 3)

GeenPeil
4 stemmen
1.2%
2 zetels (TK: 0)

Nieuwe Wegen
3 stemmen
0.9%
1 zetel (TK: 0)

LP (Libertarische Partij)
3 stemmen
0.9%
1 zetel (TK: 0)

Artikel 1
2 stemmen
0.6%
1 zetel (TK: 0)

Kiesdrempel niet gehaald

DENK (TK: 3)
Vrijzinnige Partij (TK: 0)
Niet Stemmers (TK: 0)

Elk 1 stem
0.3%
Geen zetels

Helemaal niet op gestemd

50Plus (TK: 4)
Ondernemerspartij (TK: 0)
VNL (VoorNederland) (TK: 0)
DBB (De Burger Beweging) (TK: 0)
Lokaal in de Kamer (TK: 0)
Jezus Leeft (TK: 0)
StemNL (TK: 0)
MenS en Spirit / Basisinkomen Partij / V-R (TK: 0)
VDP (Vrije Democratische Partij) (TK: 0)

Nederland is in de ban van de verkiezingen en de hoogbegaafden die ik ken zijn in de stemming om te gaan stemmen. Van hoogbegaafde niet-stemmers heb ik nog niet gehoord. Ik ben benieuwd naar het stemgedrag van hoogbegaafden. Natuurlijk kan ik niet controleren of alle stemmers die deze poll invullen wel hoogbegaafd zijn, maar het geeft een idee. Je keuze motiveren? Reageren kan onder dit bericht.

Welke partij zet zich volgens jou het beste in voor het welzijn van hoogbegaafden als onderdeel van de totale diversiteit in Nederland?

Om je een handje te helpen onderzocht en vergeleek Dorien Kok partijstandpunten over onderwijs aan hoogbegaafden. Niet alleen keek ze naar de al zittende partijen, ook voegde ze voor een eerlijke vergelijking de nieuwkomers toe. Ze keek daarvoor naar de partijprogramma’s en benaderde de partijen rechtstreeks. Ze vroeg of partijen achter ondersteuning van programma’s en speciaal onderwijs voor hoogbegaafde kinderen staan, en zo ja, hoe ze dachten dit concreet te gaan invullen. Verder vroeg ze om standpunten over de problematiek rond de extra kosten voor ouders en het tekort aan benodigde expertise voor het realiseren van speciaal onderwijs voor hoogbegaafde kinderen.

Let hierbij op de opvattingen van partijen over de definitie van hoogbegaafdheid en over de behoeften van hoogbegaafden, en wat daarbij nog te behalen valt. Bedenk vanuit deze basis ook welk partijprogramma het prettigst zou zijn voor hoogbegaafde volwassenen, aangezien hoogbegaafdheid niet ophoudt te bestaan na de schoolcarrière. Dus: niet alleen passend onderwijs, maar ook passend werk en een passende ruimte om divers te mogen zijn voor hoogbegaafden van alle leeftijden.

Misschien een stoute droom, maar van welke partijen verwacht je dat ze in zee kunnen gaan met een Regenboog Stembusakkoord, maar dan voor hoogbegaafden?

In het regenboogakkoord zijn afspraken vastgelegd over de emancipatie van LGBTIQ+ mensen. Een van de belangrijkste punten is de uitbreiding van artikel 1 van de Grondwet, waarin duidelijker moet worden opgeschreven dat discriminatie op basis van gender- en geaardheidsdiversiteit verboden is.

Van de voor het regenboogakkoord uitgenodigde partijen ondertekenden VVD, PvdA, D66, SP, GroenLinks, 50Plus, PvdD en Artikel 1, stond het CDA er gedeeltelijk achter, en wilden de PVV, ChristenUnie, SGP en Denk niet meedoen. Van de niet-uitgenodigde partijen weet ik dat ook de Piratenpartij zich achter de standpunten van het Regenboogakkoord schaart. Let dus vooral ook op de nieuwkomers die momenteel (nog) niet vertegenwoordigd zijn in de Tweede Kamer, maar in de toekomst misschien waardevolle spelers kunnen worden in deze politieke arena.

Hoogbegaafden: stem zorgvuldig, stem medemenselijk, stem voor diversiteit.

Heel Nederland: stem zorgvuldig, stem medemenselijk, stem voor diversiteit.


© Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

ICT onderwijs – Kijk verder dan je neus lang is

By | maart 12th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Kleuters krijgen plaatjes voor ogen om kleuren te leren. Een tomaat is rood. Snelle peuters krijgen deze eerder voorgeschoteld. Sommigen leren door te zaaien, zien groeien en oogsten, dat er ook groene tomaten bestaan. Weinigen leren dat er ook paarse tomaten bestaan.

Het is precies zo met ICT onderwijs. Schoolgaande kinderen leren o.a. Wikikids gebruiken om informatie op te zoeken ten behoeve van leerdoelen. En ze kijken veel, zonder toezicht, naar YouTube filmpjes. Daarin krijgen ze eenzijdige voorgevormde informatie, en sluikreclames onder ogen, die ze niet in twijfel leren trekken.

Kinderen behoren ervan uit te mogen gaan dat de voorgeschotelde en door hen te vinden beschikbare informatie correct en ook compleet is. Internet is wat dat betreft mijlenver verwijderd van de ‘ouderwetse’ encyclopedia (die door vele professionals was gezien en herzien alvorens deze werd gepubliceerd). Of niet? Hebben wij als ouders en onderwijzers ook de taak om hen te onderwijzen dat er ook valse informatie en kennis bestaat en hoe dat te onderscheiden van juiste of op zijn minst gecontroleerde informatiebronnen?

Ik kies voor het laatste, met oog op veiligheid en bewustwording van veiligheid. Ik leer mijn kind dus:

Ja, een tomaat is rood, maar zoek door en kijk verder, want wie weet leer je meer.

Hoogbegaafd! Onderwijs

Nederland

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Laura via >>Ik wil de hele wereld kleuren<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Het bewaken van je capaciteiten

By | maart 12th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

In de academische gemeenschap dansen degenen met tijdelijke aanstellingen op een vulkaan. Om de zoveel tijd rommelt hij weer en een uitbarsting ligt steeds op de loer. Dan is het maar de vraag wie er blijft en de vruchtbare aarde rondom de vulkaan belangrijker vindt dan de periodieke uitbarstingen, en wie er überhaupt mag blijven zaaien en oogsten.

De immense bibliotheken zijn ontruimd en gevuld met placebo’s als pleisters op een wond die niet wil stoppen met bloeden. In mijn eentje kan ik het systeem niet veranderen, maar ik kan ook niet achterover leunen en klagen zonder zelf iets te ondernemen, of denken dat anderen het voor me oplossen. Ik ben mijn eigen handreiking, uitgeput als ik ben. Met mijn laatste energie bewaak ik mijn capaciteiten, om van daaruit nieuwe energie op te doen.

Lang genoeg heb ik vanuit een afhankelijkheidsrelatie mensen gevoed in hun negatieve gedrag. Ik stond erbij en had ze in de gaten, maar was nog niet in de positie daar zelf wat aan te veranderen zonder dat dat consequenties zou hebben voor die positie.

Ik wil niet langer zwichten voor wie mijn capaciteiten wil gebruiken voor eigen gewin, ten koste van mezelf. Eerzucht voor de korte termijn is snel betrapt. Ik ben niet onder de indruk van clichéverspreiders die denken het ultieme wiel te hebben uitgevonden, doen alsof ze de normenmessias zijn, of credit claimen voor mijn ideeën. Ik ben geen product, geen gereedschap, geen resultaat, geen vervangbare wegwerpmedewerker die je door de kapitaalversnipperaar haalt omdat ze haar turbomotor niet kan afremmen. Ze zullen merken hoe zonder mij niets meer hetzelfde is, en vastlopen in hun opportunisme. Van een lege akker kan je niet oogsten. Ik heb mijn vruchten elders geplant. Mijn bloei zal ze nog lang bijblijven.

Ik ben de enige die bepaalt dat ik rijp genoeg ben voor “de wereld” en dat laat ik me ook niet voorschrijven door mensen die toevallig door het grotere aantal jaren op deze aardkloot een hoger toerental hebben. Wie dat voor me wenst te bepalen heeft niet door dat de kopgroep al lang uit hun zicht is verdwenen. Ik hoef niet te luisteren naar zelfverklaarde autoriteiten die denken dat ze voorgoed gebakken zitten. Het lijkt me saai om zo gestagneerd te zijn terwijl de mensenconstellaties om me heen zich continu ontwikkelen.

Met trots treed ik in de voetsporen van inspirerende voorgangers, maar met nog meer trots trek ik mijn eigen spoor. Ik zal durven en winnen, zonder een spoor van verliezers achter te laten. In plaats daarvan voed ik geen gedragingen die me niet aanstaan. Het is het jaar van de zoete geur die ik niet vergeet, maar waarvan ik niet precies weet waar hij vandaan komt of naartoe gaat.

Als mijn eigen undercover sla ik gade hoe niets hetzelfde is en er niets is veranderd. Ik omarm wat er altijd al was en zie dat ook steeds beter. Alleen in mijn handschrift staat straks mijn verhaal, om er achter te komen dat ik al jaren aan het schrijven was.

Hoogbegaafd! Zeer hoogbegaafde volwassenen

 Intake


© Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Week van de hoogbegaafdheid 11-19 maart 2017?

By | maart 9th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Hoogbegaafdheid op een positieve manier onder de aandacht brengen. Dat is het doel van de Week van de hoogbegaafdheid die van 11-19 maart wordt gehouden. Goed idee denk ik dan meteen. En direct daarna: of toch niet?

Er vinden ‘allerlei activiteiten’ plaats volgens de website Week van de Hoogbegaafdheid. Zo zijn er boekentafels in bibliotheken. Lezingen. Boekpresentaties. Informatiebijeenkomsten. Maar, euh, bevestigen dat soort activiteiten nou niet juist het beeld dat veel mensen hebben van hoogbegaafden…? Nerds, met brilletjes op, boekenwurmen, betweters.

Hoogbegaafdheid is zoveel meer! Naast intelligentie zijn intrinsieke motivatie en creativiteit belangrijke onderdelen. En hoogbegaafden hebben vier belangrijke kenmerken: rechtvaardigheidsgevoel, gevoeligheid, kritische instelling en de neiging om de lat (te) hoog te leggen. Afhankelijk van hun omgeving en de interactie daarmee vindt ‘de hoogbegaafde’ zijn weg wel of niet. Tessa Kieboom schrijft daar mooie dingen over. Sja, dus toch een boek…

Ongeveer 2-3% van alle mensen is hoogbegaafd. De kans is dus heel groot dat je er een in het echt gezien hebt! Daar zullen ook echt wel nerds tussen zitten. Maar vergis je niet. Ik heb inmiddels veel hoogbegaafden gezien die helemaal niet opvallen. Of die gedrag vertonen waarbij de meeste mensen geen link leggen met hoogbegaafdheid. Onder hoogbegaafden zie je dus net zoveel verschillende mensen als onder anders-begaafden. Het zijn net gewone mensen. En omdat we ons dat niet altijd realiseren is het toch goed dat er een Week is waarin hoogbegaafdheid op een positieve manier wordt belicht. Al zou dat toch ook op een minder stereotype manier moeten kunnen. Toch? Of is dat dan weer betweterig……

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Ingeborg de Keizer via >>Eigen Meerwaarde<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Wijsneus, betweter, bijdehandje

By | maart 5th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Bijna niemand heeft er problemen mee om hoogbegaafden openlijk irritant te noemen, en ze te pas en te keur bijnamen te geven. Vele hoogbegaafde kinderen en tieners worden op school gepest en buitengesloten. Dit gebeurt op volwassen leeftijd op de werkvloer en op latere leeftijd in verpleegtehuizen meestal nog. Meisjes passen zich aan en verliezen daarmee hun zelfbeeld, jongens sluiten zich af en krijgen vervolgens het verwijt dat ze sociaal onhandig zijn.

Scholen voor voltijds hoogbegaafdenonderwijs selecteren aan de poort, in veruit de meeste gevallen, op een harmonieus profiel zonder leerproblemen of beperkingen. Deze scholen vragen vaak een hoog schoolgeld en zijn in vele regio’s simpelweg niet aanwezig. Kinderen uit een minder draagkrachtig gezin, met een beperking, of met een asynchrone ontwikkeling vallen daar, net als bij de meeste plusklassen, buiten de boot.

Plusklassen: een dagdeel per week onderwijs op niveau, vaak ook gebruikt om de schade ontstaan door constant beneden eigen niveau te moeten werken op te lossen. Deze zijn ook niet op alle lagere scholen aanwezig. Je bent niet deeltijd hoogbegaafd, waarom krijg je dan wel deeltijd les op passend niveau?

De reguliere GGZ en jGGZ hebben in de regel gebrekkige kennis van hoogbegaafdheid en hoogsensitiviteit en zijn, met oog op hoogbegaafdheid, vaak schuldig aan DSM misdiagnoses. Ze zijn, uitzonderingen daargelaten, dan ook niet de meest geschikte behandelaars van hoogbegaafden met een specifieke hulpvraag of met een grote behoefte aan ondersteuning. Dit levert onnodig leed op en heeft veelal niet noodzakelijke extra schade tot gevolg. De kosten: je zult inmiddels niet meer verbaasd staan, maar die zijn in de meeste gemeenten en via zorgverzekeraars volledig voor de ouders van de hoogbegaafde kinderen of de hoogbegaafde zelf.

Discriminatie is het ongelijk behandelen, achterstellen of uitsluiten van mensen op basis van (persoonlijke) kenmerken. Er kan bijvoorbeeld onderscheid worden gemaakt op afkomst, sekse, huidskleur, seksuele voorkeur, leeftijd, religie, handicap of chronische ziekte. Discriminatie is niet het maken van onderscheid, maar van verboden of onredelijk onderscheid.

Er zijn twee vormen van onderscheid:

  • Direct onderscheid: als iemand vanwege persoonlijke kenmerken of eigenschappen anders wordt behandeld. Dit is altijd verboden, tenzij de wet een uitzondering maakt.
  • Indirect onderscheid: als een neutrale bepaling, regel of handelswijze specifieke gevolgen heeft voor een groep mensen met één of meerdere van de in de gelijke behandelingswetgeving genoemde kenmerken of eigenschappen. Dit is in beginsel verboden, tenzij er een objectieve rechtvaardiging voor is.

De stap richting oplossingen voor de groep hoogbegaafden, die zo’n 2-5% van de Nederlandse bevolking beslaat: aanpassing van de Grondwet. Zodat discriminatie op basis van cognitief vermogen niet is toegestaan in ons land.

Ben jij zelf hoogbegaafd, werk je met hoogbegaafden en ervaar jij discriminatie op één of meerdere vlakken? Meld dit. Individuele casussen worden niet aangenomen, maar bij meerdere meldingen moet onderzoek worden gedaan.

Meldformulier discriminatie

Hoogbegaafd! Onderwijs

Nederland

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Laura via >>Ik wil de hele wereld kleuren<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Hokjesgeest uit de fles?

By | februari 28th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Ligt dit aan mij? Ben ik de enige die niet erg uit de voeten kan met hokjes binnen organisaties? En dan bedoel ik het hokjesdenken in functies. Functiebeschrijvingen. Functiehuizen. Functiewaardering. En dan het liefst eenheidsworst. Met ‘7 resultaatgebieden’ en ’12 competenties’ waar iedereen die die functie uitoefent aan moet voldoen. Medewerkers passen helemaal niet in dat op papier beschreven hokje. En er zijn altijd stukjes van andere hokjes die juist wél goed passen bij die medewerker. Maar ja, in dat hokje zat hij nou net niet. Enige optie lijkt te zijn: formeel overstappen naar het andere hokje. Maar dan mist hij weer de dingen uit dat ene hokje waar hij juist blij mee was.

Waarom kijken we niet veel vaker naar wat mensen boeit? Waar ze energie van krijgen? Waar zijn kerntalenten liggen? En zorgen we dat we de puzzel (lees: al het werk dat ons te doen staat) samen oplossen?

Overigens zit echt niet alleen ‘het systeem’ deze manier van denken in de weg. In de praktijk merk ik dat juist medewerkers zelf moeite hebben met deze zienswijze. ‘Want dat is toch niet eerlijk?’ Termen als ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ hoor ik dan regelmatig. Als ik daarop doorvraag blijkt er doorgaans angst of jaloezie achter te zitten. Anderen krijgen kansen die zij ook graag willen. Gesprekken hierover leveren vaak heel veel inzicht én energie op. Ik probeer mensen in mijn teams altijd te stimuleren hun ideeën en wensen bespreekbaar te maken. En natuurlijk, ik ben realistisch genoeg om te weten dat niet al het werk precies goed verdeeld kan worden. Maar mijn ervaring is ook dat we gezamenlijk héél ver komen. En daar is iedereen blij mee!

Wat de link is met hoogbegaafdheid? Ik denk dat hoogbegaafden per definitie niet in de eenheidsworsthokjes passen. Als organisaties in staat zijn om mensen ruimte te geven in denken en doen, dan komt iedereen – en vooral die hoogbegaafde medewerker – veel beter tot zijn recht. De hokjesgeest moet uit de fles!

Hoogbegaafd! Werk & Ondernemen

Lid worden


© Ingeborg de Keizer via >>Eigen Meerwaarde<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Transfer

By | februari 21st, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

De vraag kwam of ik een kort stukje over transfer in combinatie met hoogbegaafdheid wil schrijven. Het is 02:30 uur en ik zet mijn laptop wel even aan, van uitstel komt afstel of anders verdrinkt het idee tussen de tig andere projecten en opdrachten tijdens deze voorjaarsvakantie.

Een paar nachten geleden (ja, inderdaad, ik ben nogal nocturnal), had het volgende voorval plaats. Een snurkend 6-jarig kind na eerste les schaken mompelt in zijn slaap:

“Als je een toren op zijn kop zet, is het geen dame. Dus al ga je liegend op je kop staan, dan wordt het nog geen waarheid… Leuke droom joh!”

Voor de mensen minder bekend met schaken: Als je pion aan de overkant komt, mag je die vervangen door een dame, een toren of een loper.

Kort uitgelegd in de context van hoogbegaafdheid betekent dit:

De transfer houdt in dat er betekenis wordt verleend aan een leerprincipe in andere contexten en het toepassen in andere contexten van de geleerde stof dan de context waarin het leerprincipe is toegepast. Hoogbegaafden, dus ook 2E (twice exceptionals: hoogbegaafden met een beperking), hebben het vermogen die transities enorm snel te maken. Dit staat overigens los van de meetbare verwerkingssnelheid zoals die bekend is van IQ test.

Met andere woorden, beperkingen bepalen de transfersnelheid van nieuwe concepten en de mogelijkheden deze toe te passen niet, maar hoogbegaafdheid beïnvloedt de snelheid van transfers wel.

Van Doorn E, Van Loo F, 2013. Basisboek Mediërend leren. Uitgeverij Boom, Amsterdam, Nederland.
Van Doorn E, Van Loo F, 2016. TIBtools. Zet in op de ontwikkeling van cognitieve functies! Instondo, Dordrecht, Nederland.
Webb JT, 2016. Misdiagnosis and dual diagnoses of gifted children and adults. ADHD, Bipolar, OCD, Asperger’s, Depression, and other disorders. 2nd edition. Great Potential Press, Tucson, USA.
Whitley MD, 2001. Bright minds, poor grades. Understanding and motivating your underachieving child. Penguin Putnam Inc., USA.

© Laura | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Gezien in onzichtbaarheid

By | februari 13th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Toen ik de trein naar Amsterdam al was ingestapt, werd er opgeroepen dat de trein niet verder zou rijden dan Almere Centraal. Er was een “aanrijding met een persoon”.

Daar aangekomen was het een chaos. Waar normaal de treintijden te zien zijn, stond nu “wacht op oproep”.

Ik droop af, dwaalde het tochtige centrum van de stad zonder hart in, de ongebonden plaats met het fijne huis. Belde mijn afspraak af.

Ik voelde er niets voor om tussen het oponthoud de kreten te horen over gemiste aansluitingen en hoe asociaal het zou zijn om zelfmoord te plegen op het spoor. Toegegeven, er zijn andere mogelijkheden, en aan preventie valt nog veel te doen.

Niet iedereen vindt aansluiting in deze verharde, gepolariseerde maatschappij. Niet iedereen houdt het vol tussen het ellenbogenwerk en geroeptoeter, het baas boven baas, tussen de tegenstrijdige belangen, verstrengeld in een ongezien zijn vanuit het individualisme. Waarom zetten we niet sterker in op respect voor diversiteit?

Dwalend door de stad zag ik een leuke trui aan een etalagepop. Ik ging naar binnen om de trui te passen, en kocht hem samen met eenzelfde trui in een andere kleurstelling, omdat geen dag hetzelfde is.

Terug bij het station hoorde ik nog steeds oproepen, dus pakte ik de bus.

Elke keer als ik deze truien draag, draag ik een stukje mee van wie het dan ook was die het vandaag niet meer zag zitten, maar vanochtend nog opstond, voor de laatste keer. Zo is er vanuit de anonimiteit tenminste iemand die hem/haar niet vergat en in stilte haar stem verhief.


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Puzzelstukjes op z’n plek – 3

By | januari 26th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Werk

Ik keek ontzettend uit naar het klaar zijn met school. Geen docenten of huiswerk. Niet continue bezig moeten houden met zaken die me opgedrongen werden. Helaas bleek het ‘eindelijk werken’ niet zo heel veel te verschillen van school.

Van folders lopen, (ochtend)kranten bezorgen, oppassen, een blauwe maandag op de slagers afdeling van een supermarkt en een nog iets blauwere maandag in de bediening van een Grieks restaurant, kwam ik vlak na mijn mavo examens bij De Waarbeek terecht. Tot het einde van de zomervakantie zes dagen in de week werken van ’s ochtends tot het einde van de middag en daarna de weekenden. Ik vond het geweldig. Het contact met de kinderen en de ouders. Het gek mogen doen, verantwoordelijk voelen en er betaald voor worden. Hoewel het absoluut niet een perfecte werkgever bleek te zijn, heb ik er de tijd van m’n leven gehad.

Collega’s kon ik het op werk best goed mee vinden. Ik kwam er daar in de jaren (in totaal heb ik er 4 seizoenen gewerkt) wel achter dat ik voor anderen al snel een luisterend oor bleek te zijn. Wat mensen niet graag wilden delen met anderen, konden ze bij mij wel kwijt. Niet geheel zonder verrassing van de personen die iets met mij deelden overigens.

In mijn laatste jaar daar heb ik met mijn baas gesproken over voor vast aan blijven. Geen seizoenswerk meer, maar een parttime baan voor het hele jaar. Er bleek een andere collega geïnteresseerd te zijn in precies hetzelfde, maar dat zou overlegd worden zodra de persoon waar de fulltime baan mee gedeeld zou worden weer terug was van vakantie. Zodra die persoon terug was, kreeg ik van haar te horen dat de andere gegadigde de baan had gekregen. Niet omdat ze beter gekwalificeerd was, of omdat ze beter in het team paste. Nee, ze bleek beter in het ‘slijmen’ met de baas. Uit protest heb ik toen ontslag genomen. Niet lang daarna gaf ik aan dat als ze nog iemand zochten om mijn wegvallen tot het einde van het seizoen op te vullen, dat ik dan wel terug wilde komen. A girl’s got to pay for school.

Kort gezegd voelde dat hele gedoe ontzettend rot. Ik had die jaren mijzelf gegeven in de taken die ik kreeg. Hoewel veel ouders en leerkrachten dit vaak niet deden, nam ik mijn baan en de verantwoordelijkheid over de mensen in de attractie die ik bediende ontzettend serieus.

Toen de herfstvakantie dat jaar was afgelopen, was ik wel een diploma rijker, maar tegelijkertijd inkomsten kwijt. Omdat ik mijn inkomsten kwijt was vanwege seizoenswerk en niet doordat ik ontslag had genomen, had ik een uitkering bij het UWV aangevraagd. Om de periode naar de volgende baan een beetje te versoepelen. Bij de afspraak daar kreeg ik drie vacatures mee die me ‘voor zolang het duurt’ wel leuk leken. Eentje van een bakker, de tweede van een nieuwe KFC vestiging en de laatste van een kledingzaak. Van de eerste twee stuurde ik het formulier terug met de melding dat ik niet had gesolliciteerd, omdat het vele staan me niet verstandig leek met mijn knieën. De derde heb ik wel op gesolliciteerd.

Toen ik een tijd later bij het UWV ging informeren over mijn uitkering kreeg ik te horen dat ik was uitgeschreven, omdat ik op niet had gesolliciteerd op de functies die ik had meegekregen. Ontzettend fijn dat me was medegedeeld dat ik verplicht was om op die vacatures te solliciteren *ahum* dat was me dus niet verteld tijdens de afspraak waar ik de betreffende vacatures overhandigd kreeg.

Gelukkig werd ik aangenomen bij de kledingzaak. De functie? Magazijnmedewerkster voor 25u per week. Bij drukte zou ik een helpende hand moeten geven in de winkel zelf. De afwisseling daarin leek me wel leuk.

Het vroege opstaan (en beginnen om half acht) dat ‘wel zou wennen’ bleek in de 2,5jr dat ik er werkte absoluut niet te wennen. Ik vond het vre-se-lijk, ben echt een avondmens. Het werk an sich was best te doen. Veel in beweging, iedere dag nieuwe aanvoer dat tussen de bestaande voorraad gehangen moest worden (alles op artikelnummer), artikelnummers om (vooral onbewust) te onthouden en afwisselend in de winkel staan (paskamers of bij de kassa) en klanten helpen. Het grootste nadeel was dat er onderling ontzettend veel geroddeld werd en de store manager duidelijk boven haar kunnen functioneerde en dit graag afscheepte op andere zaken. Ze heeft mij er ooit van beschuldigd dat ik ‘als een kip zonder kop’ door het magazijn liep, terwijl ik oprecht gewoon lekker bezig was. Normaal heen en weer liep om de nieuwe toevoer tussen dat wat er al was te krijgen. Terwijl zij diezelfde periode duidelijk gestressed (strak gespannen huid in haar gezicht, haar haren wilder dan het ’s ochtends bij aankomst was) rondliep. Er is me daar veel verweten, ben erg vaak voor ‘minder’ aangezien en dus zocht ik tijdens mijn contract naar ander werk.

Voor mijn contract bij de kledingzaak was afgelopen, kon ik terecht bij de telefonische helpdesk van een ISP. Het viel wel in mijn straatje van techniek, technische kennis, feiten in combinatie met contact met echte mensen.

Een van de leukste gesprekken die ik daar heb gehad was met een vrouw van een jaar of 80. Ik kreeg haar aan de telefoon met de melding dat ze geen internet had, aan het einde van het gesprek (een minuut of 40 later) had ze weer internet en was ze zo trots als een pauw: ze had het maar mooi zelf (met een beetje hulp) geflikt. Dat soort gesprekken deed ik het voor.

Door wijziging van team kwam ik van gehamer op mijn gesprekstijden in een (op een later punt) outbound team. Nou ben ik totaal geen fan van outbound moeten bellen, maar in dit geval had het totaal niets te maken met onhandige gesprekken op onhandige tijdstippen. We mochten klanten bellen om te helpen met hun installatie. Geen gedoe met gesprekstijden, verkoop etc. Gewoon echt mensen helpen met het probleem dat ze ervoeren.

Na een tijdje werd de officieuze Supervisor vervangen. De persoon die het over mocht nemen? Ik. De plek waar ik het te horen kreeg? Mijn bruiloft. Ik kreeg het te horen nadat ik bij mijn baas en collega’s (zij waren aanwezig op het feest ’s avonds) aan het hangen was en praatte over werk.

Op een gegeven moment kwam het project ten einde. Onze teamleider ging naar een andere werkgever. Ik had besloten dat ik fulltime ging ondernemen. De laatste paar weken dat ik daar werkzaam was, mocht ik al mijn uren gebruiken om nieuwe instroom te begeleiden.

Begin 2008 was ik al begonnen met mijn eigen onderneming Illutic WebDesign (waarbij illutic een samenvoeging was van de woorden fantastic en illusion). Na ongeveer een half jaar stopte ik bij mijn werkgever, omdat het combineren erg lastig werd.

In eerste instantie vond ik het ondernemen heerlijk. Ik deed wat ik leuk vind, verdiende best aardig en zat niet met opgelegde werktijden. Ergens tussen midden en eind 2009 bleek ik zwanger te zijn, eind februari kon ik mijn zoon verwelkomen.

Tijdens mijn zwangerschap kwam ik in aanraking met onvoorwaardelijk ouderschap. Een manier van omgaan met je kinderen waarin de onvoorwaardelijkheid in liefde niet alleen door de ouder gevoeld wordt, maar juist ook door het kind. De ouder-kind relatie staat erin centraal. Ik wilde niet te snel weer aan het werk, om mezelf en mijn zoon rust te geven. Daarnaast zijn lang niet alle kinderdagverblijven erop ingericht dat kindjes op hun eigen aangeven voeding krijgen (voeding op verzoek) en/of gaan slapen (slapen op verzoek). Rond een half jaar na zijn geboorte ging mijn zoon voor het eerst naar het kdv, een paar maanden daarna zochten we een gastouder omdat de zaken die wij belangrijk vonden niet volledig mogelijk bleken bij het kinderdagverblijf.

Toen de gastouder gevonden was, werkte ik 3 dagen in de week met opvang. De resultaten die ik voor de zwangerschap had gehaald heb ik met die werkzaamheden nooit kunnen evenaren.

Halverwege 2015 sprak de vader van mijn zoon uit dat hij wilde scheiden. In eerste instantie voelde het als een schok. Tijdens datzelfde gesprek klonk het al logisch. Achteraf zou blijken dat het niet goed zitten van onze relatie de oorzaak was van waarom ik praktisch niks uit mijn vingers kreeg. Al die tijd wist ik dat er íets was, de vinger erop leggen lukte echter niet.

Om inkomsten te genereren moest ik weer gaan werken. Doodeng vond ik het. Solliciteren was ik niet goed in, omdat ik mijn sterke en zwakke punten niet goed kon verwoorden. Mezelf ‘verkopen’ vond ik vreselijk. Imposter syndrome alert! Hoewel ik heus wel wist dat ik niet dom was, dat ik echt wel over een pak kwaliteiten beschikte, kon ik die niet echt opnoemen. Kennis? Ja, die had ik wel. De wil en mogelijkheid om bij te leren? Ook, absoluut. Maar ja, wat viel er verder te melden? De match leek iedere keer toch niet goed te zijn en wat (of meer: wie) was daarin de gedeelde factor?

Ik kwam een vacature tegen van (wederom) een callcenter. Het eerste project waar ik voor solliciteerde werd ik voor afgewezen. De reden? Ze hadden het idee dat ik me erg snel zou gaan vervelen. Het tweede project (zelfde bedrijf) werd ik wel voor aangenomen.

Ondertussen werk ik er ruim een jaar. Binnen de eerste paar maanden dat ik er zat heb ik een begin gemaakt aan een systeem dat nu op alle locaties van dat project wordt gebruikt. Het is uitgegroeid tot iets onmisbaars. Ik heb er meerdere skills bij gekregen, een hoop ontzettend leuke collega’s.

Is dit ook mijn eindstation? Zeker niet. In het afgelopen 1+ jaar heb ik op een veel dieper niveau kennis mogen maken met mezelf. Heb geleerd wat ik te bieden heb, mezelf leren echt te waarderen voor wie ik ben. Mezelf leren te accepteren voor wie ik ben. Mijn ‘nieuwe’ partner heeft daar een ontzettend groot aandeel in gehad, net als een paar specifieke collega’s.

Dromen die ik jaren geleden afzonderlijk al had zijn samen gekomen en ik weet welke kant ik op wil. Ik was altijd al een groot dromer, het verwezenlijken ervan is dus niet zo even gedaan. Maar met de mensen die ik nu om me heen heb, de kennis die ik over mezelf heb vergaard, weet ik dat het slechts een kwestie van tijd is.

Deel 1 – Deel 2


© Hiranthi Herlaar via >>Hoogbegaafd Ouderschap<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Puzzelstukjes op z’n plek – 2

By | januari 25th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

In een levensverhaal, één grote puzzel is het gemakkelijk om stukjes over te slaan. Naderhand valt het je op, aangezien er stukjes ontbreken. Daar moet je echter wel een groot deel van de puzzel al voor klaar hebben. Het was eigenlijk de bedoeling hier de puzzelstukjes van mijn zoon te beschrijven. In plaats daarvan ga ik wat missende stukjes van mij alsnog noemen. Dat helpt ook weer voor zijn puzzel.

Poppenmoeder

Ik geloof dat het mijn derde verjaardag was dat ik een jongetjespop kreeg. Pukje. Ik was op slag verliefd, zoals peuters dat kunnen. Ik had wel te horen gekregen dat ik de pop niet mee mocht nemen naar buiten, maar ik wilde de pop zo graag laten zien. Uiteraard de pop zelf ook wat buitenlucht geven, want dat hoor je te doen als goede poppenmoeder 😉

Vlakbij het huis was er een boogklimrek. Zo eentje met verschillende ‘ladders’, in metaal. Ik zie nog zo voor me hoe een oudere jongen de pop van me afpakt, tegen het klimrek aan slaat en de verschillende onderdelen verspreid in de buurt, bij voorkeur in achtertuinen over de schutting heen. Compleet kapot doordat iemand mijn prachtige bezit zo afpakte en kapot maakte. Tegelijkertijd in paniek, want ik mocht de pop niet meenemen naar buiten. Hoe ga ik dit uitleggen aan papa en mama?

Het enige dat we terugvonden van de pop was een armpje. De rest van de onderdelen waren niet meer te vinden. Jaren later zou ik de route die genomen werd om de onderdelen te verspreiden, welke tuinen er iets in ging nog aan kunnen wijzen.

School

De jaren op de basisschool had ik al continue een ontzettend duaal gevoel. Aan de ene kant voelde ik me dom, omdat ik de standaard lesstof vaak niet meekreeg. Tegelijkertijd voelde ik onbewust wel dat dit beeld niet klopte. Zaken die me echt bezig hielden hield ik in mijn hoofd, omdat ik ergens wist dat anderen me er alleen maar vreemd op aan zouden kijken. Of dat gevoel bij iedereen terecht was zal ik natuurlijk nooit weten. Ik kan die periode immers niet overdoen en dezelfde mensen nu zijn ook heel anders dan ze toen waren.

Met mijn hersenspinsels over de dood, het heelal, noem maar op kon ik dus nergens echt terecht. Ik weet nog dat ik een periode me ontzettend afvroeg of alles wel echt was. Of mensen die zeiden dat ze ergens naartoe zouden gaan, daar dan ook echt naartoe gingen. Of dat ze op zouden houden met bestaan zodra ze buiten mijn zicht waren. Om weer terug te zijn wanneer ‘het verhaal’ dat vereist. Er zijn ongetwijfeld meer kinderen die soortgelijke gedachten hadden, de film The Matrix bestaat immers niet voor niks 😉

Schoolboeken leken expres geschreven te zijn om het betreffende vak zo saai mogelijk te presenteren

Ik wilde ontzettend graag leren. Helaas werd ik daar continue in teleurgesteld. Alle schoolboeken leken expres geschreven te zijn om het betreffende vak zo saai mogelijk te presenteren. Zo ongeveer elke paragraaf moest ik meerdere keren opnieuw lezen, terwijl de inhoud ervan maar niet bleef hangen. Ik kon niet leren, dacht ik. En dat had vast te maken met dat het eigenlijk te hoog gegrepen was voor mij.

Dat beeld werd bevestigd toen ik een weddenschap had met mijn leraar Engels. Ik had steeds een 8.9 bij proefwerken en zo en hij was ervan overtuigd dat ik dan ook een 9 kon halen. De weddenschap hield dus in dat ik minimaal een 9 moest halen voor het daarop volgende proefwerk. Als me dat lukte mocht ik in de kantine iets uitzoeken. Lukte het me niet? Dan kreeg hij een doosje sigaren. Eentiende punt meer halen, dát kon ik wel. En ach, het was Engels. Een vak waar ik wél goed in was. Met daadwerkelijk leren moest dat wel goed komen, toch?

En toen kreeg ik het cijfer terug: 7.5 Niet alleen geen 9 gehaald, maar ook nog eens 1.4 punten lager dan daarvoor steeds. Ik kon dus niet leren en het was zonde dat ik er zoveel moeite in had gestopt. Dat zou ik dus echt niet nog een keer doen.

Verhaaltjessommen en formules

Met wiskunde duurde het best een tijd voor ik doorhad dat ik dat heus wel kon. Hoofdrekenen duurde me te lang (“kan ik niet”) en de wiskunde die ik in het begin kreeg bestond voor een groot deel uit verhaaltjessommen. En die werken niet met mijn hoofd.

Je hebt een lade met 50 zwarte sokken en 50 groene sokken. Hoe groot is de kans dat je twee dezelfde sokken pakt? Ik kreeg meteen een hoop belangrijke vragen in mijn hoofd. Pakte je de sokken met een blinddoek op? Of kon de lade niet zover open, waardoor je niet kon zien wat je pakte? Hoe had je de sokken in de lade gelegd, was dat per stuk of per paar? En dus liep ik vast.

Berekenen wanneer persoon A en persoon B elkaar zouden kruisen vond ik ook vreselijk. Ook daarbij kreeg ik allerlei bijkomende vragen. Wat waren de weersomstandigheden? Hoe zag de omgeving eruit? Bergop met de fiets is natuurlijk een stuk lastiger dan bergaf. En ga zo maar door.

Toen we dan eindelijk bij de echte formules uitkwamen was ik er dermate van overtuigd dat ik het niet kon, dat ik gewoon geen ‘wiskundeknobbel’ had dat het opnemen van de stof niet lukte. Pas toen we verplicht bij huiswerkbegeleiding moesten zitten (en je daar moest werken aan het vak waar je het laagst voor stond) zat ik er echt voor en liep ik algauw een aantal hoofdstukken voor. Ik liep niet alleen voor, ik begreep de stof ook! Het proefwerk erna had ik ineens een 9.8 te pakken.

Proefwerken en schriftelijke overhoringen vond ik eigenlijk altijd al stom. Niet het “shit, ik heb geen zin om te leren”-stom, maar het “je kunt leren wat je wil, maar tijdens het proefwerk kom je niet op het antwoord, zodra je buiten staat weet je het ineens wél.” Ofwel: het is geen accurate weergave van de kennis die de afnemer heeft. De instinkers waar leraren ontzettend trots op konden zijn had ik helemaal een hekel aan. Dan had je het immers ineens over begrijpend lezen in plaats van wat er afgenomen zou worden. Zo was de laatste vraag bij mijn examen biologie iets als: “wat kwam er eerder, de kip of het ei?” Een vraagstuk die ik toevallig erg interessant vond, maar aangezien het niet iets was wat we hadden behandeld vond ik het misplaatst. Uiteindelijk bleek het antwoord te liggen in de volgorde van benoemen in de vraag. In dit geval was het dus de kip, omdat die eerder voorkwam in de vraag.

Daarnaast vond ik het ontzettend vreemd dat je geen vragen mag stellen. Vraagstelling staat ontzettend open voor interpretatie (zeker als het instinkers betreft), waarbij nagaan of je inderdaad begrijpt wat er gevraagd wordt behoorlijk kan helpen in hoe je de vraag beantwoord. Ik vond het ook toen al een vreemde tegenhanger van de samenleving waarin we leven. Het woord samenleving zegt het al: je leeft samen met andere mensen. Je hebt andere mensen nódig om volwaardig te kunnen leven. We hebben immers allemaal onze ‘sterke’ en ‘zwakke’ punten. Maar op school wordt er vooral gedaan alsof je nooit een collega, kennis of onbekende zou kunnen vragen voor wat verduidelijking. Alsof jijzelf alle kennis hoort te bezitten.

Ook dat was een reden waarom ik na de directiesecretaresse-opleiding besloot niet nog een opleiding te gaan doen. Het echte leren doe je immers niet op school, dat doe je in de praktijk. Zo heb ik het ook altijd ontzettend bijzonder gevonden dat het slechts een paar eeuwen geleden niet gek was als je de meest uiteenlopende beroepen had. Daar volgde je geen theoretische opleiding voor, dat leerde je in de praktijk. Van iemand die de kennis al bezat. ‘Grappig’ genoeg weet het gros ook nu dat je vooral in de praktijk leert, toch word er ondertussen behoorlijk wat waarde gehecht aan diploma’s en cijfers.

In de jaren erna heb ik genoeg andere zaken geleerd. Meer daarover in het volgende (zal dat dan toch de laatste zijn?) deel 🙂

Deel 1 – Deel 3


© Hiranthi Herlaar via >>Hoogbegaafd Ouderschap<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Puzzelstukjes op z’n plek – 1

By | januari 24th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Ik was een zorgenkindje. Astma, koemelkallergie en allergisch voor honden en katten. Huilen deed ik praktisch de hele dag en mijn broer heeft niet lang na mijn geboorte daarom aan mijn ouders gevraagd of ze alsjeblieft de poezen weer op konden halen en mij weg doen. Kinderlijke onschuld. Toen ik een jaar of vier was vroeg ik mijn moeder “jullie hadden mij niet willen hebben he?” of iets in die geest. Hartbrekend. Net als mijn paniek toen ze de groene schoenen die ze ooit kocht uiteindelijk aan mijn broer gaf. Ik had immers gevraagd of ze ze álsjeblieft voor mij wilde bewaren voor als ik later groot was, alleenstaand, wel kinderen maar geen geld had. Grote zaken voor een klein kind om zich daar zo druk om te maken. De eerste puzzelstukjes.

Verknocht aan lezen

Mijn ouders en wij gingen vaak naar rommelmarkten. Heerlijk vond ik dat. Op onderzoek uit, welke schatten zou ik vinden? Mijn moeder kocht er graag boeken. Voor haarzelf, maar ook voor ons. Tot ik een jaar of elf was, wist ik van elk boek dat ze aan me liet zien of we die in huis hadden of niet. Met een boek of 10 zou dat niet heel opvallend zijn, ware het niet dat mijn moeder er honderden had. De reden waarom ik de inhoud van onze bieb op een gegeven moment niet meer wist? Ik ging niet meer mee naar elke rommelmarkt en zag daardoor ook niet altijd welke boeken er mee kwamen.

Er is nooit rekening gehouden met dat ik in stilte vele malen sneller lees.

Hoe ík verknocht ben geraakt aan lezen weet ik niet meer. Voor mijn gevoel was ik dat altijd al. Ergens op de basisschool begon ik met de boeken van mijn moeder. Psychologische thrillers, medische thrillers, literaire thrillers. Spanning, dood, plus een hoop ingewikkelde woorden die ik verder in het verhaal ontcijferde. Twee boeken staan me enorm bij dat ik die voor het einde van groep acht heb gelezen, Sheila van Torey Hayden en Morgen mag ik uit de kast van Othilie Bailly. Die laatste overigens stiekem, omdat mijn moeder het nog te heftig voor me vond.

Op school mocht ik de ‘moeilijkste’ boeken nog niet lezen, omdat ik volgens hun dat niveau niet aan kon. Dat zal groep zes geweest zijn, vermoed ik. Daar las ik dus – naar verhouding – ontzettend simpele boeken en thuis de boeken die me meer aanspraken. Hoe snel ik hardop kon lezen werd als mijn leessnelheid gezien. Iets wat ik nu bij veel basisscholen nog zie. Waar nooit rekening mee is gehouden, is dat ik in stilte vele malen sneller lees. Wat lezen betreft was ik ontzettend opgelucht toen ik dan eindelijk naar de middelbare school ging, daar kon ik met boekverslagen in ieder geval de boeken behandelen die ik zelf wilde.

Op mijn laatste basisschool kwam ik terecht in groep 4. Als nieuw kindje ben je dan ontzettend interessant voor de rest van de klas. Op de school daarvoor (een school voor langdurig zieke kinderen) had ik twee ‘vriendjes’, waarvan eentje mijn ‘verloofde’ was. Beide jongens zaten in groep 8. Daar is overigens verder niks mee gebeurd, het is gewoon een extra puzzelstukje.

Uiteindelijk kwamen ze er op de nieuwe school achter dat ik ‘anders’ was. Een tijd van “ja, dat was het keerpunt” kan ik niet terughalen. Mijn analyseerhoofd vind dat jammer. Niet dat ik op zoek ben naar een “oh, daarom ging dat mis, daar moet ik aan werken.” Ik vind het interessant om dat soort zaken te weten.

Niet alleen leerlingen lieten merken dat ik een ‘vreemde eend in de bijt’ was. De leraar van groep 5 (die ik later in groep 7 ook weer had, zelfde lokaal ook) reageerde ooit met “dat ben jij” op mijn vraag “wat is een landloper?” Bij mijn moeder later nagevraagd wat het nu precies inhield. Zodra ik de betekenis wist, was mijn beeld van die leraar 180 graden gedraaid. Vanaf begin groep 5 was hij mijn lievelingsleraar, omdat zijn voornaam hetzelfde was als een van mijn vriendjes op de school daarvoor. Na die uitspraak kon ik hem niet meer vertrouwen.

Toen kwam er een dag dat we in de kring zaten (5 of 7, verschil in groep is wat lastig terug te halen met zelfde leraar en zelfde klaslokaal) en ik niemand kon horen. Zo doof als maar kon. Ik kon wel zien dat ze praatten en dus deed ik mijn best met liplezen. Ik had natuurlijk kunnen zeggen dat ik niks kon horen, maar dat zou ervoor zorgen dat de aandacht op mij gevestigd werd en dat wilde ik niet. Tijdens de les zat ik met mijn rug naar de meester en kon niet steeds naar achteren kijken om te weten te komen waar we waren. En dus keek ik bij mijn buurvrouw. Niet om naar haar antwoorden te kijken, maar om te verifiëren of ik wel bij was.

Blijkbaar had de leraar wel door dat er iets was, hij vertelde mijn ouders dat ik steeds aan het afkijken was. Zij kwamen erachter dat ik niks hoorde. Ik kreeg voor de tweede keer buisjes en algauw was mijn gehoor weer terug.

“Zelfs mavo wordt lastig voor je.”

In groep acht kreeg ik mijn CITO-score te horen: mavo/havo. Mijn leraar voegde daaraan toe dat “mavo moeilijk voor haar wordt.” Naar aanleiding van – onder andere – de boeken die ik eerder noemde, had ik bedacht dat ik kinderpsycholoog wilde worden. Maar ja, mavo zou moeilijk voor me zijn en daar had je echt wel een hoger niveau voor nodig. Eenmaal op de middelbare school zag ik dat de kinderen op het gymnasium ook Grieks en Latijn kregen. Leek me geweldig om te leren. Maar ja, dat krijg je op de mavo niet. Na ruim 4 jaar onderpresteren, niet gezien zijn, een beste periode gepest te zijn en de uitspraak van mijn groep 8 leraar in mijn hoofd, was ik ervan overtuigd dat ik niet beter kon dan mavo. Proberen had geen zin.

Vanaf de mavo ging ik naar het mbo. Toen we moesten kiezen voor een vervolgopleiding had ik geen idee wat ik wilde gaan doen. Alles wat ik in de jaren ervoor had bedacht (na kinderpsycholoog kwam patholoog anatoom, archeoloog) hadden een hoger opleidingsniveau en tja, dat kon ik niet. Mijn beste vriendin ging een directiesecretaresse opleiding doen. Aangezien ik zakenvrouwen in films (de mantelpakjes vooral) wel interessant vond, ging ik met haar mee.

Tijdens mijn eerste stage van twintig weken (tweede leerjaar van in totaal drie) kwam ik erachter dat ik een kantoorbaan helemaal niet zag zitten. Zelf een kinderdagverblijf opzetten leek me wel wat, dus wilde ik SPW gaan doen. Mijn stagebegeleider van school (die ik ergens aan het einde van de periode voor het eerst zag) leek het belachelijk te vinden dat ik na het mbo – ik wilde de opleiding wel eerst afmaken – wederom mbo wilde gaan doen. Dan kon ik toch beter richting hbo gaan? Gevolg was dat ik dichtklapte en nog meer aan mezelf ging twijfelen. In dat schooljaar en het jaar ervoor bleek Duits een lastige te zijn voor me. Op de middelbare school had ik dat vak al zo snel mogelijk laten vallen. Helaas had ik in ieder geval Duits 1 en 2 nodig op deze opleiding om mijn diploma te kunnen krijgen. Stage in Duitsland bleek een mogelijkheid en in mijn derde leerjaar ging ik die kant op voor een periode van acht weken.

Stage in Duitsland

Het werd niet zomaar Duitsland, maar München. Een treinreis van zo’n 8 uur en daar stond ik dan in m’n eentje. De eerste stage (drie weken bij een verzekeringsbedrijf) waren geen geweldige ervaring. Ik moest mijn aanwezigheid daar vooral als eer zien, geloof ik. Daarna liep ik een week mee op school, dat was een behoorlijke verbetering. De laatste vier weken waren heerlijk. Een enorm hartelijk gastgezin, een geweldige stageplek.

Na twee weken kwam een van de mensen waarmee ik dagelijks contact had ineens bij me, ze had net te horen gekregen dat ik geen Duitse was. Ze wilde even haar verbazing komen uiten en aangeven dat ze helemaal niet gemerkt had dat ik niet Duits was.

Na nog weer een week of 18 stage in Nederland kreeg ik mijn herexamen mondeling Duits. Na de afname noemde de leraar dat ik de verkeerde stof had geleerd, maar ik desondanks een goed resultaat had gehaald. Ik had een 7 nodig om mijn diploma te mogen krijgen, later bleek dat ik een 7.8 had gehaald.

Na mijn opleiding ging ik werken als magazijnmedewerkster bij een kledingbedrijf. De chaos en het oneerlijke gedoe op school maakten dat ik er klaar mee was en geen vervolgopleiding ging doen. Secretaresse worden leek me ook niks, dus dan maar wat anders.

Ik bleek er goed in te zijn. Artikelnummers waren logisch opgebouwd, ik kon ze goed opslaan. Op een gegeven moment kwamen collega’s daar achter en als er een enkel artikel over was zonder streepjescode, werd ik erbij geroepen om te bekijken of ik het artikelnummer wist. Vaak ging het om artikelen die er al een behoorlijke periode hingen, eigenlijk retour hadden gemoeten (om bij koopjesfilialen ondergebracht te worden) en ik dus al heel lang niet meer had gezien. Ik vermoed dat ik negen van de tien keer ik het artikelnummer wist terug te halen. Het deed me erg denken aan de periode dat ik nog precies wist welke boeken mijn moeder had. Net als de krantenwijk die ik liep toen ik op de middelbare school zat.

Losse puzzelstukjes op z’n plek

Tijdens de fietstocht naar school (het ROC) dacht ik veel na. Ik kan me herinneren dat ik op een gegeven moment goed besefte dat ik mezelf niet echt kende en de wens ‘hardop dacht’ dat ik op mijn 30e (want dan ben je ‘echt volwassen’ natuurlijk) mezelf wél zou kennen. Grappig genoeg begon dat proces inderdaad rond mijn dertigste. De zoektocht naar handvatten, of eigenlijk herkenning rondom het gevoelige (temperamentvolle) van mijn zoon heeft daar absoluut een aandeel in gehad.

Ik heb me als kind weleens afgevraagd of ik autistisch was, gezien mijn sociale onhandigheid destijds (nu ook nog weleens). Of wellicht ADHD, omdat mijn hoofd praktisch nooit stil staat. Ondertussen weet ik dat ik hoogbegaafd ben. Mijn hele zijn heeft vaak genoeg als vloek gevoeld. Ondertussen lukt het me om het meer als een zegen te zien.

Deel 2 – Deel 3


© Hiranthi Herlaar via >>Hoogbegaafd Ouderschap<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Suïcidaliteit en hoogbegaafdheid: Een literatuurstudie

By | januari 16th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Ik heb een uitgebreid literatuuronderzoek gedaan naar hoogbegaafdheid en zelfmoord en het is gedeeld in de groep Gifted! Knowledge & Research onder de titel Suicidality and giftedness: A literature review. Dit onderwerp verdient meer aandacht.

Mijn paper is het resultaat van een literatuurstudie in 2015 en 2016 met betrekking tot zelfmoord onder hoogbegaafden en de status quo in het bestaande onderzoek. De literatuur over zelfmoord onder hoogbegaafden wordt uitgebreid besproken en omvat de volgende onderwerpen:

  • Het voorkomen van zelfmoord onder hoogbegaafden,
  • De toename van zelfmoord onder hoogbegaafden,
  • De achtergrond van deze hoogbegaafden,
  • Hun pogingen en methoden tot zelfmoord,
  • De meest gebruikte onderzoeksmethoden om hoogbegaafdheid en suïcidaliteit te onderzoeken,
  • Signalen van suïcidaliteit bij hoogbegaafden,
  • Mogelijke interventies voor suïcidale hoogbegaafden.

Wat uit mijn onderzoek blijkt is dat de literatuur over zelfmoord onder hoogbegaafden weinig empirisch uitgevoerd onderzoek bevat, maar het laat in elk geval zien dat het voorkomt onder hoogbegaafden. Het is ook duidelijk dat zelfmoord zodanig vaak voorkomt onder hoogbegaafden, dat verder onderzoek noodzakelijk is om

  • de risicoprofielen te kunnen herkennen en
  • de meest efficiënte en effectieve preventiemethoden structureel te implementeren.

Martin Apistola


© Martin Apistola | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

De maatschappelijke erkenning van hoogbegaafdheid behoeft nuance, eerlijkheid en volledigheid

By | januari 14th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Onderbouwing met cijfers kan makkelijk voor waar worden aangenomen. Maar wat als het spookcijfers of wilde claims betreft?

Media-aandacht voor hoogbegaafdheid

Recentelijk is er veel media-aandacht ontstaan voor hoogbegaafdheid naar aanleiding van het rapport van het Instituut Hoogbegaafdheid Volwassenen (IHBV) over hoogbegaafde volwassenen zonder werk. Zo kopten onder meer Trouw en de Telegraaf over hoogbegaafdheid, verschenen er enkele persoonlijke verhalen via de NOS, schreef Metro over veelvoorkomende vooroordelen, en verscheen er een stukje op Nu.nl over dat hoogbegaafdheid de carrière in de weg kan staan. Een ander geluid kwam van de Volkskrant, in de vorm van een kritische kanttekening over het geschatte percentage werkloze hoogbegaafden. Door alle berichtgeving wordt nu in de online community van mijn stichting (in oprichting) extra veel over en weer geschreven, zoals in de groep voor hoogbegaafde volwassenen.

De toegenomen aandacht voor de hoogbegaafde bevolking is waardevol, maar om deze te behouden en in goede banen te blijven leiden zijn nuance, eerlijkheid en volledigheid nodig. Daarvoor zijn we samen verantwoordelijk en moeten we bruggen slaan. Alle betrokken partijen in hoogbegaafdenland, oftewel alle verenigingen, stichtingen, onderzoeksinstituten en professionele begeleiders van hoogbegaafden zijn verantwoordelijk voor het opdoen van de nodige kennis en kunde van hoogbegaafdheid ter bevordering van een genuanceerde beeldvorming. Op die manier kan er een eerlijke aandacht ontstaan voor de unieke (werk- en onderwijsgerelateerde) behoeften van hoogbegaafden. Kritische journalisten, om met wetenschapsjournalist Maarten Keulemans van De Volkskrant een voorbeeld te noemen, kunnen hierin waardevolle bruggenbouwers zijn. Of Ingrid Weel, Trouw-journaliste en moeder van hoogbegaafde kinderen, die in augustus 2016 al een vijftal columns over hoogbegaafde kinderen publiceerde.

Spookgetallen gaan een eigen leven leiden

Helaas is er in de recente berichtgeving een spookgetal terechtgekomen. Cijfergeweld, noemt De Correspondent dat. Ingrid Weel schreef in Trouw dat een derde van de hoogbegaafden werkloos thuis zou zitten. Maarten Keulemans zocht het na in het pas verschenen rapport, in een aan het ministerie van OCW gepresenteerde brochure uit 2008, en vroeg het nog eens aan het IHBV. Daaruit bleek het te gaan om een educated guess van de betrokkenen waarna “dat getal een eigen leven is gaan leiden“. Om gericht te kunnen onderzoeken tegen welke problemen hoogbegaafde werklozen aanlopen is actief naar deze doelgroep gezocht. Het vaststellen van een percentage werkloze hoogbegaafden was niet het doel van het rapport, want dat is niet te bepalen door gericht te zoeken op werkloze hoogbegaafden, een niet-representatieve steekproef uit de totale hoogbegaafde bevolking. Om een percentage in te schatten is meer onderzoek nodig dat niet op arbeidssituatie selecteert, en tot die tijd is er eerlijkheid nodig over het nog niet kunnen weten van het percentage. Hopelijk vindt de ontkrachting van het getal als feit verdere doorgang, maar de artikelen die dit getal wel hebben aangenomen blijven beschikbaar. En dat zonder achteraf de errata weer te geven die ik af en toe tegenkom in de wetenschappelijke literatuur: tegen die tijd is er alweer nieuwer nieuws waarover geschreven moet worden.

Het is niet de eerste keer dat er een spookgetal over hoogbegaafdheid in de media terechtkomt, maar het is ongepast om de media te homogeniseren en als schuldigen aan te wijzen van ongenuanceerd of slecht onderbouwd sjoemelen met getallen. Er wordt dan vergeten dat veel journalisten, ook de kritische wetenschapsjournalisten, over een grote diversiteit aan onderwerpen schrijven, waarbij zij experts in die onderwerpen om raad vragen. Spookgetallen, mythen en niet onderbouwde spreuken kunnen ook mede door organisaties gespecialiseerd in hoogbegaafdheid, experts met grote verantwoordelijkheden, de wereld in geholpen worden. In 2013 plaatste het NRC een artikel waarin werd nagegaan of het wel klopte dat “80 procent van de hoogbegaafden niet naar de universiteit zou gaan”. Deze uitspraak kwam uit een artikel in het Algemeen Dagblad (dat ik niet terug kon vinden – of was het deze zonder bronvermeldingen), en was afkomstig van Novilo, een bedrijf dat hoogbegaafdenland domineert in het opzetten van lesprogramma’s voor hoogbegaafde kinderen en grossiert in cursussen voor talentbegeleiders. Zij konden niet vertellen uit welk onderzoek dat zou blijken, maar vertelden wel dat “het uit onderzoek zou blijken dat dit percentage de universiteit niet zou afmaken”. Uit verbazing over het getal belde NRC-journalist Teri van der Heijden met het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek, een wetenschappelijk instituut van de Radboud Universiteit in Nijmegen, maar daar wisten ze van niks. Wat rest zijn slechts getallen op het internet die een 80%-20% verhouding dan wel een 84%-16% verhouding laten zien, en een poging uit 2014 om die 16% te ontkrachten. De bewering werd door het NRC terecht beoordeeld als ongefundeerd.

Wie zichzelf expertise aanmeet, draagt een grote verantwoordelijkheid

Deze voorbeelden laten zien dat nuance, eerlijkheid en volledigheid nodig zijn ter bevordering van de maatschappelijke erkenning van hoogbegaafdheid. Experts en belangenbehartigers van hoogbegaafden dienen niet slechts uit eigenbelang te handelen, bijvoorbeeld vanuit commerciële belangen, maar zich er sterk van bewust te zijn dat zij een grote verantwoordelijkheid dragen voor het aanjagen van het maatschappelijke welzijn en de beeldvorming van zowel hoogbegaafde kinderen als volwassenen. Speculaties over wat we nog niet weten en valse waarheden kunnen een stevig beeld neerzetten van wat de hoogbegaafde is en wat elke hoogbegaafde nodig zou hebben. Een aangedikt, ongenuanceerd en niet op (wetenschappelijke) onderbouwingen berustend beeld van de hoogbegaafde zou een grotere aanzet tot actie kunnen impliceren voor de erkenning van hun unieke werkgerelateerde, onderwijsgerelateerde en sociale behoeften. Het probleem is dat dit mythes in stand houdt en zo stigma’s in de hand werkt, en daarmee de diversiteit en behoeften van hoogbegaafde individuen onrecht aandoet.

In de online community en op bijeenkomsten van mijn stichting (in oprichting) hoor ik mensen vaak verzuchtende opmerkingen maken over het Nederlandse gepolder van “doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg”. Wie vanuit de rol van kennisexpert anderen wil informeren en onderwijzen over hoogbegaafdheid, hoogbegaafden wil coachen en begeleiden, of  in contact wil treden met de media, dient zelfkritisch en onderzoekend te blijven, en niet te polderen, homogeniseren, stigmatiseren en fabriceren. Het getuigt van het op integere en respectvolle wijze omgaan met je medemens en het zien van diversiteit.

Wat is hoogbegaafdheid dan wel?

Laat ik zelf ook een brug slaan. Hoewel de roemruchte “130” niet zozeer een spookgetal is, bestaat er onduidelijkheid over wat hoogbegaafdheid precies is. Omdat er in korte persberichten niet altijd de gelegenheid is voor uitgebreide verklaringen, neem ik hier nog wat ruimte. Een IQ van minimaal 130 wordt gebruikt als harde eis om te spreken van een hoogintelligent persoon. Dit wordt vaak gelijkgesteld aan hoogbegaafdheid, soms door de media, soms vanuit hoogbegaafdenland zelf, maar hoogbegaafdheid wordt door experts steeds vaker gezien als meer dan alleen een hoog IQ. Een IQ-test kan wel gezien worden als een indicatie van minimale intelligentie, maar een enkel getalletje kan niet te boek gaan als absolute waarheid. Een IQ-test heeft namelijk een betrouwbaarheidsinterval, en iemand met een IQ van 129 kan op een betere dag ook 132 scoren. Verder zijn bepaalde groepen hoogbegaafden slecht te testen, waardoor een uitslag van een IQ-test te laag uitvalt en niet hun werkelijke capaciteiten vertegenwoordigt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij mensen met faalangst, autisme, AD(H)D en dyslexie, welke voorkomen over de breedte van het intelligentiespectrum. Ik voorzie deze uitspraak verder niet van een educated guess in de vorm van een percentage dat aangeeft hoe vaak dit het geval zou zijn in de hoogbegaafde populatie. Hoogstens kan ik zien dat er in de groepen van de online community van mijn stichting (in oprichting) over hoogbegaafdheid en autisme, AD(H)D en dyslexie respectievelijk 120, 150 en 240 mensen aanwezig zijn, voor zichzelf en/of voor hun kinderen.

Wat is hoogbegaafdheid dan wel? Hoewel er geen uniforme definitie bestaat van hoogbegaafdheid, spreken de vele modellen uit de literatuur over meer factoren dan alleen een hoog IQ, welke dus voor sommige groepen niet goed te meten is. In 2007 kwam in Nederland ook zo een model tot stand: het Delphimodel Hoogbegaafdheid. Dit model stelt:

“Een hoogbegaafde is een snelle en slimme denker, die complexe zaken aankan. Autonoom, nieuwsgierig en gedreven van aard. Een sensitief en emotioneel mens, intens levend. Hij of zij schept plezier in creëren.”

Hoogbegaafden zijn mensen met een buitengewoon groot leerpotentieel en een specifieke bedrading die ervoor zorgt dat ze het leven intens beleven: de vele indrukken in het leven komen hard bij ze binnen. Dit kan onder meer tot fantastische creaties en innovaties leiden, een intense beleving van schoonheid in de gevonden interesses, maar ook kan hun belevingswereld ze kwetsbaarder maken voor een gebrek aan aansluiting, wat kan leiden tot het gevoel buitengesloten worden. Niet elke hoogbegaafde is even hoogbewust of sensitief, niet elke hoogbegaafde denkt even kritisch na, en hoogbegaafden hebben verschillende talenten in verschillende gradaties. De expressie van hun hoge leerpotentieel heeft bovendien verschillende richtingen: de onderwerpen die ze kunnen blijven fascineren zijn nogal divers, maar met plezier duiken ze in soms complexe materie. Al met al zijn hoogbegaafden niet beter dan enig ander persoon in de maatschappij, maar wel anders.

Het stereotype beeld van de hoogbegaafde als genie die voor alles aanleg heeft, altijd maar in de wiskundeboeken woont, en alles al weet, is niet meer van deze tijd. Ook klopt het niet dat de hoogbegaafde zichzelf wel alleen weet te redden, of dat ze “in principe alles zouden kunnen wat ze maar zouden willen“. Net als de rest van de maatschappij hebben ze, hoe autonoom ze ook kunnen zijn, hoor en wederhoor nodig om in hun kracht te staan, en is elke hoogbegaafde onderhevig aan individuele sterktes en zwaktes. Dit neemt niet weg dat zij ook unieke behoeften hebben.

Samen onze verantwoordelijkheid nemen

Om terug te komen op het rapport van het IHBV: wat gebeurt er als hoogbegaafden in hun leerpotentieel en intensiteit niet tot hun recht kunnen komen, in dit geval op het werk, doordat het niet voldoende in hun behoeften voorziet? Het rapport benoemt onder andere verveling door gebrek aan uitdaging, frustratie van het innovatieve vermogen, gebrek aan zingeving, barrières in de communicatie, onderpresteren, faalangst, aansluiting missen, arbeidsconflicten en stress. Hiermee lopen ze onder meer kans op een burn-out of bore-out.

Hoogbegaafden zijn niet slechts onbereikbare vreemde vogels en bollebozen. Ze staan midden in de maatschappij en zijn er een wezenlijk onderdeel van. Ze hebben de maatschappij nodig, en de maatschappij heeft hoogbegaafden nodig. Daarvoor dienen zij optimaal gebruik te kunnen maken van hun talenten in een maatschappij die diversiteit omarmt. Laten we hiervoor samen onze verantwoordelijkheid nemen.

Tot slot

Het kan voor sommigen wellicht lezen alsof ik het dak eraf zou willen blazen. En dat klopt ook wel: ik wil niet verantwoordelijk zijn voor het in stand houden van heilige huisjes die zonder stevig fundament in de zompige Nederlandse polder zijn neergeplempt. Daarom onderhoud ik ook een kennisbank van wetenschappelijk onderzoek naar hoogbegaafdheid.

Update – een lijstje:

  • Univers, nieuwswebsite Universiteit Tilburg (!), 4 januari 2017: “Een derde van de hoogbegaafde Nederlanders zit werkeloos thuis. Dat meldt Instituut Hoogbegaafdheid Volwassenen (IBHV) vandaag. Zij worden vaak niet genoeg geprikkeld.”
  • Reformatorisch Dagblad, 5 januari 2017: “Twaalf ambachten, dertien ongelukken. Dat geldt soms ook voor hoogbegaafde werknemers. Een derde van hen vindt een passende baan, een derde werkt onder zijn niveau, en een derde zit werkloos thuis.”
  • Trouw, 17 januari 2017: “Een derde van de hoogbegaafden zit werkloos thuis. Dat was de conclusie van een onderzoek dat het Instituut Hoogbegaafdheid Volwassenen (IHBV) anderhalve week geleden presenteerde.”
  • De Volkskrant, 3 februari 2017: “Sterker, de carrière van eenderde van de hoogbegaafden verloopt juist minder voorspoedig dan die van de gemiddelde Nederlander.”

© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Zwakbegaafd wordt moeilijk herkend. Hoogbegaafd net zo…

By | januari 11th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Vandaag was in het  nieuws dat psychiaters moeite hebben met het herkennen van zwakbegaafden. Waardoor behandelingen niet altijd goed worden ingezet. Ik ben van mening dat hoogbegaafdheid net zo goed slecht wordt herkend.

Vandaag nog sprak ik een HR professional. Ik gaf aan dat ik in gesprek ben met ‘Kees’. Ik vermoedde dat hij hoogbegaafd is maar dat zelf nooit gezien heeft. Ik heb inmiddels meerdere gesprekken met hem gevoerd en daarin vielen (vrijwel direct!) vele puzzelstukken op hun plek. Hij gaf aan nog nooit iemand te zijn tegengekomen die hem zo snel zo goed begreep. We zijn een pad ingeslagen waarvan hij het gevoel heeft nu echt naar oplossingen te werken. Ik zie hem letterlijk beter in zijn vel komen.

Ik heb ‘Kees’ bedankt voor het compliment. En dacht tegelijk: wat zonde! Kees is al een eindje in zijn carrière. Is tegen van alles aangelopen, heeft van alles geprobeerd, verwerkte niet uitgekomen verwachtingen van hemzelf en van zijn omgeving. Ik ben ervan overtuigd dat hij zijn plek eerder en op een prettiger manier had gevonden als zijn hoogbegaafdheid eerder (h)erkend was.

De reactie van de HR professional was dat hij zich moeilijk kon voorstellen dat de huidige problemen – o.a. perfectionisme, laag zelfbeeld, alles interessant vinden en uit willen zoeken – een direct gevolg zijn van zijn hoogbegaafdheid. En dat het wellicht verstandig is om eerst eens aan bijvoorbeeld dat zelfbeeld te gaan werken. En dan zitten we dus blijkbaar op hetzelfde pad als de psychiaters bij zwakbegaafden: mismatch.

De reactie van de HR professional begrijp ik op zich nog wel: als je niks van hoogbegaafdheid weet, zul je oplossingen daar ook niet gaan zoeken. En daar word ik nou net energiek van: ik wil zo veel mensen zo veel meer kennis laten maken met hoogbegaafdheid. Want dat is echt niet alleen ‘een beetje slim zijn’!

Met meer (h)erkenning voor en van hoogbegaafdheid zouden veel mensen beter op hun plek zitten en zouden organisaties de kwaliteiten van mensen als ‘Kees’ écht gaan gebruiken.

Hoogbegaafd! Werk & Ondernemen

Lid worden


© Ingeborg de Keizer via >>Eigen Meerwaarde<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Te veel?

By | januari 8th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

Ja, mijn weg kent genoeg kuilen en obstakels. Die van de meeste mensen wel, laten we eerlijk zijn.

De een kan meer aan dan de ander, naar het veelal schijnt. Maar te veel, ècht te veel is een gedachtegoed, stapje voor stapje doorgaan een levenswijze. Of een wijze levensles?
Deze kreeg ik van een wijze oudere dame:

Wees zoals het riet dat buigt, want de boom kan breken in een storm.

Zij had dit gezegde niet zelf bedacht, het is een heel oud gezegde. Zo oud dat niemand weet van wie precies, of zelfs uit welk land het van origine is.
Maar het is waar: als ik buig, leer ik van elk obstakel op mijn pad iets nieuws, kan ik het positieve uit ervaringen halen en breek ik niet.

Hoe meer je mee hebt gemaakt en deze les begrijpt: hoe makkelijker je over kleine obstakels heen zult stappen.
Mij is niet snel iets te veel, dat komt mede doordat ik mijn grenzen ken: kom niet aan de wortels van mijn bestaan, want dàn, ja dan haak ik af.

Als het voor anderen te veel is, stel ik mijzelf voor de empathische keuze: is dit te veel, kunnen ze het wel zelf, of zal en kan ik helpen. Want een samenleving zijn we samen, maar te veel verlangen is een vorm van jezelf niet onderkennen.

Vrij simpel eigenlijk.


© Laura | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Het zelf wel redden

By | januari 5th, 2017|Categories: Volwassenen|Tags: |

“Jij redt het wel.”

Als ik het wel red, impliceert dat, dat ik op mezelf ben aangewezen, en niemand mij ooit hoeft te helpen. Het impliceert dat ik sterk ben en goed in van alles, maar op die erkenning volgt dat ik voor mijn welbevinden geen hoor en wederhoor nodig heb.

Ik red het niet in mijn eentje zonder de veilige bodem op basis waarvan we elkaar versterken, ook wel bakermat genoemd. Ook niet met een turbomotor. Mijn autonome ik heeft ook iets nodig om tussendoor op terug te vallen en om zielsverwantschap te vinden.

Sociale vaardigheden zijn het op integere en respectvolle wijze omgaan met je medemens. Juist nu heb ik ook behoefte aan medemenselijkheid. Jij ook, gedurende je hele leven. Zo voel je je het meest welkom, en is de omgeving waarin je je capaciteiten tot expressie mag brengen veiliger, waardoor dat alleen maar beter gaat.

Als ik alles alleen zou moeten doen, heb ik geen grond tot uitwisseling. Samen zijn we juist zo dynamisch en hebben we zo veel inzichten en ervaringen. Laten we die voor elkaar inzetten zodat we samen weer een stukje sterker staan en met een positieve blik de wereld in kunnen blijven kijken.


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Flamboyeren

By | december 11th, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Bedoel je flamberen? Nee, ik ben niet aan het flamberen, zoals een uit Engeland geïmporteerde Christmas pudding besprenkeld met likeur voordat je hem gaat eten en er achter komt dat hij niet echt eetbaar is, maar “er nou eenmaal bijhoort” volgens van het Eiland afkomstige personen (niet de halfslachtige, zoals ik). Al lijkt het er soms wel op dat mijn hoofd in brand staat vanwege de drukte van het afronden van mijn proefschrift (zou ik ook likeur gebruiken als brandstof)?

Ik heb laatst een nieuwe jas gekocht, helemaal geïmporteerd vanuit Tsjechië want zulke maken ze hier niet, en die is nogal flamboyant. Dus als ik hem draag, flamboyeer ik. Als ik flamboyeer ben ik samen met de rest van de mensheid en toch weer een individu.

Het is een lange rode jas met motief en in de winkel heet hij de “Red Queen coat”. Nu dacht ik altijd dat ik Alice in Wonderland was, maar blijkbaar wil mijn rol in dit post-apocalyptische rijk der fabelen nog wel eens veranderen.

Het is momenteel mijn enige jas die warm genoeg is als het vriest. Dus telkens als ik mijn tijdelijke kluizenaarsbestaan even onderbreek en naar buiten ga omdat ik toch nog een paar verplichtingen buitenshuis heb, draag ik hem.

In dit land is het normaal dat mensen elkaar negeren op straat. Nu gebeurt dat nog steeds als ik de jas draag, maar niet meer altijd. Sommigen spreken me aan omdat de jas zo fel in hun ogen flamboyeert (en ze hem misschien stilletjes ook wel zouden willen durven dragen), anderen kijken alleen heel veel langer dan je op basis van de nulhypothese “Mensen negeren elkaar op straat” mag verwachten.

Misschien hebben de personen die extra lang kijken een houding van “Wat loopt daar nu weer over straat!” Als hun micro-expressies neerbuigend zijn, staar ik gewoon even lang terug totdat ze hun blik afwenden of voorbij gelopen zijn. Misschien zijn ze gecorrumpeerd door de het retorische hoogstandje “doe maar normaal, dan doe je gek genoeg”, want dat is wel zo veilig. Andere mensen die extra lang kijken maar dat op een wat leukere manier doen willen misschien wel wat zeggen, maar bedenken zich dan dat er vast al heel veel mensen wat zeggen.

Voorlopig flamboyeer ik rustig verder en het enige dat ik daarvoor hoef te doen is naar buiten te gaan met een warme jas aan. De winter duurt nog wel even.


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Mean streak

By | december 7th, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Geen carrière valt zo slecht van tevoren uit te stippelen als een wetenschappelijke. Elk jaar was er wel weer een volgend jaar van studeren, later van mijn promotietraject, en daarin kon ik in globale lijnen overzien wat ik zou gaan doen.

Nu lijk ik in een diepe te vallen en ik kan daar in vlagen erg door worden ingenomen. Als ik mezelf gerust heb weten te stellen besef ik me dat ik het juist als een kans moet zien: nadat mijn contract is afgelopen kan ik alles even aan de kant schuiven en gaan overdenken hoe ik het beste aan de rest van mijn leven kan beginnen, zodanig dat ik niet in een zinloze obscuriteit verval. Natuurlijk valt ook dat niet helemaal te voorspellen, maar dat is voor nu het plan, en ik verdenk mezelf ervan dat ik me eruit wil slaan als het toch gebeurt.

Als science-paratrooper word ik op dit moment geheel ingenomen door het schrijven van zo veel mogelijk papers, terwijl ik ondertussen vervreemd raak van de rest van de wereld waarin nog veel te veel te beleven valt om de rest van mijn tijd door te brengen als massaproducent van wetenschappelijke publicaties. Het is nu wel extreem druk en niet gemiddeld druk, hoewel gemiddelde drukte in de wetenschap ook best veel tijd kost.

Ik wil verbonden blijven met de wereld. Niet alleen maar scoren terwijl er bijzonder weinig mensen zullen zien dat er een doelpunt is gemaakt. Dat komt doordat veel mensen niet kunnen zien dat er een doel staat. Ondanks dat moet er ook nog de competitie worden aangaan over wie er überhaupt in dat doel mag scoren. En anders transfer je maar naar een club in het buitenland.

Laatst wisselde ik met iemand uit over hoe ik er aan leek te hechten om de toekomst min of meer paraat te hebben, zelfs op de kleine schaal van gevolgen van individuele handelingen binnen het grotere geheel. Zo ben ik het gewend, want dat is lang mijn meest veilige strategie geweest.

Ik weet wel dat ik ook een mean streak heb, een wil om risico’s te nemen en dan te zien waar ik uit kom en tot welke creaties het allemaal leidt, en dat deze niet altijd genoeg ruimte krijgt om er te kunnen zijn. Ik noem het een verborgen mean streak. Hij is verborgen voor veel mensen, door mijn calculerende bewustzijn uitgeschakeld. Hij is er wel degelijk voor mensen die me wat beter willen kennen.

Toch heb ik ook momenten gehad waarop deze meer naar buiten toe kwam. Bijvoorbeeld gedurende periodes in mijn jeugd waarin ik me behoorlijk alternatief kleedde, wat nog steeds wel eens gebeurt, al blijven de stekelkettingen nu opgeborgen. Of mijn niet geheel in de lijn van mijn BSc liggende MSc waarvoor ik vier jaar geleden afstudeerde. Hij wordt getriggerd en geactiveerd door mijn allergieën voor stijve burgerlijkheid, overmatig officieus en groots onthulde initiatieven die je net zo goed vanuit je eigen achtertuin kan opzetten, het ontbreken van een what you see is what you get, een doofpotmentaliteit, hoge bomen die in hun prestigieuze belangrijkheid onbereikbaar zijn, het meewaaien met alle winden, en het overal een slaatje uit willen slaan. Oftewel, alles waarvan me duidelijk is dat ik het anders wil doen.

Ik denk dat ik deze ruige beer maar eens los ga laten op mijn toekomst in plaats van overal beren op de weg te zien omdat het allemaal even wat minder voorspelbaar is. Daarom bij deze: ik ga volgend jaar op zoek naar een plek waar ik mijn mean streak kwijt kan want daarmee kan ik innoveren (hoe calculerend ik dat hier neerzet!). Die plek heb ik al bij de stichting die ik aan het oprichten ben [deze], maar daar kan ik niet van leven. En laat ik dat nou net willen.


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Innoveren

By | december 6th, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Door (alleen of als organisatie) niet vol te worden aangezien door sommige welgevestigden trigger je verandering, omdat er wel degelijk mensen achter je staan vanwege je vernieuwende visie. Die visie is te confronterend voor sommigen die juist goed passen in bestaande systemen of twijfelen aan jouw reputatie, en juist innovatief, faciliterend, en verhelderend voor wie er open voor staan.


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Over elkaar heen tuimelen

By | november 26th, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Ken je dat, dat een kakofonie zo luid is, dat je niemand meer kan horen en iedereen over elkaar heen tuimelt? Ik herken het in het wilde geschrijf – al die aandacht! – voor Trump, Brexit, Zwarte Piet, et cetera. De arena vol publiek versterkt het onderbuikgejoel en -getier. Er wordt geen consensus bereikt, maar het geroep gaat onverminderd door. Sommige mensen zijn al overgegaan tot het verpesten van elkaars feestjes.

Cijfers, indien zorgvuldig en zonder vooraf bepaalde meest wenselijke uitkomst geïnterpreteerd, kunnen een beter beargumenteerd geluid genereren, maar dat gaat verloren in de oorverdovende kakofonie van wie vooral heel hard wil brullen en overal wat van wil vinden zonder zich verder te verdiepen.

De netto uitkomst is een verkiezen van brulapen als vertegenwoordigers, simpelweg omdat die tenminste overal wat van vinden, onderbouwd of niet.

Ik heb daarom bewust de keuze gemaakt om niet boven dit wilde, ongemaaide maaiveld uit te willen steken omdat de strohalmen te wild alle kanten opslaan in de wervelwinden die elke dag veranderen. Dan gaan mensen zogenaamd de discussie aan, heilig overtuigd van hun eigen gelijk, zonder dat ze zich ingelezen hebben. Schaamteloos durven ze niet voor enige rede vatbaar te zijn (een veelvuldige doch veredelde vorm van ontoerekeningsvatbaarheid).

De onderwerpen waarover maar weinig mensen hun mond open trekken dreigen verloren te gaan in stilte, omdat ze zich betrekken op kleinere groepen mensen in deze maatschappij. One size does not fit all. Denk bijvoorbeeld aan de behoeften van jonge en oude hoogbegaafden, genderdiversen, en chronisch zieken. Buiten de gulzige draaikolken van de maalstroom maken deze onderwerpen voor kleinere groepen mensen een groot deel van hun leven uit. Met een gezonde waarheidsbevinding durf ik het aan om hierover mijn mond open te doen – niet alleen vanwege de noodzaak zulke onderwerpen uit de collectieve vergetelheid te halen, maar ook omdat sommige ervan mij persoonlijk aangaan.

Het resultaat van vele jaren schrijven is mijn persoonlijke archief, mijn verhaal, het zijn mijn gedachten en hersenspinsels, mijn ervaringsgerichte kijk op datgene in de maatschappij dat door zo veel mensen over het hoofd gezien wordt. Het heeft zelfs een organisatie opgeleverd [deze hier] die volgend jaar een stichting wordt. Juist waar anderen stil blijven omdat het ze ontgaat, trek ik mijn mond open. Ik blijf me verdiepen en leer door: zo kan ik des te beter mensen verbinden en informeren en nog meer deelaspecten belichten.

Ik sla graag bruggen. Maar alleen naar wie daar vatbaar voor is.


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Optische illusies

By | november 25th, 2016|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Een optische illusie is simpel gezegd het foppen van je brein, ook wel gezichtsbedrog genoemd. Je ogen nemen iets waar wat de hersenen anders interpreteren dan dat de werkelijkheid is. De informatie die via de ogen verkregen wordt, zal in je brein namelijk maar voor 20% gebruikt worden om een beeld te vormen. De rest wordt door de hersenen zelf aangevuld. Dit doen ze door middel van eerdere ervaringen, verwachtingen en andere zintuigen. De foutjes die in het proces ‘zien’ optische illusies leveren kan je grofweg in twee categorieën onder verdelen. De hersenen vullen de basis van 20% verkeerd aan, of de informatie verkregen via het oog klopt niet.


© Laura | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Verbindingen

By | november 21st, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Ik heb dan toch op LinkedIn de Hoogbegaafd! organisatie gezet waarvan ik oprichter ben.

Mijn profiel was eerder volstrekt niet aanstootgevend omdat het alleen het bètawetenschappelijke deel van mijn persoon aanraakte met de als grijsgedraaide outputmachine geproduceerde papers en andere correcte wenselijkheid.

Mijn hoofd verscheen afgelopen week in een heel ander verband voorzien van kleur op Het Internet en zo werd ik uit de archiefkast gesleurd.

Die stond voorheen op een kier en was open te maken door wie op respectvolle wijze meer wilde weten en doorvroeg.

Doorvragen gebeurt in een synergie, niet te midden van visionairs die zich blindstaren op zichzelf bij gebrek aan medemenselijkheid.

Ik ben nog steeds bedachtzaam op wanneer het vragenvuur losbarst in dit vagevuur van een tussenfase.

Ik kijk nog onwennig over mijn schouder, alsof ik per direct en elk moment en door iedereen als arrogante gladiool weggezet zal worden, gedoemd tot een leven in dienst van andermans zogenaamd superieure behoeften en belangen.

Dit is wat ik door gewenning ben gaan veronderstellen maar eigenlijk heb ik er nooit aan kunnen wennen.

Ik wil niet leven in een hel in andermans hemel.

Ik, door vele processen en reacties in de ruimtetijd ontstaan uit sterrenstof, hoor thuis op aarde.

Het oude dat altijd al was in suboptimale samenstelling zal overgaan in een nieuwe, beter passende puzzel die ik jou durf voor te leggen.

Als ik door deze vuurdoop heen ben en de ruimte heb genomen om aan te sterken van de einde-van-PhD uitputtingsveldslag zal ik op volle sterkte kunnen gaan staan voor mijn kernwaarden.

Het vuur zal sommige verbindingen verbranden en andere verstevigen.


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Klok-zonder-klepel coach

By | november 11th, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Evolutie

Verwatering van bronnen als in van generatie op generatie overgeleverde verhalen heeft geleid tot mythologisering van oorspronkelijk anders bedoelde concepten en het voortbestaan van verouderde paradigma’s, een niche die zeer gunstig bleek voor het ontstaan van de klok-zonder-klepel coach als soort.

Habitat

Ze groeien veelvuldig in het wild met een voorkeur voor koele, vochtige ecosystemen met veel dood hout en scholen graag samen op omgevallen bomen als paddenstoelen en zwammen.

Voortplanting

Jongen, ontstaan vanuit een procedure voorafgegaan door hevig en felgekleurd marketing-baltsgedrag, groeien op in een afgeschermde commune met door ouderlingen voorgekauwd gevoederde waarheidsbevinding.

Gedrag

Deze zelf-evidente deskundige elite waant zich vanwege hun deskundigheid de enige soort die iemands probleem zou kunnen oplossen en doet dat door groots en spectaculair uit te pakken door het als dood hout te behandelen en er als schimmel op te groeien om het nog poreuzer te maken. Hun belangrijkheid moet dan ook zo zichtbaar mogelijk zijn, hoewel er een duidelijk Dunning-Kruger effect aanwezig is. Ook stilteruimtes blijven niet gespaard van deze kakofonie van belangrijkheid. Er wordt, om hun geloofwaardigheid te vergroten, veelvuldig gepronkt met het bezitten van prijzige certificaten waarvoor ze niks zelf hebben hoeven uitzoeken.

Positie in de voedselketen

Potentiële prooien vinden de voorspelbare, generieke afvinklijstjes, hapklaar voorgeschotelde concepten, en gaarkooksels volgens vaste receptuur eerst heel lekker en voelen zich daardoor bevestigd in hun keuze voor de klok-zonder-klepel coach. Degenen die kritischer denken zullen echter al gauw last krijgen van darmklachten, opborrelend maagzuur, en vitaminegebrek. Zij zijn een natuurlijke vijand van de klok-zonder-klepel coach, die dit vergif dan ook ontwikkeld heeft als natuurlijk verdedigingsmechanisme. Minder kritisch denkende wezens vormen daardoor de basis van het dieet en daartoe heeft de klok-zonder-klepel coach verfijnde loktactieken ontwikkeld. Deze tot hulpeloosheid verlamde prooien kloppen gauw opnieuw aan als er op weer een ander plekje op deskundige wijze een pleister geplakt moet worden. Uiteindelijk worden ze van binnen uit volledig geconsumeerd.

Invasieve soort

Verschillende pogingen tot bestrijding van deze invasieve soort zijn ondernomen ter bescherming en behoud van gezonde ecosystemen, met kennis als bestrijdingsmiddel. De meeste klok-zonder-klepel coaches hebben echter een structurele kennisresistentie ontwikkeld. Dit kan worden aangetoond door de ondanks de resistentie heftige reactie hierop: typisch zijn berispen, gal spuwen, en lasteren. Wortel schieten en stampij maken komen ook voor, vooral als gevolg van een afwijzing ondanks intens baltsgedrag. Dit zijn dan ook goede diagnostische kenmerken van deze soort, die zich vanwege biomimicry aan de oppervlakte niet altijd even snel onderscheidt van goedaardige soorten.

Professionele identificatie

Wij hebben verschillende biologen, gedragswetenschappers en kennisverspreiders ingezet om het aantal voedingsbodems voor de klok-zonder-klepel coaches drastisch te beperken en deze soort te identificeren ter conservatie van minder zelfzuchtige soorten die beter weten waarmee bezig zijn.


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Zachte paden

By | november 8th, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Ik besloot de proef op de som te nemen en iets te bloggen vanaf mijn mobiel, in bed, moe en vlak voor het slapen gaan, in de hoop dat ik daarmee verder tot mijn kern kon doordringen. Recentelijk zag ik bovendien een documentaire over de Kalkalpen en deze blijkt me wel degelijk geïnspireerd te hebben. Lees hier het resultaat:

Zachte paden

Warme herinneringen zijn mijn zachte paden. Ze lieten me ondervinden zonder voorwaarden, met een knisperende ondergrond, als lopen over mosbedden op blote voeten in schemerlicht.

Niemand keek over mijn schouder mee om mijn woorden, soms onuitgesproken, te wegen, verplaatsen of schrappen en me te berispen tot ik mijn stem verloor en alleen nog kon fluisteren.

Soms was ik alleen, soms hand in hand. Dan reisde ik en luisterde naar de inheemse klanken van de tropische tuin met koi in de vijvers, of zat ik met jou onder een overhangende boom in het park om de hoek terwijl de miezer alles fluisterend aanraakte. Overal mocht ik mijn talent voor anders zijn benutten en mijn gedachten in elkaar vlechten tot een stevige zachte basis.

Ik smacht ernaar om niet langer in helverlichte betonnen gangen opgesloten te zitten met geluiden als vervormde echo’s. Ik kaats heen en weer tussen hoop en desillusie. Mijn zinvol gewaande richting is verbrijzeld tegen de rotsen in de afgrond. Ik bleek vervangbaar en mijn ideeën gratis te bestelen. Basisloos kon ik nergens landen.

Ik probeer te landen in mijn vangnet van hervonden basisgedachten en van daaruit nieuwe zachte paden te banen.


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Boekrecensie: Het Zingende Paard, een dialoog over voortreffelijkheid

By | november 3rd, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Het Zingende Paard

Een dialoog over voortreffelijkheid

Jeroen Geurts, Harm van der Gaag
Prometheus Bert Bakker
2015
112 bladzijden
ISBN13-9789035143357

Bestellen

Jeroen Geurts (1978) is hoogleraar translationele neurowetenschappen en hoofd van de afdeling Anatomie & Neurowetenschappen aan VU medisch centrum te Amsterdam. Hij is lid van De Jonge Akademie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen en was de afgelopen twee jaar voorzitter van dit platform voor ‘excellente’ wetenschappers.

Harm van der Gaag (1967) studeerde wijsbegeerte in Utrecht. Naast zijn werk in een filosofische praktijk onderwijst hij zijn methode van socratische een-op-een-counseling aan de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden.

Wat is excellentie, hoe stellen we het vast, kunnen en moeten we ernaar streven? In Het Zingende Paard doen Jeroen Geurts (hoogleraar neurowetenschappen en lid van De Jonge Akademie van de KNAW) en Harm van der Gaag (filosofisch consulent) verslag van hun socratische dialoog over “Excellentie”.

Socrates & de dialoog

Op de markt in het antieke Athene stelde Socrates (ca. 400 v.C.) opvattingen op de proef die door zijn tijdgenoten als vanzelfsprekend werden aangenomen. Hij bevroeg hen naar de aannames en implicaties van hun opvattingen en liet zijn gesprekspartners standaard achter in volle verwarring, doordrongen van het besef van hun onwetendheid. Veel van deze gesprekken (dialogen) zijn opgetekend door Plato, die er echter ook zijn eigen draai aan gaf.

Tegenwoordig bedoelen we met ‘socratische dialoog’ een gesprek waarin deelnemers gezamenlijk proberen een filosofische vraag te beantwoorden. Dit is meestal een langdurig gesprek over een belanghebbend onderwerp waarover deelnemers op eigen gezag en uit eigen ervaring spreken. Een hedendaags socratisch gesprek eindigt net als in het antieke Athene vaak in verwarring: het vanzelfsprekende is minder vanzelfsprekend geworden, het belang van voortdurend onderzoek is duidelijk geworden.

Excellentie inkaderen?

De dialoog tussen de neurowetenschapper en de filosoof die aan de basis ligt van Het Zingende Paard besloeg een vol weekend. Het thema is in eerste instantie ingestoken vanuit het perspectief van de wetenschapper. In de wetenschappelijke sector speelt de notie ‘excellentie’ een sleutelrol bij het toekennen van subsidies, aanstellingen en hoogleraarschappen. Al snel zijn de vragen, argumenten en conclusies die voorbij trekken in het natuurlijke verloop van het gesprek ook breder van toepassing. De mannen onder elkaar spreken onder meer over excellente auto’s.

Bij het vaststellen van ‘excellentie’ in de wetenschap hanteert men ogenschijnlijk vele verschillende, zogenaamd objectieve criteria, maar het ontbreekt aan een eenduidige meetlat. Is het dan zo dat je excellentie ‘gewoon ziet’, volgens je eigen subjectieve maatstaf? Nee, deze voorlopige conclusie blijkt niet houdbaar en niet wenselijk in de praktijk. Kijk je etymologisch vanuit het Latijn naar het begrip, dan betekent excellentie zoveel als ‘uitstijgen boven’, ‘ex-cellere’. Een excellente wetenschapper steekt daarmee boven de schaal van goed, beter, best uit. Is ‘excellentie’ dan ‘allerbest’? Wederom nee, want dan zijn we weer terug in de, inmiddels opgerekte, schaal, terwijl ‘ex’ toch suggereert dat het buiten het kader ligt. Excellentie is echt anders dan zomaar heel erg goed. Maar of er bij excellentie sprake is van het oprekken van kaders of het openbreken ervan blijft de vraag. De gesprekspartners en schrijvers slapen er een nachtje over en de dialoog gaat de volgende ochtend verder.

Het zingende paard

De titel verwijst naar de sleutelpassage in de dialoog. De filosoof, die zich steeds openlijker de rol van de antieke Socrates toekent, tovert het concept ‘voortreffelijkheid’ uit zijn hoge hoed en breekt daarmee in op de eigenlijke structuur van het socratische dialoog. Hij geeft een kleine les over de antiek Griekse notie ‘arêtê’, deugdelijkheid, voortreffelijkheid — in het Engels interessant genoeg vaak vertaald met ‘excellence’. Al is deze wending wat geforceerd, het begrip geeft een interessante impuls aan het verloop van het gesprek. Een voortreffelijk paard doet wat een paard moet doen en kunnen, als paard. Het kan dus niet zingen, maar is gewoon een goed paard, niet per se het beste paard van allemaal of een beter paard dan andere paarden. Deze conclusie is, in de beste traditie van Socrates, verwarrend, want we bedoelen normaliter met ‘excellent’ toch zeker meer, of iets anders dan ‘gewoon goed’.

Geurts en Van der Gaag willen met dit boek klaarblijkelijk een bijdrage leveren aan de brede discussie over de rol van excellentie binnen de hedendaagse wetenschappelijke talentselectie. Hun impliciete boodschap is dat de Nederlandse selectie van wetenschappelijk talent, met haar focus op excellente toponderzoekers, is als een markt voor zingende paarden. Die doen niet alleen alle paard-eigen dingen op voortreffelijke wijze, maar van hen wordt bovendien verwacht dat ze kunnen zingen. Dit vinden de schrijvende gesprekspartners duidelijk een bedenkelijke stand van zaken.

Wat heeft een hoogbegaafde aan deze opgeschreven dialoog?

Veel elementen uit deze dialoog over excellentie, het zal u niet zijn ontgaan, zijn eveneens van toepassing op het conceptualiseren van hoogbegaafdheid. Coachlink Magazine had vorig jaar april een themanummer over “uitblinken”. Kerntalentenanalyst Anna Geburtig betoogt er weliswaar met behulp van een andere filosoof (Bas Haring, “Voor een echt succesvol leven”, 2007) dat hoogbegaafdheid niet per definitie gelijk is aan succesvol zijn (p. 66-69); in de rest van het magazine legt men wel onmiddellijk de link “uitblinken = excelleren = hoogbegaafd”. Prompt is ook een meetlat nodig om onderscheid te kunnen maken, een norm om te kunnen vergelijken met anderen. Maar denk eens na over de vraag of we bij hoogbegaafdheid eigenlijk te maken hebben met oprekkende kaders of met een buitenkaderig begrip? Als je hoogbegaafdheid wilt definiëren, bepaalt je antwoord op die vraag veel.

Ik raad niet alleen “hoogbegaafdheids-theoretici” aan om dit boekje in een rustig uurtje door te lezen. Ook in de praktijk is het behulpzaam voor persoonlijke reflectie op je hoogbegaafdheid. Veel hoogbegaafden worstelen met hooggespannen prestatieverwachtingen, van anderen en van henzelf. Hoe heerlijk is het als je alleen maar “gewoon goed” hoeft te zijn in galopperen en de ploeg trekken en niet ook nog hoeft te kunnen zingen?

Claartje van Sijl

Claartje van Sijl is filosofisch counselor. Ze helpt academici bij het gebruiken van hun intuïtie voor beter wetenschappelijk onderzoek. Ze helpt hen met vragen over doelen, het zoeken van een richting, balans en zelfverzekerdheid in hun leven en carrière.


© Claartje van Sijl | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Complexiteit en intensiteit: radicale acceptatie van mooi zijn

By | november 1st, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Dit is een tekst die ik schreef als reactie op ervaringen die ik in mijn werk als coach voor begaafd-gevoelige volwassenen op heb gedaan, ervaringen die ik relateer aan mijn persoonlijke ontwikkeling en die ik voel als stimulans tot nieuwe activiteiten. De theorie van positieve desintegratie is een belangrijke maar niet enige inspiratiebron voor mij en voor de personen die ik via mijn werk ontmoet, een stimulans om complexiteit in betekenisgeving en intensiteit van beleving te (h)erkennen, beantwoorden, onderzoeken en waarderen. Om deze reden deel ik de blog ook hier.

Er moet iets van mijn hart, en wie de ruimte heeft om al luisterend te lezen dank ik bij voorbaat.

Een aantal jaren werk ik als coach voor begaafd-gevoelige volwassenen. Ik heb over de jaren heen zoveel geweldige persoonlijkheden ontmoet. Dit is voor míj een ongelooflijke sociale voedingsbron geweest en ik heb mij tegelijkertijd kunnen uiten in een setting en op een wijze die mij goed ligt: sociaal, ontwikkelgericht en creatief. Geweldig! Na vele jaren van “extreem onzeker en extreem zelfstandig zijn” waarin ik min of meer alles wat er om mij heen gebeurde “verinnerlijkte” (ik citeer mijn vader, die een gave heeft voor treffende, scherpzinnige formuleringen), inclusief de conflicten, fricties, twijfels, negatieve emoties en afwezigheid van mijn omgeving, heb ik mij de afgelopen jaren op een van de meest dankbare manieren mogelijk weten te ontwikkelen tot een vreugdevol en binnen mijn standaarden (ha 😉 !) succesvol ondernemer. En, iets meer dan iets belangrijker dan dát, ik heb me ontwikkeld tot een liefdevol persoon, zichtbaar in samenwerking met een omgeving waarin ik mij gespiegeld zie en voel, emotioneel en intellectueel gevoed voel, waarin ik betekenis vind in wat ik onderneem en waarin ik basaal weet hoe, waarom ik waarvoor en voor wie bij kan dragen aan “de ontwikkeling” die mij sinds heugenis zo lief is.

De idealist in mij is ‘in vivo’. De verslagen nihilist laat zich soms via ironie herkennen, met enige regelmaat is de nihilist hoorbaar in momenten vol waarachtig verdriet en heel af en toe schreeuwt hij omslachtig om aandacht middels een dag protest onder een deken.

De nihilist viert echter ook hoogtij: ik voel nu namelijk dat ik om het even wat dan ook een mooi persoon ben en dat het inderdaad zó simpel is.

Basaal streef ik vermindering van erkend lijden na (nou, nou! roept de innerlijke criticus), en loop ik warm voor intensivering van vreugde, creativiteit en liefde (niks tegenin te brengen).
Ik leef dit, dat voel ik én ik maak fouten.

Dat dit mooi is, wie ik ben en wat ik doe, stond mij niet altijd zo helder voor de geest als de afgelopen tijden. Mijn werk heeft daaraan bijgedragen. Alle liefdevolle mensen die ik heb leren kennen, hebben daaraan bijgedragen.

Ik heb er ook aan bijgedragen, door er simpelweg te zíjn, blijkt nu.

Als ik schrijf dat ik mij ontwikkeld heb tot een liefdevol persoon, herinner ik mij dat ik gevoelsmatig altijd schuldig was ergens aan. Aan leven.

Schuldig aan “te veel”, “te intens”, “te ingewikkeld”, “te zelfstandig”, “te spontaan”, “te lui”, “te eigenzinnig”, “te betweterig”, “te dik”, “te gecontroleerd”, “te egoïstisch”. Te, te, te. “Noem mij maar Lot want té ben ik toch al”, concludeerde ik in mijn puberteit.
Ik voelde mij chronisch op visite in andermans leven, ik voelde mij een last zoals ik was. Deze ervaring hangt met een persoonlijke ontwikkelingsgeschiedenis samen, en een daar ook mee samenhangende sensitiviteit. Dat haalt echter niet weg dat ik niet schuldig kán zijn aan wie ik ben en hoe ik zo geworden ben. Of, zoals mijn vader laatst eens zei, “je bent niet zelf de oorzaak van je persoonlijke geschiedenis”. Hij sprak bemoedigend dat ook ik het wel eens word met mijn geheugen én mijn geweten (en de harmoniezoeker in mij streeft toch tenminste volledige consensus na ;-)).
Op deze momenten ben ik hem dankbaar voor zijn trefzekere reacties, vroeger zou ik mij op die momenten echter schuldig voelen “omdat ik blijkbaar extra aandacht nodig had”.

En nu komt de reeds vergeven crux:

Ook vóór dat ik zo bewust ervoer bij te dragen aan een groter geheel, zoals nu via mijn werk, en mij zo verbonden voel met dit grotere geheel, dat ik zo intens verinnerlijkte tot bittere zelfafwijzing aan toe, was ik een liefdevol persoon.

Wijsheid schuilt in ervaring, en de ervaring leert mij nu dat ik altijd al een liefdevol persoon was en dat ik niet schuldig ben aan mooi zijn. Ik kan nooit zelf schuldig zijn geweest aan mooi zijn.
Oftewel: ook voor de ontwikkeling tot het punt waar ik nu sta was ik goed, mooi, lief, fijn zoals ik was. De prestaties die ik in dit leven tot nu toe heb geleverd, zijn geen compensatie voor een chronisch te kort schieten. Mooi zijn was ik bij geboorte, begrijp en voel ik na de nodige ontwikkeling. Dat is de ironie.

Terug naar mijn werk en wat ik daarin ervaar en wil delen:

Mijn groei in mijn werk is samengegaan met een toename van contact met personen die een beduidend unieke, eigen emotionele, motivationele en cognitieve intensiteit kennen. Ik werk samen met complex denkende, veelzijdige voelende, diepe, diepe wil-hebbende personen.

Tussen de begaafde personen die ik ontmoet bestaan eindeloos veel verschillen. Van een afstand bekeken kan ik overeenkomsten tussen deze verschillen waarnemen, en ontstaan er subgroepen binnen ‘mijn’ doelgroep.

Zo is er een subgroep die ik ‘slechts’ kan duiden met termen als “intensiteit en complexiteit”. Personen die zoveel vragen stellen bij de term “begaafdheid” dat de term een uitgemolken sociale betekenis krijgt en per direct toe is aan persoonlijke herformulering en individuele, idiosyncratische, toegepaste innovatie.
Deze groep is altijd en overal intens op zoek naar het waarom, hoe, wanneer, wat, met wie, waartoe, want, welke, waar. Bij álles wat zij doen hebben ze eindeloos veel vragen te stellen. Bij elke onderneming ontwortelt een toestroom van twijfels. Een extreem diepe doorwerking kenmerkt hun gedachtewereld, een relatief kleine prikkel leidt tot een explosie aan gedachten, een wereld daadwerkelijk vol van gevaren en bedreigend rijk aan mogelijkheid.

Zij delen met mij een ervaren geïmplodeerde wil, een verlamming van motivaties die tot op spierniveau voelbaar is. Ze bevragen van alles wat zij bewust tegenkomen de essentie, het bestaan en de ontwikkeling.

Deze personen laten zien dat emoties een creatief proces zijn, kunnen schakelen als schaakmeesters, en raken hierdoor niet zelden over hun toeren van prikkels die anderen negeren, niet opmerken, niet waarderen of respecteren. Het zijn personen die overal betekenis in kunnen zien, en niet zelden vastlopen in de vraag wáár ze dat in wíllen zien. Deze personen denken tot waar ze voelen en voelen tot waar ze denken en tegen het leven, dat ze zo intens willen en zijn, zeggen ze keihard, knetter hoorbaar JA en met evenveel intensiteit en doortastendheid MAAR.

Déze intensiteit en complexiteit is moeilijk voor te stellen, tenzij je in superlatieven of vaag omschreven abstracties spreekt. “Intensiteit en complexiteit” zijn abstracties, eerder nog fysisch van herkenbare betekenis: ze spreken veel mensen, denk ik, niet aan op “sociaal-psychologisch” niveau, het zijn geen herkenbare labels, als in ‘sociale rollen’ verwoord in behandeltermen. “Intensiteit en complexiteit” zijn geen tot interventie leidende termen. Vooralsnog.
Toch zie ik het als essentiële termen, die samen zowel de fysiek-emotionele dimensie als de cognitief-intellectuele kenmerken betrekken, waarnaast ook de sociale kwalificaties, de relatieve en in samenhang met de omgeving bestaande kwaliteiten, in zekere zin geborgd zijn (een intense en complexe benadering van “je bent te gevoelig” of “maak het jezelf nu toch niet zo moeilijk” tot aan “wat een gedoe”).

Iemand die heel veel verbanden legt, divergerend denkt, extreem logisch nadenkt, letters in kleuren ziet en muziek in gevoelstermen denkt, personen die voedsel beminnen, rechtvaardigheid als hoogste goed zien, die ontwapenend intens genieten van een blik van een onbekende, personen die dichtklappen van een uitgebleven reactie, iemand die floreert in onzekerheid, personen die altijd en overal een afhankelijkheid in zien…

Deze personen hebben baat bij een diepe, diepe, radicale acceptatie van wat ze zijn. Mooi, sociaal, intelligent, creatief, lief. Mooie personen.

De wereld heeft baat bij mooie mensen. Mooie mensen die simpelweg mooi zijn.

Dit zijn namelijk personen die dermate veel vragen stellen dat het bestaan zelf betwijfeld wordt. Alles wat voor anderen klaarblijkelijk logisch, aanneembaar, niet “in frage” is…dát is voor hen een allergrootste bron van onzekerheid. Deze personen, die zo immens productief, overtuigd en enthousiast kunnen zijn dat er een nieuwe rekenmaat voor menskracht voor bedacht zou moeten worden…zíj lopen risico het bestaan, hun bestaan, hun waarde, hun zijn, zo intens diep te betwijfelen dat ze existentieel vast lopen. De extreme ervaringen van anders-zijn, het altijd ook weer ánders kunnen zien en begrijpen van wat voor anderen zo evident eenduidend is, de sociaal gemiste aansluiting en de altijd doemende onzekerheid…deze vragen om radicale acceptatie van een “positieve zijnsovertuiging” (zoals míjn coach dit mooi treffend verwoordt).

Deze groep is dermate sterk in het waarnemen van alle mogelijke mitsen en maren dat deze groep dés te meer baat heeft bij het waarnemen, invoelen, omarmen en positief voeden van wat radicaal waar is.

Namelijk dat ze er mogen zijn zoals ze zijn en dat is MOOI, en dat ze daarin kunnen floreren en dit, deze basale waarheid voor wáár kunnen gaan zien en zichzelf als zodanig uiten, in de complexe en extreem intense overtuiging dat ze mooi geboren zijn en altijd mooi zullen blijven en dat er niks anders op zit dan radicaal te accepteren dat zij ten diepste, tot in de meest complexe uithoeken van hun innerlijk bestaan óók mooi zijn.

Voor hen doemt cynisme, nihilisme, voor hen is het risico van dichtklappen en imploderen, van uit de school klappen en zich tot zelfhaat aan toe schamen, levensgroot, zoals het bestaan dat ís. Zij hebben het nodig om zichzelf tot in de kern lief te hebben, zoals zij alles tot de kern willen bevragen, weten, ontwortelen, herkennen en erkennen.

Noem het een geloofsovertuiging die je de ruimte biedt om overal aan te twijfelen, mét behoud van basale zelfzorgzaamheid: de overtuiging dat je mooi bent zoals je bent, ook als je zijn in zoveel kleuren, geuren, gedachten, gevoelens, momenten, sensaties, twijfels, missers, mislukkingen, en verliezen komt die het leven zo complex en intens als het is, rijk is.

 


© Lotte van Lith via >>PositieveDesintegratie.nl<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Lieve hoogbegaafde PhD-kandidaat die het niet meer ziet zitten,

By | oktober 23rd, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Lieve hoogbegaafde PhD-kandidaat die het niet meer ziet zitten,

Er is een celebritycultuur ontstaan in de wetenschap als gevolg van de focus op individuele prestige in plaats van samenwerking, en daar word jij je steeds meer bewust van. De competitie voor onderzoeksgeld op nota bene projectbasis is immens. Burn-outs zijn onderdeel van het systeem geworden en ook de gaten tussen tijdelijke contracten in zorgen voor veel stress. Daar loop jij ook tegenaan te hikken, maar er wordt vanuit gegaan dat jij je daar wel doorheen kan zetten voor “het hogere doel” (ook te lezen als “andermans hogere doel”, of “doel van de mensen die al gebakken zitten”, al voelt die gedachte nog confronterend en onwennig).

Het duurt ook nog eens vrij lang om een onderzoeksvoorstel te schrijven. Tijd die je nu niet, maar straks vanuit de WW misschien wel hebt. Misschien is het in de WW wel gezelliger dan in de wetenschap en kan je jezelf een beetje opladen, hoop je. Je bent nog steeds aan het afwegen en je breed aan het oriënteren op allerlei andere mogelijkheden, maar bent zo opgebrand dat dit je vaak niet meer lukt naast het vervullen van je dagelijkse taken. Je hebt ook geen begeleiding vanuit de wetenschap in het verkennen van die andere mogelijkheden: je bent op je vermoeide zelf aangewezen.

Ben je een goede wetenschapper? Kan je het wel? Ja, al zeg je het zelf. Je bent een van de beste PhD-kandidaten. Daar ligt het dan ook niet aan. Misschien heb je straks geen motivatie meer om een onderzoeksvoorstel te schrijven omdat goed zijn in deze branche nog steeds geen enkele garantie biedt op een vaste plek of doorgroeimogelijkheden. En dat is scheef: een hoofdbreker die je ‘s nachts wakker houdt. Het gouden ei ligt blijkbaar niet altijd onder de gans die het beste kan broeden en je voelt je schuldig dat het gouden ei niet op jouw nest ligt omdat je niet weet waaraan je deze oneerlijkheid dan kan toeschrijven.

Er wordt zeker in de “hogere” regionen van de academie niet geselecteerd op emotionele en creatieve intelligentie en inlevend vermogen, maar wel op het oppervlakkiger charisma en het extraverte type leiderschap, en dat wordt dan gedefinieerd als “sociaal vaardig”, of erger nog, als “excellentie”, en ook nog eens als mores geponeerd. De menselijke diversiteit die het establishment niet kent of wil leren kennen, kiest men ook niet. Op de tweede plaats komen de verdere cognitieve vaardigheden die handig zijn in de wetenschap. Er is lang niet altijd plek voor curiositeit als drijfveer: pas eerst maar met je onderzoeksonderwerp in het systeem.

Achter goedbedoelde acties, zoals je er bij proberen te betrekken, maar verder niet faciliteren, zit in eerste instantie een zelfgerichte motivatie. “Kijk mijn pogingen jou erbij te betrekken zodat je er tenminste niet buiten valt!” Hierdoor is er steeds minder oog voor je aflopende contract en je onzekerheden die daarmee gepaard gaan.

Een binnengehaalde prestigebeurs moet tien keer gevierd worden en je wordt steeds geacht erbij te zijn. Jij gunt het diegene en houdt je verdriet bij je, want je hebt lachplicht. In jouw bijzijn worden de plannen besproken voor het aannemen van twee PhD’s van dat onderzoeksgeld, die zich gaan bezighouden met twee mogelijke vervolgen op je eigen PhD, onder andere jouw ideeën omvattend, maar jij bent niet meer nodig. Een verdere investering in jou is dan ook een vriendendienst waarvoor je eeuwig dankbaar dient te zijn (dit herken je uit je stukgelopen vriendschappen). En de gewenste PostDoc heeft een andere achtergrond dus aan dat profiel kan je niet voldoen. Ook heb je ineens opkomstplicht op groepsbesprekingen van de nieuwe, verbrede onderzoeksgroep, terwijl deze niet relevant zijn voor de afronding van je PhD en je veelzijdige input terzijde geschoven wordt. En ineens moet je nog een college gaan geven, terwijl de vraag eerst gesteld werd alsof het een keuze was. Ten slotte word je geacht in je WW-tijd met je uitgeputte hoofd en lijf een cursus te gaan volgen die wel eens handig kan zijn voor een PostDoc-positie, want wellicht word je via een buitenkansje toch nog een excellente hemelbestormer met een prestigebeurs (voor de daarop volgende twee jaar dan).

Als je reageert op een PostDoc-vacature in plaats van zelf een onderzoeksvoorstel te schrijven, betekent dat een prestigebeurs minder op je CV en een breuk in je onderzoekslijn tot dan toe. In het huidige systeem zet dat je al op een zijspoor ten opzichte van de hemelbestormers die rechtstreeks naar boven toe schieten. Die hemel heeft de vorm van een piramide. Overigens wordt hooguit 10% van de onderzoeksvoorstellen gehonoreerd en wie dat dan zijn is niet gevrijwaard van willekeur.

Uiteindelijk lig je al in het water en klamp je je vast aan een uitgeworpen sleeptouw terwijl je de feestgangers op de boot goed kan zien. Het strand is vlakbij. De andere feestgangers denken dat dit onderdeel is van het feest, dus je moet blij en cheerful zijn want er is een prestigebeurs binnengehaald (jij staat buitenspel), want er is een nieuwe onderzoeksgroep met veel kruisbestuiving (jij bent gesteriliseerd), want er is een nieuwe kantoorruimte als broedplaats voor de hele onderzoeksgroep (jij kan je niet nestelen). Het is of je maar beter niet over een veelgelaagde, gevoelige persoonlijkheid kan beschikken, alsof je niet hoogbegaafd mag zijn in de wetenschap.

Liever knip je het touw door en strand je. Misschien is het goed om soms te stranden, omdat je voeten dan iets hebben om in te aarden, zodat je jezelf kan stabiliseren en in het rond kan kijken naar wat je echt zou willen.

Los van wat anderen ervan zeggen. Los van wat voor soort gebruik anderen van je wensen te maken. Los van wie steevast diens behoeften als superieur aan die van jou poneert, omdat jij, onbewust wellicht maar toch, steeds verder gedehumaniseerd raakt tot vervangbaar radartje in een systeem.

Neem geen genoegen met een leven als radartje. Doe wat bij jou past en wat jou zo waardevol maakt voor wie dat willen zien – en in eerste plaats jezelf. Kies wat het beste is voor jezelf en je unieke persoonlijkheid. Dat is knap lastig: durf daarbij hulp nodig te hebben. Bijvoorbeeld van mensen die vrede hebben gevonden met zichzelf, een bevredigende zingeving gevonden hebben en/of in vergelijkbare situaties hebben gezeten.


© Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Column hoogbegaafdheid – 8 – Yes, ik ga het weer redden!

By | september 30th, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is, maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Tijd is relatief

In een aflevering van de filosofische televisieserie van de NRT “Denken Doorzien” over het onderwerp tijd vertelt een Zweedse sociaal filosoof dat een personage Dunbar uit de absurdistische debuutroman “Catch 22” uit 1961 van de Amerikaanse schrijver Joseph Heller zijn leven probeert te “verlengen” door een zo saai mogelijk leven te leiden.

De reden dat Dunbar ervoor kiest om zich de hele dag te vervelen door niks anders te doen dan op zijn bed te liggen niksen, komt voort uit zijn overtuiging dat zodra hij iets zinnigs zou doen de tijd zou vliegen en hij dus “minder tijd” zou over hebben om te leven. Tijd is relatief.

Stompzinnig en zinloos

Wie ook zoiets wil ervaren mét een baan, raad ik aan om callcentermedewerker te worden. Tenminste voor mij werkte het. Dat tijd relatief is, wist ik natuurlijk al lang dankzij Albert Einstein die dat ook een keer op een mooie en simpele manier uitlegde: “Als je naast een knappe vrouw zit, lijken twee uur twee minuten. Maar als je op roodgloeiende kolen zit, lijken twee minuten twee uur. Dát is relativiteit.”

Als je werk doet dat je stompzinnig en zinloos vindt en vreselijk haat, gaat de tijd teeeergend langzaam en begin je je af te vragen of het even zitten op roodgloeiende kolen niet een welkome afwisseling zou zijn.

Wat is de zin van mijn leven?

Elke shift begon ik met het invullen van mijn werkbriefje gevolgd door het op mijn foutmeldingsbriefje tekenen van dertien vakjes die alle stonden voor één kwartier (zie foto). Door dit heel rustig te doen, startte ik meestal een paar minuten na de rest wat al meegenomen was. Elk kwartier keek ik ernaar uit dat ik weer een vakje mocht doorkrassen. Om het krassen iets meer te stimuleren en de tijd voor mijn gevoel ietsje sneller te laten gaan, deelde ik dat kwartier op een gegeven moment zelfs in drieën in: 14.00-14.05, 14.05-14.10 en 14.10-14.15 of in tweeën: 14.00-14.08 (afgerond) en 14.08-14.15.

Regelmatig keek ik op de klok op de telefoon om te kijken of er weer een minuut was voorbijgegaan, waarbij het me op een gegeven moment opviel dat niet elke seconde van de klok even snel doortikte. Vaak sprong ie bij seconde 53 opeens heel snel over naar seconde 54 alsof ie nog even moest compenseren dat de seconden die aftikten net iets langzamer gingen dan een seconde hoort te gaan en de klok dus eigenlijk geijkt diende te worden.

Om iets aan tijd te winnen, besloot ik altijd twee keer per shift naar de wc te gaan: om 14.30 en om 16.30. Ongeacht of ik moest plassen of niet, maar je wilt een paar minuten tijdwinst of je wilt het niet. Al moet ik wel zeggen dat ik me nogal onbenullig en eenzaam voelde om in de wc alleen maar voor me uit te staren naar de witte tegeltjes en me steeds twee dingen af te vragen: 1. Wat is de zin van het, of iets specifieker, mijn leven? en 2. Zijn er al een paar minuten verstreken?

Elke keer als ik even na half vijf de wc weer verliet, bekroop mij hetzelfde opgeluchte gevoel: yes, ik ga het wéér redden. Om even later hard wegfietsend richting de vrijheid en meer zinvolle tijdsbesteding al snel te bedenken van shit, voordat ik het weet, is het alweer morgen en zit ik hier weer.

Puur voor de lol

Gedurende de korte pauzes van een kwartier deed ik in het begin nog aandoenlijke doch vergeefse pogingen om lotgenoten te vinden die het werk net zo haatten als ik.

De eerste keer dat ik dat deed, begon ik iets te optimistisch met de vraag: “Ben je hier ook terechtgekomen door de omstandigheden (lees: crisis)?” Een in mijn ogen retorische en dus overbodige vraag. Maar de man aan wie ik het vroeg gaf een ander antwoord dan ik had verwacht, want hij vertelde mij dat hij dit niet deed voor het geld maar puur voor de lol. Na eerst gecheckt te hebben of ik wel goed hoorde wat hij net zei, dacht ik meteen van oké, jou moet ik dus niet hebben en liet het gesprek voor wat het was.

Andere definitie

Hoe meer mensen ik benaderde, hoe eenzamer ik me echter begon te voelen. Er bleken tot mijn grote verbazing wel degelijk mensen te bestaan die dit werk niet alleen acceptabel vonden, maar soms zelfs leuk. Deze mensen spraken over afwisselende projecten met leuke, gevarieerde gesprekken terwijl ik mij alleen maar afvroeg of wij het wel over hetzelfde werk hadden.

Nou heb ik wel vaker bij mensen die gevraagd naar de leukste kant van hun baan meteen roepen dat het zo gevarieerd werk is, dat ik mij afvraag of zij een andere definitie geven aan het woord “variatie” dan ik. Maar zo sterk als bij dit werk heb ik dat gevoel nooit eerder gehad.

Houden van saai werk

Als we het met z’n allen erover eens zijn dat “variatie” in het werk inhoudt dat je niet steeds dezelfde handelingen verricht en niet steeds hetzelfde zegt maar dat dat juist varieert, dan kan niemand met gezond verstand de stelling verdedigen dat callcenterwerk gevarieerd werk is.

Integendeel, want volgens mij zou dit werk met gemak kunnen worden geschaard onder de tien minst gevarieerde banen in Nederland. De mensen die desalniettemin blijven volhouden dat ze dit leuk en gevarieerd werk vinden, zou ik willen adviseren om er gewoon voor uit te komen en te accepteren dat ze blijkbaar houden van saai (sorry, subjectief) en weinig afwisselend (objectief) werk. Waar helemaal niks mis mee is, maar schep dan alsjeblieft geen verwarring voor anderen door het woord “gevarieerd” (verkeerd) te gebruiken.

Als het werk nou zou zijn afgewisseld met periodes waarin ik op roodgloeiende kolen mocht gaan zitten en (vooral!) met momenten waarop ik even met een aantrekkelijke vrouw zou mogen praten dan had ik de term gevarieerd nog wel enigszins op zijn plaats gevonden. Maar dan nog zou die vrouw wel verdomd aantrekkelijk moeten zijn (én mij ook zo zien) alvorens ik het werk als “leuk” zou gaan bestempelen.

Slot en conclusie

Hoogbegaafdheid en vijf strategieën

Ik las ergens dat hoogbegaafden vijf strategieën hebben om hun hoogbegaafdheid een plaats in hun leven en loopbaan te geven. Nou ja strategie, dit gebeurt misschien wel meer onbewust dan bewust, bijvoorbeeld vanwege het simpele feit dat iemand niet op de hoogte is van zijn hoogbegaafdheid.

In de eerste strategie beweegt de hoogbegaafde zich onopvallend door het leven en houdt zich gedeisd. Dit wordt veel gedaan door mensen die niet weten dat ze hoogbegaafd zijn en die zichzelf soms juist vrij dom vinden.

In de tweede strategie weet de hoogbegaafde dat hij heel slim is, heeft dat ook geaccepteerd en gaat om met gelijkgestemden waardoor hij gestimuleerd wordt en zich goed ontwikkelt.

In de derde strategie  is de hoogbegaafde door schade en schande wijs geworden en heeft geleerd dat je alleen met intelligentie niets bereikt. Hij heeft zich sociaal ontwikkeld tot een hoog niveau waardoor hij zich uiteindelijk prima redt.

In de vierde strategie is de hoogbegaafde confronterend bezig en beweegt zich van conflict naar conflict en van ontslag naar ontslag met een loopbaan van twaalf ambachten en dertien ongelukken.

De confronterende hoogbegaafde kan doorgroeien naar sociaal of juist terugvallen naar de vijfde en laatste “strategie”: isolement. Hierbij trekt de hoogbegaafde zich helemaal terug en loopt hij gevaar het contact met de samenleving te verliezen.

Als een stelletje echte nerds

Kijkend naar mijn leven en “carrière” herken ik dit proces. In het begin probeerde ik een beetje mee te hobbelen met de flow, maar kwam ik er op de middelbare school al snel achter dat dat weinig zin had.

Om wat voor reden dan ook was ik blijkbaar anders en vond ik, of ik wilde of niet, toch geen aansluiting. Ik kan me hier ook nog een goed en symbolisch voorbeeld van herinneren. Op schoolkamp hadden we een keer een disco en samen met de enige vriend die ik in de klas had, zaten we te dubben of we eraan mee zouden doen of niet. Zo’n disco was niets voor ons en uiteindelijk namen we het best wel stoere besluit om geen toneel te gaan spelen en niet te doen alsof we dat leuk vonden. We zonderden ons af in de kamer ernaast om een potje te gaan schaken. Als een stelletje echte nerds.

Braaf met de flow mee

Ook in mijn werk heb ik altijd geprobeerd om mee te hobbelen. Meer onbewust dan bewust kwam ik er langzaam maar zeker achter dat hoe meer ik voor mijn gevoel mezelf was, hoe slechter het voor me uitpakte. Vooral omdat ik in de communicatie tactisch nogal zwak blijk te zijn. Wat tot gevolg heeft dat als ik iets kritisch wil overbrengen, ik dat vaak te tactloos en te direct doe waardoor mensen geneigd zijn bij mij te denken van: ook al heeft hij gelijk, van mij zal hij het niet krijgen.

Toen mijn tactloze gedrag een paar keer tot ontslag leidde en mijn vrouw daar een beetje moe van werd, beloofde ik haar dat ik me bij de volgende baan keurig zou gaan inhouden. En zo geschiedde.

Ik hield mijn mond en ging braaf met de flow mee en werkte er vervolgens negen jaar, een record voor mij. Dat ik ook daar uiteindelijk ontslagen werd, kwam omdat ik in de tussentijd een scheiding meemaakte en ik er door mijn zoon was achter gekomen dat ik slimmer was dan ik altijd dacht en ik als emotionele reactie hierop besloot om toch weer een beetje los te gaan komen. Wat na al die jaren van frustratie waarin ik me steeds heel braaf had ingehouden, ook wel weer een keertje mocht vond ik. Maar wat echter helaas natuurlijk wel weer leidde tot mijn onvermijdelijke ontslag.

Altijd jezelf blijven

Dat confronterende hoogbegaafden het risico lopen om af te zakken naar een isolement in plaats van door te groeien naar een sociale hoogbegaafde kan ik goed begrijpen. Voor mijn gevoel ben ik decennia lang mezelf niet geweest, heb ik me als een gek uit onzekerheid, onwetendheid of wat dan ook lopen inhouden waardoor ik op dit moment weinig tot geen behoefte voel om mij sociaal te gaan aanpassen. Sterker, dat is wel het laatste wat ik nu wil.

Dit komt ook voort uit mijn overtuiging dat mijn problemen zijn ontstaan doordat ik in mijn leven juist steeds tussen aanpassen en confronteren heb gemanoeuvreerd. Waarbij het een feit is dat ik mij veel meer heb aangepast dan dat ik heb geconfronteerd. En dát zie ik juist als de oorzaak van veel ellende.

Als ik gewoon meer mezelf had durven zijn, had dat weliswaar tot nog meer conflicten geleid maar had ik ook zeker meer respect en waardering en kansen afgedwongen. Daarom is een van mijn levenslessen aan mijn kinderen om altijd van je eigen kracht uit te gaan en daarbij altijd jezelf te blijven.

Conclusie: kappen met deze onzin

Wanneer ik met mijn huidige kennis van hoogbegaafdheid met bijbehorende karaktereigenschappen en problemen zo objectief en afstandelijk mogelijk naar mijn eigen leven kijk en zie hoe alles is verlopen (zie vorige columns), kan ik moeilijk om de conclusie heen dat hoogbegaafdheid een rol heeft gespeeld. Wie (mij kent en) een andere, goed onderbouwde, verklaring of diagnose heeft, mag het mij zeggen. Vooral op sociaal vlak en in het werk ben ik keer op keer vastgelopen en zie ik een steeds terugkerend patroon waar ik echt niet meer omheen kan.

Wanneer ik iemand zoals mezelf zou moeten coachen, zou ik hem zeggen om onmiddellijk te kappen met deze onzin. Als meegaan met de flow niet jouw ding is, moet je niet uit onzekerheid of uit faalangst of wat dan ook er steeds maar – tegen beter weten in – mee doorgaan.

Accepteer dat het je nergens brengt, stop er vandaag nog mee en ga het ook nooit meer proberen. Sluit die deur voorgoed. Stap van het reguliere pad af en sla een andere weg in. Ga dingen doen die echt bij je passen en die je echt leuk vindt. Zoek geen “normaal” baantje maar begin bijvoorbeeld een eigen bedrijfje en zie maar waar het schip strandt. Wat heb je te verliezen?

Ja, een ander coachen is één ding, maar jezelf coachen is hele andere koek. Iets waar menig psycholoog, psychiater, hoogbegaafdencoach het ongetwijfeld mee eens zal zijn…

Deel 1Deel 2Deel 3Deel 4Deel 5Deel 6Deel 7

Tonko

Hoogbegaafd! Volwassenen

Lid worden


© “Tonko Vos” | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Column hoogbegaafdheid – 7 – God, wat verrassend; hoe zou dat nou komen?

By | augustus 30th, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is, maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Verkopen en verkopen

Omdat alle nadelen gelukkig ook hun voordelen hebben, bracht het callcenterwerk wel tot stand dat het me aan het denken zette over het onderwerp verkopen en wat dat precies inhoudt. Ik weet van mezelf dat ik absoluut geen commercieel type ben en dus allesbehalve een verkoper, maar dan nog heb je verkopen en verkopen.

Bij het eerste soort verkoopt de  verkoper in een winkel producten waar klanten op afkomen die er interesse in hebben. Iets waar ik geen enkel bezwaar tegen heb.

Dit echter in tegenstelling tot het tweede soort verkopen waarbij de kopers niet naar de verkoper toe komen maar de verkoper zich ongevraagd bij hen meldt, op straat, huis-aan-huis of telefonisch. Dat noem ik zeer onbeleefd en doet bovendien inbreuk op iemands privacy. Als ik interesse heb in een product, kom ik wel naar de verkoper toe en niet andersom.

Een noodzakelijk kwaad

Bij het laatstgenoemde soort zal de verkoper heel soms mensen vinden die geen bezwaar hebben tegen zijn toenadering en die zelfs wel interesse tonen in het kopen van een product. Maar het overgrote deel heeft dat niet en zal de verkoper beschouwen als een noodzakelijk (?) kwaad.

Cognitieve dissonantiereductie

Toch komt het af en toe voor dat iemand in eerste instantie denkt van dat wil ik helemaal niet, maar dat de verkoper daarna op zo’n manier aandringt dat hij uiteindelijk het product toch besluit te kopen. Ik vermoed dat als je deze koper later gaat vragen of hij blij is met de koop de kans groot is dat hij ja zal zeggen.

Interessante vraag hierbij of hij dat zegt omdat het echt zo is of omdat er iets anders speelt. Bijvoorbeeld dat hij eigenlijk niet wil toegeven dat hij niet blij is dat hij zich zo simpel heeft laten overhalen tot een koop van iets wat hij niet wilde hebben, maar dat hij inmiddels voor zichzelf redenen heeft bedacht waarom het eigenlijk toch wel beter is dat hij het product heeft gekocht.

Ik ben ervan overtuigd dat het succes van de topverkopers voortkomt uit dit proces, beter bekend als de cognitieve dissonantiereductie. Binnenhalen van klanten die eigenlijk helemaal niets willen kopen; het is een kwaliteit, maar wel eentje waar ik niet rouwig om ben dat ik ‘m niet bezit.

Dit opschrijvende besef ik dat mijn bespiegelingen over het begrip “verkopen” weliswaar leuk zijn bedacht, maar dat het niets nieuws zal zijn en er ongetwijfeld al boeken vol over zullen zijn geschreven. Die ik overigens niet lees, omdat het mijn interessegebied niet is.

Liegen, bedriegen, slijmen en overdrijven

Een van de lessen die ik van dit werk heb geleerd, is dat als ik ooit nog eens gedwongen word om een baan te nemen waarin ik iets zal moeten gaan verkopen, ik dat alleen doe op de eerst genoemde manier: in een winkel. Maar het liefst werk ik helemaal nooit meer in de commerciële branche. Een branche die drijft op liegen, bedriegen, slijmen en overdrijven, is gewoon niet mijn ding.

Neem alleen al zo’n eerste zin van een callcentermedewerker: “Goedemiddag u spreekt met Hans van Dalen van de Volkskrant, wat fijn dat ik u tref, ik heb iets fantastisch voor u en ik vraag mij of ik dat heel kort aan u kan voorleggen.

In de eerste tien woorden staan al twee leugens: 1. Je naam is niet Hans van Dalen en 2. Je bent niet van de Volkskrant maar van een callcenter. Dat je het fijn vindt dat je de persoon treft (een zin die ik weigerde uit te spreken), waag ik ook te betwijfelen. Voor mij gold dat in elk geval niet. Dat je iets “fantastisch” hebt (heb ik ook nooit uit mijn strot gekregen), is aan de persoon aan de andere kant om te beoordelen en is sowieso schromelijk overdreven aangezien er meestal wel betere aanbiedingen zijn te vinden als je verder zoekt.

Met die eerste leugen was ik overigens wel heel blij, want ik zou nooit onder mijn eigen naam willen bellen. Als ik bijvoorbeeld iemand moest bellen die in mijn buurt woonde of die ik theoretisch zou kunnen kennen, sloeg ik die over en klikte ik snel door naar de volgende. Puur uit schaamte.

Schattig dat sommige mensen aan me vroegen met wie ze gesproken hadden maar daarbij helaas niet beseften dat ze me daarmee enkel vroegen om mijn leugen te herhalen. Ik had de neiging om te zeggen “met Hans van Dalen, nummer dertien”.

De gunfactor

Grappig was toen de coach met mij het “slecht nieuws” gesprek voerde, ik te horen kreeg dat het er niet aan lag dat ik niet beleefd was geweest (ik ben denk ik het meest beleefd van iedereen) of dat ik me niet goed genoeg aan mijn script hield. “Maar je moet dit werk echt leuk vinden en dat ook uitstralen in de gesprekken waardoor mensen die eigenlijk niets willen kopen toch toehappen vanuit de ‘gunfactor’ omdat ze je zo aardig vinden overkomen.” En “op de een of andere manier” miste hij dat een beetje bij mij.

God, wat verrassend; hoe zou dat nou komen dacht ik alleen maar gelaten.

Ik moet de klanten juist de aankoop gunnen

Ook had ik me misschien wat beter kunnen inleven in de klanten zodat er een leuk gesprek was ontstaan en er mogelijkheden waren gecreëerd.

Ik had hier gerust met de coach in discussie kunnen gaan. Bijvoorbeeld over mijn standpunt dat een goede verkoper iemand is die producten verkoopt aan mensen die dat product echt willen hebben en er blij mee zijn in plaats van dat ze het niet willen hebben maar het toch kopen omdat ze je zo aardig vinden overkomen.

De klanten hoeven mij niet de verkoop te gunnen, ik moet de klanten juist de aankoop van het product gunnen. Het is maar voor welke benadering je kiest.

Naar het land der fabelen verwijzen

Of ik had met hem kunnen gaan discussiëren over het feit dat als hij mijn gesprekken had beluisterd hij had kunnen constateren dat ik me juist teveel inleef in mensen om dit soort werk goed te kunnen doen.

Je kunt veel van me zeggen, maar inmiddels weet ik maar al te goed dat ik aan empathisch vermogen echt geen gebrek heb. Integendeel (zie column 140). Twijfelende oude vrouwtjes die duidelijk moeite hadden om nee te zeggen, heb ik heel bewust niet overgehaald iets te kopen, omdat ik wel merkte dat ze het helemaal niet wilden.

Op momenten dat ik voelde dat iemand niet gediend was van mijn telefoontje (en dat was vaak), heb ik nergens aangedrongen. Terwijl een ander die persoon wellicht wel had “binnengehaald” door net zolang door te gaan totdat hij zou zwichten “om er maar vanaf te zijn”. Ik kan mezelf recht in de spiegel aankijken door het besef dat ik alleen maar producten heb verkocht aan mensen die het echt wilden.

Wie in deze branche beweert dat de beste verkopers het meeste inlevingsvermogen bezitten, hebben geen flauw benul van wat deze term precies inhoudt. Deze lulkoek kan ieder rationeel en verstandig mens zo naar het land der fabelen verwijzen.

Met een tekort aan inlevingsvermogen en een keiharde mentaliteit haal je meer klanten binnen (namelijk degenen die het product eigenlijk helemaal niet willen hebben) dan als je écht empathisch bent. Zo simpel is het.

Pure kansberekening

Ook had ik nog de discussie aan kunnen gaan over het gegeven dat ik weliswaar vaker dan anderen nullen scoorde bij projecten waar tijdens elke shift door de medewerkers nullen werden gehaald, maar dat dat ook simpelweg te maken zou kunnen hebben met de factor toeval. Want het verschil tussen het “binnenhalen” van nul of één klant hangt volgens mij vooral af van de factor geluk/pech, dit in tegenstelling tot het verschil tussen nul en vijf klanten.

Het is net als dat je tien mensen tien keer kop of munt laat gooien. Daar waar de meeste wisselend kop en munt zullen gooien, kan er ook altijd iemand tussen zitten die een reeks van zeven of acht of zelfs tien keer hetzelfde gooit.

Iedereen in het callcenterwereldje met een gezond verstand weet dat de factor geluk daar een hele grote rol speelt. In de grote vijver van potentiële klanten die gebeld worden, zitten er gemiddeld van de honderd altijd wel een paar tussen die ja gaan zeggen. Dus kan het zomaar zijn dat de ene callcentermedewerker er daar toevallig drie van “uitvist” terwijl de ander het zonder vangst moet doen. Pure kansberekening, niets meer en niets minder.

Totaal ongeschikt

Maar heel wijs ging ik niet in discussie. Ik wist maar al te goed dat dat geen zin had, dat ik mijn gelijk niet zou halen en dat ik dat bovendien ook helemaal niet wilde omdat het me allemaal niets uitmaakte.

Daarbij was er op één essentieel punt sowieso geen enkele discussie mogelijk: ik ben totaal ongeschikt voor dit werk en kan inderdaad beter vervangen worden door iemand die dit wel leuk werk vindt en die dat ook uitstraalt door de mensen vrolijk en spontaan te benaderen. Waardoor de klanten deze vervanger wel de verkoop gaan gunnen.

Ik vind alles best, zo lang als ze mij maar niet bellen. Aan de lijn zal ik callcenters sowieso nooit meer krijgen, want vanaf het moment dat ik met dit werk begon, neem ik principieel geen telefoontjes meer aan met een anoniem nummer. Als het echt belangrijk is, spreekt men maar in op mijn voicemail.

Het “slechte” nieuws bleek gelukkig helemaal niet zo slecht te zijn: zo ongelofelijk opgelucht als ik me voelde toen ik weer naar huis fietste, heb ik mij zelden gevoeld…

Deel 1Deel 2Deel 3Deel 4Deel 5Deel 6Deel 8

Tonko

Hoogbegaafd! Volwassenen

Lid worden


© “Tonko Vos”, Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Column hoogbegaafdheid – 6 – Jezus, baal jij nou niet ontzettend van je werk?

By | juli 30th, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is, maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Ontslagen

De directe aanleiding om over hoogbegaafdheid te schrijven, komt voort uit mijn frustratie over het feit dat ik twee weken geleden voor de zoveelste keer ontslagen ben. De telling houd ik niet meer bij.

Ik weet wel dat ik altijd twee soorten banen heb gehad: het soort dat sowieso van tijdelijke aard was (uitzendwerk) en het soort dat expliciet voor mij van tijdelijke aard bleek te zijn omdat ze mij vroeg of laat blijkbaar te lastig en te kritisch vonden.

Al was dit gelukkig de eerste “baan” waarvoor ik gewoon gewipt ben omdat ik veel te slecht was.

Nooit winnaar uit sollicitatietraject

Voor solliciteren heb ik een vergelijkbare statistiek: overal waar ik gewerkt heb, hadden ze snel iemand nodig en was ik toevallig de eerste die langs kwam en overal waar ze in de sollicitatieprocedure de keus hadden tussen meerdere kandidaten, werd ik het niet. Nog nooit ben ik als winnaar uit een sollicitatietraject gestapt.

Ik kom “blijkbaar” niet goed over bij mensen. Ze vinden me eigenwijs of, zoals ik bij mijn laatste sollicitatiegesprek te horen kreeg, nogal uitgesproken en stellig. En dat stoot mensen af.

Nooit plezier beleefd aan een baan

Ik ben 48 jaar en ik ben er niet bepaald trots op om eerlijk toe te geven dat ik nog nooit één seconde van mijn leven plezier heb beleefd aan een baan.

Ik schaam me daarvoor omdat dat betekent dat ik om welke reden dan ook hele verkeerde (of geen) keuzes in mijn leven heb gemaakt. Ik en niemand anders is tenslotte verantwoordelijk voor mijn leven.

Al heb ik nog wel iets van een excuus dat een ongelofelijk gebrek aan zelfkennis en een soort van minderwaardigheidscomplex hier geen onbelangrijke rollen in hebben gespeeld. Gelukkig heb ik bij een paar banen nog wel leuke collega’s gehad, wat het een en ander compenseerde en dragelijk maakte. Maar het werk zelf heb ik nog nooit op wat voor manier dan ook bevredigend gevonden.

Geen enkele reden tot klagen

Niet dat ik mezelf nu overigens als een zielig slachtoffer wil presenteren, want ik besef als geen ander dat als ik mezelf afzet tegen de rest van de wereldbevolking ik geen enkele reden tot klagen heb.

Dan behoor ik statistisch gewoon bij de 5% die het het best heeft. Ik weet niet hoeveel procent van de mensheid werk doet dat hij echt leuk en bevredigend vindt, maar ik vermoed dat we zouden schrikken van het extreem lage percentage. Voor hetzelfde geld, of beter gezegd voor heel veel minder geld, had ik op dit moment ook gewoon zestig uur per week in een riool in India kunnen werken.

Absoluut dieptepunt

Mijn absolute dieptepunt in mijn arbeidsleven – tenminste naar ik hoop – bereikte ik met mijn laatste, door de (of beter gezegd: mijn) crisis gedwongen “carrièremove”. Nou ja carrière; welke carrière?

Functie: callcentermedewerker. Locatie: bij een Telemarketingbedrijf bij de Oude Houthaven aan het IJ in Amsterdam. Of zoals dit bedrijf het liever zelf noemt: senior marketeer (junior marketeers heb ik er overigens nooit gezien…).

Want ook zij beheersen de kunst van het geven van interessante, eufemistische en vaak Engelse namen aan iets minder interessante functies. Wie kent ze niet: de floormanagers, de sales promotors, de supervisors, de accountmanagers enzovoort. Ongetwijfeld ook allemaal mensen met de juiste “hands-on”(?) mentaliteit. Ze zijn proactief, flexibel, dynamisch, resultaatgericht, innovatief en denken uiteraard allemaal Out-of-the-box. Mag ik alsjeblieft een teiltje?

Daar gaan we weer

Toen ik te horen kreeg dat mijn scores te slecht waren en dat het toch een commercieel bedrijf was dat winst moest maken en ze voor mij zo een ander hadden, had ik een piepklein momentje een beetje gemengde gevoelens. Dat gemengde zat ‘m vooral in mijn gevoel van: daar gaan we weer. Opnieuw weer zonder werk en opnieuw weer die toenemende financiële druk en problemen.

Enorme opluchting

Maar voor de rest moet ik bekennen dat vooral de enorme opluchting overheerste. In mijn omgeving had ik de laatste tijd al losgelaten dat ik hoopte dat ik hier zou worden ontslagen omdat ik me pas écht zorgen zou gaan maken als ik overal blijk te worden ontslagen behalve voor dit soort werk. Dat zou pas kwetsend zijn.

Ik ben wel de eerste om toe te geven niet geschikt te zijn voor commerciële functies zoals die van “senior marketeer”. Poeh, wat haatte ik dat vreselijk stompzinnige werk uit de grond van mijn hart.

Als ik op mijn 48e erachter zou zijn gekomen dat deze functie mijn roeping was, was ik heel snel een krukje en een stevig stuk touw gaan zoeken. Om die reden kon ik er ook prima mee leven dat dit de eerste keer was dat ik werd ontslagen omdat ik slecht functioneerde in plaats van dat ze me gewoon te lastig vonden. Wat overigens ook had ook gekund, ware het niet dat ik me er keurig heb ingehouden.

Afgewezen nooit leuk

Aan de andere kant kan ook ik er niet omheen dat afgewezen worden nooit leuk is en ook nooit zal wennen. Ironisch ook trouwens dat ik ben afgewezen voor werk waarin vrijwel alles draait om afwijzingen.

Eigenlijk is callcentermedewerker wel het stomste werk wat je kunt doen (let op, de zin gaat nog door) als je zoals ik toch wat extra gevoelig bent voor afwijzingen. Meer dan negentig procent van de mensen die je in zo’n functie belt (en meer dan 95% bij mij), zegt tenslotte “nee” en wijst je af en ik geef ze alle gelijk van de wereld.

Ik vermoed dat de psychologie ons leert dat het voor niemands zelfvertrouwen goed is om continu “nee” te horen, hoe logisch die afwijzingen ook mogen zijn.

Zelfs als je honderd mensen moet bellen vanuit een bedrijf dat voor de Verenigde Staten elektrische stoelen maakt met als doel suïcidaal-achtige personen te vinden die bereid zijn te testen of dat ding echt doet waarvoor die bedoeld is, dan nog zul je teleurgesteld zijn als ze allemaal nee zeggen. Hoe begrijpelijk dat ook is. “Mevrouw, u klinkt echt doodongelukkig. Dit is uw kans om aan dat gevoel (en alle gevoelens) een eind te maken!”

Jezus, baal jij nou niet enorm van je werk?

Ik heb altijd een gruwelijke hekel gehad aan callcenters. Jaren geleden toen ik nog samen was met mijn vrouw werden we als gezin met jonge kinderen regelmatig tussen 18.00 en 19.00 tijdens spitsuur gebeld door callcenters. Gek werd ik ervan. “Jezus, baal jij nou niet ontzettend van je werk?”, vroeg ik een keer aan zo’n irritante callcenterkwal. Een retorische vraag leek mij, niet wetende dat ik op een dag ook zover gezonken zou zijn om de kwal aan de andere kant van de lijn te zijn.

Na mijn scheiding verliet mijn ex-vrouw het huis en stond ze erop om het telefoonnummer mee te verhuizen naar haar nieuwe adres. Ik vond het een beetje vreemd verzoek, maar gaf toe en gelukkig maar. Na eenmaal een nieuw telefoonnummer te hebben gekregen, werd ik vrijwel nooit meer lastig gevallen door die irritante callcenters.

Gelikt verkooppraatje en pushen, pushen, pushen

Toen ik jaren later na weer een ontslag uiteindelijk via het UWV gedwongen werd om naar een vreselijk callcenter in Almere te gaan, werden al mijn vooroordelen over callcenters meer dan bevestigd. Ik kreeg een instructie van een chagrijnige man die vertelde dat je veel oudere mensen aan de lijn kreeg die eigenlijk niet zaten te wachten op jouw telefoontje (quelle surprise) en dan was het een kwestie van je “gelikte verkooppraatje” houden om vervolgens alleen nog maar te gaan “pushen, pushen en nog eens pushen”. Ik moet de man meegeven dat hij er niet omheen lulde wat dit k..werk inhield.

Geheel tegen mijn principes in

Terug bij het UWV deed ik iets wat officieel niet mocht: ik weigerde deze baan omdat dit geheel tegen mijn principes inging.

Een tijd later kwam ik een ex-collegaatje tegen van een bedrijf waar wij ooit samen waren ontslagen. Zij was net als ik een paar jaar terug opnieuw ontslagen en ook zij had een tijd lang zonder werk gezeten, maar inmiddels werkte ze sinds kort bij een callcenter dat volgens haar oké was en lang niet zo erg als daar in Almere. Je werd er niet gepusht en er zaten veel hoogopgeleide ZZP’ers met slechtlopende creatieve bedrijfjes die door de crisis gedwongen waren om dit soort werk aan te nemen.

Met lood in de schoenen besloot ook ik uit pure wanhoop en gedwongen door de omstandigheden me een jaar geleden te melden bij dit callcenter. Een officieel sollicitatiegesprek kreeg ik niet waardoor ik me helaas niet kon verschuilen achter de zoveelste afwijzing. Ik mocht meteen beginnen, jippie.

Grootste callcenterhater

Na de eerste zeven proefshifts te hebben gedraaid, hadden ze al hun twijfels over mij. Maar na nog een paar extra proefshifts mocht ik tot mijn verbazing/teleurstelling toch blijven. Wel dacht ik toen al dat als ze ook maar een fractie van een seconde hadden beseft hoe vreselijk stompzinnig ik dit werk vond, ze mij nooit hadden aangenomen.

Ik durf gerust te stellen dat ik de grootste callcenterhater ben geweest die ooit voet in dat gebouw heeft gezet. Blijkbaar was dit mijn beste prestatie in toneelspelen ooit, zeker als je weet dat ik nou niet bepaald bekend sta als iemand die goed kan toneelspelen. Daarvoor schijn ik non-verbaal veel te sterk te zijn…

Ondanks dat ik mijn ex-collegaatje wel gelijk moet geven dat dit callcenter waarschijnlijk de minst erge in haar soort is in Nederland ben ik er niet bepaald trots op dat ik een jaar lang werk heb gedaan wat indruist tegen al mijn principes en gevoelens. Ik heb er gewoon een hekel aan om mensen lastig te vallen die daar niet om gevraagd hebben.

Deel 1Deel 2Deel 3Deel 4Deel 5Deel 7Deel 8

Tonko

Hoogbegaafd! Volwassenen

Lid worden


© “Tonko Vos”, Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Column hoogbegaafdheid – 5 – “Er is wel iets met jou aan de hand”

By | juni 30th, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is, maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Niet empathisch?

Jarenlang heb ik met name doordat mijn (ex) vrouw en haar moeder dat bij mij vermoedden, gedacht dat ik niet empathisch was en dus ook wellicht een of andere vorm van autisme had. Gebrek aan empathie is tenslotte dé overeenkomst tussen alle autistische varianten die er bestaan.

Maar in de loop der tijd ben ik daar toch eens goed over gaan nadenken. Stom dat ik dat trouwens nooit eerder deed, want zo ingewikkeld is dat natuurlijk niet: je definieert de term “empathisch”, je kijkt wat de kenmerken ervan zijn en je onderzoekt of en in hoeverre je die bij jezelf herkent.

Wel empathisch?

Hoe meer ik me in de term empathie ging verdiepen, hoe meer ik erachter kwam dat ik niet alleen kon concluderen dat ik wel degelijk empathie had, maar dat ik zelfs empathischer blijk te zijn dan een gemiddeld persoon.

Daarvoor kan ik inmiddels een aantal goede argumenten en voorbeelden aandragen. Afgezien nog van een paar simpele feitjes als dat ik bij empathietestjes op internet boven het gemiddelde scoor en een halfjaar geleden nog een vrouwelijke collega tegen mij zei dat ze mij zo’n empathisch persoon vond. Al kun je daar nog wel tegenin brengen dat ik toen werkte bij een zeer louche dakdekkerbedrijf waar zij mannelijke collega’s gewend was die je niet bepaald kunt rekenen tot het meest empathische soort op deze aarde.

Opkomen voor gepeste kinderen

Toen ik een kind was, had ik al medelijden met kinderen die werden gepest waardoor ik voor ze opkwam (zie ook meer hier en hier over pesten). Het als kind opkomen voor gepeste kinderen, is iets wat niet veel kinderen doen. Behalve dat dat kan duiden op een gebrek aan lef, kan het er ook mee te maken hebben dat veel van deze kinderen weinig/minder empathisch zijn en dus ook minder de behoefte zullen voelen om in te grijpen.

Dierenleed

Zo lang als ik leef heb ik altijd iets met dieren gehad (met name met alle katachtigen) en ben ik dus ook met ze begaan. Ook al was ik nooit een grote vleeseter is het geen toeval dat ik al vanaf mijn twaalfde jaar vegetariër ben.

Daar waar ik gek genoeg documentaires over de Holocaust zonder problemen kan zien (vooral door gewenning), geldt dat niet voor documentaires over dierenleed waar ik soms echt niet naar kan kijken uit walging van wat ik zie.

Wat mensen elkaar kunnen aandoen op deze wereld is al verschrikkelijk, maar wat mensen dieren kunnen aandoen vind ik nóg erger. Simpelweg omdat dieren veel kwetsbaarder en weerlozer zijn dan mensen. En zeker ten opzichte van datzelfde menselijk ras dat qua intelligentie (maar ook qua wreedheid) superieur is aan de dieren. Onrecht tegen dieren maakt mij ontzettend kwaad.

Vertrouwenspersoon

Als ik ergens werk – wat soms voorkomt – en er komt een nieuwe collega die mij aardig lijkt (als ik denk wat een eikel is het eerlijk gezegd een ander verhaal) dan doe ik altijd mijn best om zo iemand op zijn/haar gemak te stellen en ben ik heel behulpzaam.

De reden hiervoor is dat ik als geen ander weet dat je je in zo’n situatie ongemakkelijk en onzeker kunt voelen en veel andere collega’s je gewoon laten zwemmen. Ook ben ik op mijn werk ooit aangesteld in de vrijwillige functie van vertrouwenspersoon. Weliswaar een halfjaar voordat ook zij mij ontsloegen, maar dat is een ander verhaal wat hier helemaal los van staat. Maar dan nog zou het opvallend zijn geweest als ze mij in zo’n functie hadden aangenomen als ze niet in mij enige vorm van empathie hadden bespeurd. Mag ik toch hopen.

Attentheid en empathie

Vroeger was ik altijd heel attent naar mensen om me heen.  Waarschijnlijk ook gewoon uit de hele menselijke eigenschap om gezien, gewaardeerd en aardig gevonden te willen worden. Maar omdat ook ik een ego heb dat gekrenkt kan worden, is mijn attentheid in de loop der jaren steeds minder geworden omdat ik merkte dat ik tien keer attenter was naar anderen dan andersom en ik me toch heel kinderachtig begon af te vragen waarvoor ik het allemaal deed.

Zo vond ik het altijd leuk om als iemand jarig was me een beetje in die persoon te verdiepen om met een toepasselijk kaartje en/of cadeau te komen. Geven schijnt gelukkiger te maken dan nemen en dat geloof ik onmiddellijk.

Als mijn vrouw jarig was, gaf ik haar bijvoorbeeld het nieuwste boek van Isabel Allende omdat ik wist dat ze dat vroeger altijd geweldige boeken vond. Of ik gaf haar dat ene geurtje waarvan ik wist dat ze daar erg van hield. Grappig is echter dat ze mij vaak op mijn verjaardag ook geurtjes gaf, terwijl ik daar helemaal niets mee heb. Ik begon aan mezelf te twijfelen en vroeg me af of ik nou zo’n saai mens was dat mijn vrouw blijkbaar niets anders wist te verzinnen dan een cadeau waar ik geen affiniteit mee had/heb. Nu ben ik gelukkig zover dat ik weet dat attentheid te maken heeft met inleven en dus met empathie.

Plaatsvervangend schaamtegevoel

Ook heb ik de eigenaardigheid dat als ik een televisieprogramma zie waarin mensen flink voor lul worden gezet, ik er niet naar kan kijken en wegzap. Er bekruipt mij dan kennelijk een soort van plaatsvervangend schaamtegevoel of zo. Ik moet dan echt tegen mezelf zeggen van tjee doe niet achterlijk, het overkomt jou toch niet!

Bij andere televisieprogramma’s als bijvoorbeeld “Spoorloos” kan ik weer soms als een wijf snotteren als ik geraakt word (lees meer). Waar ik wel aan moet toevoegen dat dit iets is dat ik vroeger als volwassene nooit had, maar sinds het hebben van kinderen en vooral sinds mijn scheiding moet ik concluderen dat ik blijkbaar een emotioneler mens ben geworden.

HSP en empathie

Dat veel vrienden van me een HSP bleken te zijn en ik ook kenmerken van hoogsensitiviteit bleek te hebben, stelde ik al eerder vast (lees meer). En als je dan weet dat HSP’ers veel empathischer zijn dan gemiddeld – en de meeste hoogbegaafden toevallig ook hoogsensitief zijn – en je ervan uit mag gaan dat het geen toeval is dat ik goed met HSP’ers klik, lijkt de conclusie dat ik empathisch ben niet zo vergezocht.

Sterk rechtvaardigheidsgevoel

Het is veelzeggend en eigenlijk absurd dat ik het noodzakelijk heb geacht om dit alles te analyseren om mezelf te kunnen geruststellen dat ik wel degelijk empathisch vermogen heb en ik dus geen autist ben. Hopelijk spreken mijn columns wat dat betreft ook voor zich. Veel van mijn columns komen tenslotte voort uit een sterk rechtvaardigheidgevoel. De hieruit voortvloeiende gevoelens van onmacht als ik via de media word geconfronteerd met onrecht en oneerlijkheid vormen denk ik ook een belangrijk kenmerk van empathie. Zonder empathie geen columns zoals deze.

Beticht van afwezigheid van empathisch vermogen

Na mijn conclusie dat ik wel degelijk empathisch ben en dus ook geen autist kan zijn, rest de interessante vraag waarom mijn ex-vrouw mij dan toch betichtte van de afwezigheid van empathisch vermogen wat op mij overkwam als een verwijt.

Uiteraard denk ik als eerste omdat zij blijkbaar iets in mij miste in onze relatie die uiteindelijk dan ook niet voor niets uitmondde in een scheiding.

Ik kan me bij haar gevoel wel wat voorstellen. Al hebben alle verhalen twee kanten en ook hier, want dat gevoel van missen was helaas wederzijds.

Vertrouwen wekken

Meestal ben ik iemand die bij individuele personen snel vertrouwen weet te wekken. Ik denk dat dat vooral komt doordat ik nieuwsgierig en belangstellend ben en veel directe vragen stel die anderen niet snel durven te stellen. Daarbij stel ik mezelf ook altijd kwetsbaar op.

Hierdoor heb ik diverse keren in mijn leven meegemaakt dat mensen die ik nog niet eens zo goed kende, aan mij dingen vertelden waarvan ze beweerden dat ze die nog nooit aan iemand anders hadden verteld. Blijkbaar roep ik dat dus bij sommige mensen op.

Gesloten

Helaas moet ik constateren dat dat om wat voor reden dan ook bij mijn eigen vrouw eigenlijk nooit is gelukt. Ik vertelde haar aan het eind van ons huwelijk ooit dat er volgens mij achter haar stoere en zelfverzekerde uitstraling een klein gevoelig en kwetsbaar meisje verscholen zat dat naar buiten wilde. Maar dat hoe graag ik dat meisje ook tevoorschijn wilde laten komen, ik helaas moest concluderen dat dat mij in elk geval niet was gelukt en dat ik dat ook een beetje als falen zag. Omdat ik zoiets normaal gesproken tot mijn sterkste kanten reken.

Waar het aan lag dat het mij niet lukte, heb ik wel ideeën over. Ik heb mijn vrouw altijd heel gesloten gevonden, al is het grappig dat zij precies hetzelfde over mij zei. Terwijl ik mezelf nou niet bepaald als gesloten zou omschrijven.

Ja, voor mensen die ver(der) van me af staan kan ik zeker overkomen als een stille, introverte man. Maar dat geldt zeker niet voor vrienden die mij goed kennen. Die zullen veel over me zeggen maar niet dat ik gesloten of stil ben. Terwijl ik vermoed dat de vriendinnen van mijn vrouw haar wel eens zo zouden kunnen omschrijven.

Een gesloten boek

Hoe je het ook wendt of keert, kan ik voor mezelf concluderen dat mijn vrouw ook voor mij een gesloten boek bleef waarvan ik de sleutel eenvoudigweg niet kon vinden. Ik kreeg gewoon geen hoogte van haar.

En omdat zij niet hield van mijn directe manier van communiceren en sommige vragen van me impertinent en brutaal vond, zal ik ongetwijfeld bewust dan wel onbewust ook steeds meer afstand van haar hebben genomen.

Projectie

Behalve dat het kan zijn dat mijn vrouw door de groter wordende afstand empathie bij mij miste, is er ook een andere verklaring voor haar verwijt naar mij toe. Ik moet daarbij denken aan mijn moeder.

Sinds mijn vader een paar jaar geleden overleed, heeft mijn moeder de neiging om hem allerlei eigenschappen toe te dichten die in de ogen van mijn zus en mij totaal niet kloppen. Dan vertelt ze bijvoorbeeld dat ze mijn vader altijd zo dominant vond en somber en negatief en pessimistisch.
Dat dat niet juist is, blijkt onder andere uit het feit dat onze vader ons ooit had laten weten dat als hij zijn leven een cijfer zou moeten geven, hij er een acht voor zou geven. Mijn moeder daarentegen vertelde mij ooit dat als ze terugkeek op haar leven ze vond dat ze niets van haar leven had gemaakt. Een acht zou voor haar helaas iets te hoog gegrepen zijn.

Mijn zus maakte toen de verstandige opmerking dat onze moeder aan projectie deed: het verschijnsel waarbij mensen negatieve eigenschappen of emoties van zichzelf trachten te ontkennen, verbergen of verdringen door deze aan iemand anders toe te schrijven. Mensen die dit doen, doen dit meestal onbewust om niet de confrontatie met zichzelf te hoeven aangaan over hun minder leuke kanten: “Wat je zegt, ben je zelf!” en “Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten”.

Niet bepaald empathisch

Zeker nadat ik mij verdiept had in het onderwerp empathie kon ik bevestigen wat ik al eerder vermoedde: ik vond mijn vrouw behalve gesloten ook niet bepaald empathisch. Zo kan ik me nog de dag herinneren dat ik haar heel zenuwachtig vertelde over mijn ontdekkingen over hoogbegaafdheid en mijn vermoedens dat ik “het” zelf misschien wel was. Nuchter als altijd reageerde ze met: “En wat wil je daarmee doen?” Terwijl ik had gehoopt op een beetje begrip en belangstelling over hoe ik tot dit idee gekomen was.

Andersom zou ik aan haar lippen hebben gehangen en allemaal vragen hebben gesteld.

Met mijn vermoedens tot weinig empathie bij mijn ex-vrouw, was het cirkeltje rond aangezien zij precies hetzelfde over mij dacht. Al vermoed ik dus dat hier ergens sprake was van projectie.

Verschillende visie op communicatie

Ook interessant was dat ik er aan het eind van ons huwelijk achter kwam dat wij een hele andere visie op communiceren hadden. In mijn ogen is de basis van een goede communicatie binnen een relatie dat je belangstellend naar elkaar toe bent en dit laat zien door interesse in elkaar te tonen door het regelmatig stellen van vragen. Zij daarentegen vond dat als je in een relatie elkaar dingen wilde vertellen je dat wel uit jezelf deed en er daarvoor geen vragen hoefden te worden gesteld.

Hierdoor ontstonden vreemde situaties tussen ons waarbij ik bijvoorbeeld ergens was geweest en bij thuiskomst hoopte dat zij belangstelling zou tonen door het stellen van vragen (al was het alleen maar van “Hoe was het?”) terwijl zij er gewoon van uitging dat als ik iets wilde vertellen ik dat wel deed. Gevolg: pijnlijke stiltes en een prachtig voorbeeld van hoe een verschillende visie op communiceren funest is voor een huwelijk.

Inmiddels ben ik erachter dat heel veel mensen de communicatiemethode van mijn ex hanteren, want ik kom in mijn leven veel meer mensen tegen die veel praten (en weinig zeggen) maar daarbij nooit vragen aan mij stellen dan mensen die heel geïnteresseerd en belangstellend zijn. En wie mij kan zeggen hoe je geïnteresseerd en belangstellend kunt zijn zonder vragen te stellen, mag het mij zeggen. Mij lijkt dat in elk geval onmogelijk.

Als een soort zombie

Behalve dat ik op basis van alle feiten nu wel kan zien dat ik geen autist ben, heb ik deze conclusie inmiddels ook zwart op wit van een erkend psycholoog.

Een tijd terug ging het niet zo lekker met me en mijn zus besloot een psychologe voor me uit te kiezen en met mij mee te gaan. Waarschijnlijk omdat ze anders twijfels zou hebben of ik wel zou gaan, en terecht. Ik kan me er niet zoveel meer van herinneren. Volgens mij zat ik er als een soort zombie bij met een houding van het kan me allemaal toch niks meer schelen. Maar desalniettemin beantwoordde ik braaf de vragen en vertelde mijn verhaal.

Het sociale spel

Op een gegeven moment hadden we het over sociale situaties en vertelde ik dat ik in gezelschap vaak het gevoel heb alsof iedereen het sociale spel beheerst behalve ik. Ik haat small talk gesprekken en vind het allemaal nogal onbenullig en nietszeggend en ik weet dan gewoon geen raad met mijn houding. Heel vaak komt het in dat soort situaties voor dat zonder dat ik het besef en zonder dat ik dat bewust doe ik opeens behalve figuurlijk ook letterlijk buiten de groep val. Dan zit ik bijvoorbeeld met een groep mensen aan een lange tafel en op een gegeven moment splitst die zich in twee praatgroepjes. Altijd, echt altijd is het dan zo dat ik weer in het midden beland bij de splitsing. Sterker: ik bén de splitsing. Ik weet niet hoe ik het voor mekaar krijg, maar ik flik het steeds opnieuw. Alsof die mensen dat van tevoren met elkaar hebben bekokstoofd. Om paranoïde van te worden.

Kenmerkend voor PDD-NOS!

De psychologe die mijn verhalen volgens mij niet bijster interessant vond, veerde bij het horen van mijn mededeling dat ik het zag als een spel dat ik niet beheerste opeens enthousiast op en riep dat dat kenmerkend is voor PDD-NOS.

Volgens mij zeer opgelucht over het feit dat ze iets uit haar theorieboekjes had onthouden én herkend, verwees ze mij niet alleen onmiddellijk door naar een specialistisch centrum voor diagnose van autisme maar regelde ze ook meteen een afspraak voor me. “Omdat dit niet mijn specialiteit is.”

Ik was niet eens in staat om de boze emoties in me naar boven te halen die ik had toen men ook op basis van vrijwel niets mijn oudste zoon PDD-NOS in de mik probeerden te schuiven (lees meer).

Ik ben geen autist

Eenmaal thuisgekomen werd ik pas weer wakker en mondig en assertief en belde ik onmiddellijk mijn zus op om haar te vertellen dat het grote bullshit was dat ik autistisch zou zijn en dat ik echt niet van plan was om naar zo’n stom centrum te gaan. Maar mijn zus zei dat ik gewoon moest gaan, “want er is wel iets met jou aan de hand.”

Een week later ging ik toch maar bij het centrum langs, waar ik anderhalf uur een leuk gesprek had met een specialist daar die mij aan het eind de bevestiging gaf van wat ik al wist: ik ben geen autist.

Ik zei tegen hem dat ik dat graag zwart op wit wilde hebben om de eerstvolgende persoon die mij van autisme zou gaan betichten mee om de oren te kunnen slaan. De man ging akkoord en herhaalde de woorden van mijn zus dat er echter wel “iets” met mij aan de hand was. Maar wat dat precies was, wist hij ook niet.

Persoonlijkheidsstoornis NAO

Blijkbaar wilde hij dat zwart op wit niet onvermeld laten, want even later kreeg ik een verklaring thuis gestuurd waarop stond dat was vastgesteld dat ik geen autistische stoornis had, maar dat hij bij mij wel dacht aan een persoonlijkheidsstoornis NAO.

Bij navraag bleek dat te betekenen: Niet Anders Omschreven. Vrij vertaald kun je deze “diagnose” krijgen als ze wel wat afwijkingen bij je zien, maar ze deze niet in één hokje weten te plaatsen. Waarvan akte.

De “stoornis” hoogbegaafd

Natuurlijk had ik de man nog kunnen opzoeken om de discussie met hem aan te gaan of ik niet heel misschien de “stoornis” hoogbegaafd zou kunnen hebben, omdat ik me steeds maar weer opnieuw blijf herkennen ik al die kenmerken en dat toch geen toeval kan zijn.

Maar ik heb het wijselijk hierbij gelaten. Ik word een beetje gek van die hulpverleningswereld met al haar diagnoses en niet anders omschreven persoonlijkheidsstoornissen. Geef mijn portie maar aan Fikkie.

Als mijn ex en haar moeder willen, kunnen ze trouwens altijd een kopietje van me krijgen…

Deel 1Deel 2Deel 3Deel 4Deel 6Deel 7Deel 8

Tonko

Hoogbegaafd! Volwassenen

Lid worden


© “Tonko Vos”, Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Column hoogbegaafdheid – 4 – You’ve got to be kidding me!

By | mei 30th, 2016|Categories: Volwassenen|Tags: |

Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is, maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Verkeerde hokjes

De poging van het instituut om mijn zoon persé in een hokje te willen plaatsen wat achteraf alleen niet de juiste bleek te zijn, is iets waarvan ik durf te wedden dat dat ontzettend vaak voorkomt in Nederland. Ik had alleen geluk dat ik kritisch meedacht en mijn vraagtekens zette en dus een second opinion aanvroeg, maar heel veel andere ouders hebben dat geluk natuurlijk niet. Eenvoudigweg omdat zij minder mondig, kritisch of slim zijn of gewoon teveel ontzag voor autoriteit tonen waardoor ze opkijken tegen alles wat maar een witte jas aanheeft. Met als gevolg dat deze witte jassen hen alles kunnen wijsmaken wat ze maar willen.

Ik wil niet weten hoeveel kinderen er op dit moment in Nederland rondlopen die doodongelukkig zijn omdat zij (en hun ouders) niet beseffen dat ze in een heel verkeerd hokje zijn geduwd. Met als vervelend gevolg dat ze momenteel de verkeerde behandelingen ondergaan en misschien zelfs medicijnen slikken die nergens op slaan of die de problemen alleen maar verergeren.

You’ve got to be kidding me!

Niet veel later na het MCDD-incident werd mijn zoon door zijn problemen in de omgang met andere kinderen op school geobserveerd door weer een nieuw iemand van weer een nieuwe hulpverleningsinstantie.

Deze mevrouw had mijn zoon iets van een halfuur geobserveerd en wist ons toen met stelligheid te verkondigen dat hij PDD-NOS had. Toen had ik het echt even helemaal gehad met dit soort Mieppen en instanties die maar denken dat ze de waarheid in pacht hebben. En dat allemaal op basis van een halfuurtje naar mijn zoon kijken op het schoolplein. Kom op zeg, you’ve got to be kidding me!

Ik viel uit tegen deze mevrouw en zei haar dat ik haar met al mijn ervaringen toch moeilijk serieus kon nemen. Verdomme, ik kreeg het idee dat als ik met mijn zoon naar tien verschillende instanties zou gaan ik tien verschillende diagnoses zou krijgen. Hoe kun je in godsnaam na een halfuurtje een diagnose stellen waar jouw kind straks wellicht zijn hele leven mee zit opscheept? Ik was woedend.

Een stoornisje meer of minder

Grappig is dat in de loop der tijd ook over mij door professionals én bekenden dingen zijn geroepen over “wat ik zou hebben” die, vaak achteraf, gewoon aantoonbaar niet klopten en waarvoor ik inmiddels goede argumenten kan aandragen.

In de laatste jaren van mijn huwelijk kreeg ik een keer van mijn vrouw een artikel dat haar moeder speciaal voor mij had uitgeknipt. Zo’n typische actie van een vrouw en/of schoonmoeder, al was dit niet bepaald een hint waar de subtiliteit vanaf droop. Het was een artikel over het syndroom van Asperger. Ach, een stoornisje meer of minder in ons gezin moet niet uitmaken, zal mijn schoonmoeder hebben gedacht.

Asperger syndroom

Samen met PDD-NOS en MCDD valt ook het Asperger-syndroom onder het autistisch spectrum. Net als bij alle andere vormen van autisme houdt ook Asperger in dat je in elk geval problemen ondervindt in de sociale communicatie, je (hoogstwaarschijnlijk) een gebrek aan empathie hebt, je beperkte interessegebieden hebt en je opvallend herhalingsgedrag vertoont. Afwijkend ten opzichte van andere autistische varianten is dat mensen met Asperger geen vertraagde taalontwikkeling hebben gehad en een gemiddeld of zelfs hoog IQ hebben.

Als mijn schoonmoeder mij een beetje had gekend en zich (of ik mij) wat beter in mij en in Asperger had verdiept, had (ik) ze (toen al) geweten dat er een paar zaken niet klopten aan haar vermoedens. Waarin ze wel gelijk had, is bijvoorbeeld mijn monotone stem dat ook bij Asperger hoort. En ook dat ik moeite heb met bepaalde sociale situaties. Al kan dat natuurlijk ook andere oorzaken hebben. Zo bestaan er ook mensen die moeite hebben om te verkeren in sociale omgevingen waarin ze niet het gevoel hebben dat er een sfeer heerst waarin onderling oprecht veel interesse in elkaar is. Op het onderwerp empathie kom ik straks nog uitvoerig terug.

Enorme ironische humor

Behalve dat ik zeer breed geïnteresseerd ben en geen opvallend herhalingsgedrag vertoon met allemaal vaste procedures en gewoontes (dat zou ik juist wat meer kunnen gebruiken, chaoot die ik ben), ging mijn schoonmoeder op meer punten de mist in.

Typerend voor mensen met Asperger is bijvoorbeeld dat ze dingen nogal letterlijk kunnen nemen en daardoor moeite hebben met het inschatten of iets een grap is of niet. Ik heb zelf enorme ironische, cynische humor en als ik een autist zou zijn, zou dat volgens mij vrij uniek zijn.

Ook blijken “Aspergers” motorisch nogal onhandig te zijn. Ik ben altijd een goede sporter geweest en ik kan met geen mogelijkheid ergens uit concluderen dat er motorisch iets mis zou zijn met mij. Ook vertoon ik niet zoals veel “Aspergers” een overgevoeligheid voor geluiden, geuren en aanrakingen. Iets wat ook hoort bij hoogsensitiviteit (HSP) wat overigens weer een totaal andere “stoornis” is dan autisme. Ook daar kom ik later op terug.

O jee, dat is dus mijn probleem!

Overbodig te zeggen dat ook mijn vrouw ervan overtuigd was dat ik autistisch was. Sterker nog, ik ben er honderd procent zeker van dat zij dat tot op de dag van vandaag nog steeds van mij denkt. Wie haar kent, moet het haar maar eens voor de grap vragen. Op een dag vertelde mijn vrouw dat ze mij totaal niet empathisch vond.

Het stomme van dit alles is dat ik in die tijd nog veel te weinig kennis bezat over al deze “stoornissen” (en over het begrip “projecteren”!) en bovendien veel te weinig zelfvertrouwen had en overal aan twijfelde en in de eerste plaats aan mezelf.
Hierdoor nam ik in feite heel veel aan van wat mensen in mijn directe omgeving over mij aan mij vertelden. Dus toen mijn vrouw en schoonmoeder aankwamen met autisme, Asperger en een gebrek aan empathie dacht ik meteen: o jee, dus dat is het. Dát is mijn probleem.

Als ze me hadden verteld dat ik volgens hen een paranoïde persoonlijkheidsstoornis bezat, had ik ze ook geloofd. Dan had ik ze waarschijnlijk eerst enorm gewantrouwd om vervolgens snel te bedenken van shit zie je wel, ze hebben toch gelijk.

Rubik’s Cube

Nu moet ik zeggen dat dit allemaal speelde net voordat ik meer kennis kreeg over hoogbegaafdheid en er voor mij over mezelf toch wat puzzelstukjes op zijn plaats begonnen te vallen. Vooral kleine details begonnen opeens betekenis te krijgen.

Zo kon ik mij bijvoorbeeld herinneren dat ik als jonge puber gefascineerd met de Rubik’s Cube begon te spelen toen die net was uitgekomen en voor het eerst een rage werd. Grappig, want momenteel is de kubus een rage in mijn dochters klas en speelt zij er even fanatiek mee als ik 35 jaar geleden.  Alleen zijn de tijden veranderd: tegenwoordig leren de kinderen elkaar de oplossing die is opgezocht op You-Tube.

Uuuren heb ik met de Rubik’s Cube gespeeld, totdat ik ‘m uiteindelijk oploste en de grootste lol er vanaf was. Al ging ik er nog wel een beetje mee door om mijn snelste tijd steeds te verbeteren. Vooral achteraf vind ik het toch best bijzonder dat ik ‘m zelf heb opgelost, omdat je kunt denken dat je daarvoor een bepaalde wiskundige aanleg moet hebben. Ik vond wiskunde echter niet leuk, ook vooral omdat ik een vervelende leraar had waar ik recht tegenover zat en die tot overmaat van ramp stevig rookte (wat toen nog mocht in de klas). Hierdoor wist ik meteen dat ik geen wiskunde zou kiezen in mijn vakkenpakket. Iets wat ik achteraf jammer vind, aangezien ik het idee heb dat ik misschien best aardig in wiskunde had kunnen zijn. Volgens mij ben ik sterk in logisch nadenken en wat is er nou logischer dan wiskunde?

In elk geval was ik er toen al best trots op dat mijn methode om de Rubik’s Cube op te lossen anders bleek te zijn dan de gebruikelijke methode en ik niemand anders zag die het op mijn manier deed. Die gebruikelijke methode is overigens veel sneller door de kubus laag voor laag op te lossen. Op deze wijze schijn je dat ding vanuit elke stand zelfs in slechts twintig draaiingen op te kunnen lossen, waardoor het wereldrecord inmiddels ergens rond de vijf (!) seconden ligt .

Voor mijn methode, die naar ik later begreep de Corners First-methode heet (omdat ik eerst de hoeken “invul”), heb je veel meer draaiingen nodig. Je maakt mij ook niet wijs dat iemand op mijn manier dat ding binnen tien seconden kan oplossen. Mijn record is dertig seconden, wat ik overigens nooit meer zal verbeteren. Ik had toen veel geluk omdat die goed “viel”, wat voor mijn methode absoluut vereist is.

Toch zal ik me altijd blijven afvragen of ik niet pure mazzel heb gehad met het oplossen van de kubus door gewoon veel te oefenen of dat er wel degelijk een bepaald inzicht mee heeft gespeeld.

Deel 1Deel 2Deel 3Deel 5Deel 6Deel 7Deel 8

  • Ook gepubliceerd op