Je hoogbegaafde kind

‘Het zit er wel in, maar het komt er niet uit…’

By | september 20th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Dat is wat zijn basisschool vroeger over mijn man zei, en waarom we nu dus voor fulltime hoogbegaafdenonderwijs gekozen hebben voor onze zoon. Nu we door ons kind weten wat hoogbegaafdheid inhoudt, herkennen we er steeds meer van onszelf van vroeger in.

Zo blijkt dit dus ook (nog) bij onze zoon te zijn: het zit er wel in, maar het komt er niet uit. Hij laat niet zien wat hij kan, want hij h/er/kent zijn eigen potentie nog niet en zit zichzelf enorm in de weg.

Veel hoogbegaafde kinderen, en voornamelijk de kinderen die lekker in hun vel zitten, hebben een onverzadigbare zucht naar kennis en willen steeds iets nieuws. Hoe meer interessante onderwerpen, hoe beter.

Mijn kind niet… Mijn kind raakt verlamd door zijn perfectionisme en een niet mis te verstane faalangst.

Gelukkige kinderen die zich veilig voelen kennen geen limieten; die willen niet beperkt worden.

Mijn kind heeft juíst kaders nodig om zichzelf verder te kunnen ontwikkelen, waarin de kans op fouten (in zijn hoofd) gelimiteerd wordt en waarbinnen hij zich veilig voelt.

‘Nieuwe dingen? Brrr dat is eng! Want dat kan ik nog niet, dus de kans dat ik fouten maak is groot.’

Dan blokkeert hij en hij ontzegt zichzelf daardoor zó veel! Het liefst zou hij alles in één keer kunnen, zonder dat hij daarvoor al te veel moeite hoeft te doen – hij moet leren leren – want leren gaat nu eenmaal gepaard met fouten maken. En dat is waarschijnlijk zelfs de beste leermeester! Laatst zei hij nog:

‘Op de eerste twee scholen hoefde ik niks te doen, alles ging vanzelf.’

Maar nu op de fulltime hoogbegaafdenschool wordt hij aan het werk gezet. Hij vindt het helemaal niet prettig om uit zijn comfortzone te moeten komen. Het liefst blijft hij “onzichtbaar”. Van ontlopen heeft hij een sport gemaakt en hij ziet altijd alléén maar spoken en beren op de weg. Zijn potentie is eindeloos, maar zonder structuur ziet hij juist eindeloze mogelijkheden om fouten te maken. Dus doet hij niets méér dan het vereiste werk en ook dat gaat met moeite, omdat hij de lat onbereikbaar hoog legt voor zichzelf.

Ik word daar erg verdrietig van, maar waarschijnlijk heb ik makkelijk praten omdat ik niet vastzit en blokkeer. Daarom hebben we nu een coach in de arm genomen en die zal er nog een hele kluif aan hebben. Want met al mijn wijsheid, liefde en goede wil lukt het mij helaas niet om tot hem door te dringen – hij is een levensechte oester – en is het voor hem makkelijker, waarschijnlijk vooral omdat het veiliger voelt, om met een buitenstaander te praten.

De vele misconcepties over hoogbegaafden maken mij daarom ook erg verdrietig:

‘Hij is toch zo slim? Dan moet alles toch makkelijk gaan?’

‘Hoezo is hij ongelukkig? Ik wou dat ik zo slim was, dan wist ik het wel!’

‘Ach, jullie zijn toch ook gewoon groot geworden zonder al die poespas?’

‘Hoezo heeft hij uitdaging nodig? Hij kan toch wel gewoon even een boekje lezen op de gang als de rest nog bezig is?’

Die exclusie vóelen ze. Afwijzing is wat ze al zo vaak ervaren hebben in hun jonge leventje. …En dan vind je het gek dat ze geen moeite meer doen?

Hoogbegaafd zijn is vaak helemaal niet “makkelijk”. Ga de thuiszitters maar eens tellen. Kijk maar eens naar de kinderen die ondertussen in therapie en aan de medicijnen zijn, al dan niet omdat ze vaak ten onrechte óók gediagnosticeerd zijn met AD(H)D, PDD-NOS, autisme of wat dan ook. Tel de kinderen die buikpijn hebben als ze naar school moeten. Zie de kinderen die onderpresteren om maar niet op te vallen en vervallen zijn in “sociaal gewenst gedrag” om er maar bij te mogen horen. Deze kinderen zijn óók nog eens zeer sensitief, waardoor ze helemaal in de knoop raken. Daar word je als ouder echt niet vrolijk van.

Deze kinderen verdienen minstens net zoveel aandacht en hulp als de kinderen die aan de onderkant van het intelligentiespectrum zitten, vooral ook omdat jeugdtrauma’s later nog voor veel problemen kunnen zorgen. Die continue afwijzing en het onbegrip kunnen heel goede redenen zijn dat veel hoogbegaafden niet eens de universiteit halen.

Mijn zoon heeft ondertussen met zijn 9 jaar oud al een heel gepantserd fort om zich heen gebouwd en gedraagt zich nu onverschillig. Hij zegt:

‘Ik ben niet níet gelukkig, maar ik ben niet Ongelukkig.’

Als daar je moederhart niet van breekt dan weet ik het niet meer…

Hoogbegaafd! Ouders

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Hoogbegaafd! Ouders Vlaanderen

Vlaanderen

 Lid worden


© Alicia Puik | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Ik ben ‘bijzonderling’!

By | september 4th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Gedurende mijn hele leven zijn er, om mij te omschrijven, woorden gebruikt als apart, raar, een kluizenaar, anders, te gevoelig en irritant. Dat laatste omdat ik blijf doorvragen en/of omdat ik het regelmatig bij het rechte eind blijk te hebben. Dat klinkt wellicht arrogant, maar zal voor veel hoogbegaafden herkenbaar zijn. Ook zijn er woorden gebruikt als bijzonder, te open, te eerlijk, te bijdehand, en als ik geluk had, wijs en puur. Mijn moeder gaf me in ieder geval (onbewust) vertrouwen mee door aan anderen te vertellen:

‘die loopt niet in zeven sloten tegelijk’.

Vroeger en nu nog steeds kunnen mensen mij “niet plaatsen”. Ze kunnen gewoon niet geloven dat ik ècht geen bijbedoelingen heb en ècht zo oprecht en open ben. Er zijn maar weinig mensen die met mijn eerlijke directheid kunnen omgaan en vaak blijk ik daarmee ook een gevoelige snaar te raken waarvan ze liever niet gewild hadden dat ik die raak… Maar door mijn hoogsensitiviteit – ik noem het ‘mijn antennes’ – voel ik nu eenmaal verborgen dingen.

Wat daar dan veelal uit voortkomt is dat ik die mensen bij wie ik verborgen pijn en verdriet voel wil helpen, wat ik dan ook vanuit mijn goede hart probeer. Tijdens dat “therapeutische proces” probeer ik die persoon dan zelf aan het denken te zetten en vooral ook te laten voelen, en in het gehele proces ben ik brutally honest alsook zeer oprecht, open en meelevend. Dit wens ik dan ook van de ander, anders kan ik ze niet helpen.

Ik hoef niet omzichtig benaderd te worden omdat ik hoogsensitief ben, maar wel gewoon eerlijk, met respect en vriendelijkheid, wat ik ook aan de ander geef.

Ondanks dat mijn hulp meestal wel (maar lang niet altijd) gewaardeerd wordt ga ik vaak toch “te ver” in mijn behulpzaamheid, in mijn oprechte wens om iemand te willen helpen. Ik vermoed dat vele hoogbegaafden zich ook wel zullen herkennen in dit plaatje: wij zien vaak de uitkomst al terwijl de ander nog door een (verwerkings)proces heen moet.

Eigenlijk is het (willen) helpen van anderen voor mijzelf ook een leerproces (en ik leer nu eenmaal graag, óók over mezelf). Veel mensen willen namelijk geen hulp aannemen en ik moet dat accepteren, hoe moeilijk ik dat ook vind. Meestal omdat ik ze dan “te dicht bij zichzelf breng”, of omdat ze er nog niet aan toe zijn, of (nog) niet voor open staan. Ergens is dat ook wel te begrijpen en vergelijkbaar met de uitspraak ‘ongevraagd advies voelt als kritiek’.

Later kwam bij mij het inzicht dat ze nu eenmaal zelf door hun éigen proces heen moeten gaan, anders worden zij er ook niets wijzer van. Je kan het een beetje vergelijken met huiswerk: als ik het antwoord op de vraag al geef, en mijn zoon er dus niet eens over na heeft hoeven denken dan léért hij daar niets van! Dat inzicht heeft mij veel rust gegeven, al blijft het voor mij moeilijk om niet te (mogen) helpen.

Al met al, en op velerlei gebieden, moeten hoogbegaafden accepteren dat ze niet altijd het antwoord al vóór mogen zeggen en dat ze regelmatig als “zonderling” bestempeld worden.

Onder andere door al het bovenstaande heb ik mezelf grotendeels teruggetrokken uit het zakelijke en sociale leven.

Omdat iedere hoogbegaafde, met zijn eigen eigenaardigheden en (hoog)gevoeligheden bijzonder is en nooit goed “geplaatst” kan worden, geef ik ze hun eigen “hokje”, namelijk: ‘Bijzonderlingen’!

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Hoogbegaafd! Volwassenen Vlaanderen

Vlaanderen

 Lid worden


© Alicia Puik | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

De intensipaat

By | september 2nd, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Ik had eigenlijk al lang een burn-out moeten hebben. Ik heb mezelf uitgewoond, vermoeid, bijna door de toeslaande verveling in de academische mallemolen laten vermalen, ik heb lood in mijn schoenen gehad, jeuk gehad van protocolneukers en rondjes gezwommen in de circulaire bureaucratie. Uiteindelijk werd ik moe van mezelf, oververmoeid, maar het is me niet gelukt om een burn-out te krijgen. Ik bleef hongerig naar kennis en inzicht.

Dat betekent dat ik je ook geen “I came from the darkest depths of hell and now I rose to fame and fortune, and so can you” motivatieverhaal kan vertellen, zoals goeroes dat zo mooi nep kunnen met een grote grijns op hun gezicht en een nietsontziend ego dat zó aanwezig is dat het velen verblindt en tot volgzaamheid maant.

De laatste jaren wordt ineens veelvuldig het woord millennial in één zin genoemd met het woord burn-out. Ik zie mezelf niet als millennial. Eigenlijk ben ik ook geen 28, maar 50. En toch ook weer 28. En 40. En soms zelfs 20 of 60. Maar dat hangt van de context af; fysieke leeftijden zijn maar getalletjes. Eigenlijk is niets in mijn ontwikkeling normaal, en normaal hangt dan weer af van de cultuur en het milieu waarin je geboren en opgegroeid bent. Vaak is me gevraagd of ik expres zo abnormaal doe.

Burn-out is niets meer dan de funeste ontrafeling van het te lang niet in een passende omgeving verkeren. Als je hoogenergetisch bent heb je jezelf dus wel heel hard en heel lang moeten uitputten door in een context gevangen te zitten die te veel afbreuk doet aan de essentie van je zijnswijze.

Als kind was ik al hoogenergetisch. In plaats van uren wakker te liggen omdat ik nou eenmaal naar bed moest terwijl ik nog lang geen slaap had, kroop ik met een leesboek en een zaklamp onder de dekens. Ik zat letterlijk met mijn neus in de boeken, want vooral de geur van versgedrukte boeken op zwaar, glanzend papier was een genot en had al lang als parfum op de markt gebracht moeten zijn.

Ik trok me terug in het veilige semi-kluizenaarschap van mijn rijke innerlijke leven, waarbinnen ik intens genoot van het bezoeken van vreemde landschappen en sterrenstelsels. Mijn vrienden vond ik vooral in heimelijke innerlijke dialogen. Ondertussen las ik over de levenscycli van verschillende soorten sterren, de klimatologie van manen om de planeten in ons zonnestelsel, de vorming van landschappen, het ontstaan van leven. Ik bedacht systemen waarmee een neerstortend vliegtuig op zee veilig zou kunnen landen en waarmee energie kon worden opgewekt uit golfkracht. Ik verzamelde en sorteerde insecten in de achtertuin, uit het zicht van schreeuwerige buurtkinderen, en zeediertjes langs rotskusten.

De confrontatie met mijn externe leven maakte me in vlagen verdrietig en eenzaam. Mijn leeftijdgenoten hadden geen kaas gegeten van mijn gedachtegangen, kennis, vocabulaire en fantasie. Mijn taalgebruik in de klas maakte me daar tot het professortje, terwijl ik zocht naar raakvlakken met kinderen die om wat voor reden dan ook afweken van het vulgair-populaire. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat ik in verre van alles raakvlakken vond bij anderen. School was niets meer dan een dagbesteding zonder dat ik er wezenlijke aandacht aan besteedde. Als ik me aanpaste was er weer iets anders waarin ik afweek. Ik probeerde mezelf dan gerust te stellen door de mensheid als nietig evolutionair product te zien in een immens groot heelal.

Het was een kunst om mijn hoofd koel te houden. Het zichzelf in eenzaamheid staande moeten houden in die claustrofobische scholen zonder werkelijke steun van enige volwassenen zorgde voor een verzengende hitte in mijn hoofd. Ik beeldde me dan in dat ik opstond, mezelf voorzag van een vlammenwerper, en daarmee de schoolmuren wegfakkelde. Of ik stelde mezelf voor met mijn hoofd in een krat met ijsklontjes. Toen ik op scouting zat, enigszins een verademing ten opzichte van school, heb ik uiteraard meermaals gerotzooid met een deodorant-bus en een aansteker.

Dat intense kind is een intense volwassene geworden. Ik zal mijn leven lang een intensipaat zijn. Nog altijd is mijn innerlijke wereld onzichtbaar voor velen en dat zal wel zo blijven. Wel ben ik me nu meer bewust van de kracht die ervan kan uitgaan richting de externe wereld en met dat besef kan ik zorgen dat ik in de context van andere personen en organisaties zichtbaarder word zonder in egomania door te schieten, het tegenovergestelde van onzichtbaarheid.

Grenzen doen remmen. Ik kijk over landsgrenzen heen omdat ik weet dat ik me in veel organisaties zó moet inhouden – dat is natuurlijk ook richting de mij niet passende organisaties hartstikke intimiderend – dat het zowaar tot een burn-out kan leiden. Landsgrenzen impliceren een harde “binnen versus buiten de grens”, waarbij er een totaal andere culturele wereld lijkt te bestaan aan de andere kant. Als ik maar breed genoeg durf te kijken zie ik één groot geheel. Wel verbaast het me dat de wereld nog niet compleet in elkaar is geploft en nog enigszins lijkt te functioneren, terwijl er zo veel faliekant fout en tergend traag en deerniswekkend dom gaat.

Intensiteit zonder richting is samengebalde woede, oververhitting en entropie. De intensipaat komt optimaal tot haar recht als hoogspanningskabel, niet richtingsloos, wél grensoverschrijdend. Soms over een donker woud heen gespannen, soms zigzaggend door bergen en dalen, waardoor de richting uit het zicht verdwenen lijkt. De intensipaat is in elk geval geen slachtoffer van de aan haar gegeven hoogspanning.

De intensipaat die dit stuk schreef zal uit de anonimiteit treden als ze het zicht op de richting van de hoogspanningskabel hervonden heeft. Onzichtbaarheid? Dan niet langer!

Update: de intensipaat is n.a.v. overweldigend veel reacties uit de kast gekomen.

Gross MUM, 2004. Exceptionally gifted children. Routledge Falmer, London, UK.
Daniels M, Piechowski MM, 2009. Living with intensity. Great Potential Press, Tucson, USA.

Hoogbegaafd! Onderwijs

Nederland

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

To Screen or not to Screen?

By | augustus 20th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Onze kinderen groeien op met schermen: touchscreens, smartphones, tablets, laptops (in welk huis is nog zo’n logge pc te vinden?). Wat voor de Ouder(e) generatie nog bijna ondenkbaar was, is voor onze kinderen niet meer dan normaal. Ik herinner me nog de keer dat mijn toen vierjarige zoon naar de TV liep om naar het volgende kanaal te “swipen”. Je kan het ze ook zeker niet ontnemen, want ze moeten met hun tijd mee. Maar is die huidige ontwikkeling wel zo fijn?

Wij als Ouder(e) generatie denken vaak met weemoed terug aan de tijd waarin we naar buiten werden gestuurd om te spelen: “kom maar terug als de straatlantaarns aangaan”. Wij leerden om te gaan met de buurtkinderen, of je ze nou aardig vond of niet, of ze nu slim waren of niet. Weer of geen weer, wij waren buiten. We leerden compassie te hebben met degene die in de sloot gevallen was tijdens het voetballen. We leerden om het zelf uit te praten als er ruzie was en we leerden iets anders te doen als de bal lek was. Maar de huidige generatie zit liever achter een scherm virtueel te spelen. O wee als de wifi het niet doet!

Om nog maar niet te spreken over de brutaliteit die mijn zoon overneemt van TV, zoals “kom op gast!” en “loser”. Ik mis bij mijn zoon soms de compassie en het begrip voor anderen, wat ik hem zeker wèl probeer bij te brengen. Maar in de game-wereld is het normaal om anderen “te vernietigen” of om in Minecraft dieren te vermoorden…

Het is lastig om een balans te vinden tussen “vroeger” en “nu”, tussen geen schermen en te veel schermen. Hoogbegaafde kinderen leven meestal meer “in hun hoofd” en natuurlijk zijn er ook genoeg leerzame spelletjes. Zelf speel ik ook graag een potje Wordfeud of Candy Crush, maar ik merk aan mijn zoon dat hij zich toch anders gedraagt (lees: beter en minder boos) als hij een dag géén schermen heeft. Daarom hebben we hier de regels ingesteld dat hij op dinsdag en donderdag niet achter het scherm zit en dat hij alleen in de weekenden tot 12.00 TV kijkt. Het grappige daaraan is dat mijn zoon dat zèlf stiekem ook wel fijn vindt. Hij geeft zichzèlf soms een “geen-schermen-dag”!

Ook vanwege hun sensitiviteit is het voor hoogbegaafde kinderen soms lastig om aansluiting te vinden bij andere kinderen. Hoogbegaafde kinderen nemen vriendschappen over het algemeen veel serieuzer dan andere kinderen, dus raken ze sneller gekwetst als een vriendje van de vorige school niet eens meer weet wie ze zijn of nu ineens niet meer met ze wil spelen.

Al met al is het vaak lastig voor onze hoogbegaafde kinderen om aansluiting te vinden. Daarom prefereren ze wel eens de digitale wereld boven de echte wereld. Maar vanuit mijn persoonlijke ervaring lijkt mijn zoon daardoor toch bepaalde sociale vaardigheden minder makkelijk op te pikken…

Hoogbegaafd! Games & Fantasy

 Lid worden

Hoogbegaafd! ICT

 Lid worden


© Alicia Puik | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Wanneer wordt mijn kind weer gelukkig?

By | augustus 13th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Het precieze tijdstip waarop wij als ouders ontdekten, of richting ons werd aangegeven, dat onze zoon hoogbegaafd was weet ik niet meer. Ons was tot en met zijn tweede levensjaar niets ‘geks’ opgevallen en daarna eigenlijk nog steeds niet. Ik merkte dat hij in bepaalde gevallen ‘afweek’ van wat ‘normaal’ schijnt te zijn, bijvoorbeeld toen ik in het groeiboekje van het consultatiebureau las dat anderhalfjarigen nog maar een beperkt aantal woordjes hoefden te weten terwijl mijn zoon al in volzinnen sprak. Of toen ik vroeg of er ook puzzels van honderd stukjes of meer op de peuterspeelzaal waren. Maar nog steeds viel mij ‘niets bijzonders’ op.

Ik kreeg pas wat later het bekende ‘aha moment’: ik ben het dus óók, vandáár dat me niets ‘geks’ is opgevallen!

School #1

We hadden inmiddels een fijne (bijzondere) basisschool (volgens het Natuurlijk Leren onderwijsconcept) ontdekt waar ‘leren op eigen niveau’ een speerpunt was. Hij mocht, in eerste instantie met zijn 3,5 jaar al, beginnen op woensdagen.

Echter bleken zijn en onze blijheid van korte duur toen ons, nota bene per email, na een paar weken al werd medegedeeld dat hij niet meer mocht komen! Uiteraard heb ik een gesprek met de school aangevraagd. Daarin werd aangegeven dat hij

“sociaal en fysiek (grove motoriek) niet paste tussen de rest”.

Het zal ergens rond zijn vierde zijn geweest dat ik het woord ‘hoogbegaafd’ ontdekte en wat dat dan precies inhield. Heel eerlijk gezegd, ondanks dat hoogbegaafdheid op school wel werd erkend, is mijn zoon vanaf dat moment al gaan onderpresteren en is hij nooit meer zo vrolijk geworden als hij was vóórdat hij naar school ging.

School #2

In eerste instantie hebben wij zijn intelligentie ook niet willen laten testen omdat we bang waren dat het ‘label’ van een hoog IQ hem zou kunnen schaden. Maar het begon te knagen. Was hij nu wel hoogbegaafd of niet?

Hij zat inmiddels vanaf zijn zevende op basisschool nummer twee (Dalton met plusklas). Het grootste deel van de tijd dacht ik dat hij hoogbegaafd was, maar er waren ook momenten waarop ik dacht van niet. Op andere momenten deed hij uitspraken waardoor ik ging denken dat het misschien toch zelfs nog wel “erger” was. Vooral omdat hij vrijwel iedere dag boos uit school kwam vroegen we ons af of er wel tegemoet werd gekomen aan wat hij nodig had.

Uiteindelijk hebben we hem, met behulp van zijn tweede school, tóch maar laten testen. Tot onze grote schrik en verbazing stonden er zinnen in het rapport als:

“De intelligentie van uw zoon valt binnen de hoogste 0,1% van zijn leeftijdsgroep”

“Plafondscore”

“Vanuit de uitzonderlijke hoogte van zijn factorscores en de relatieve gelijkmatigheid van zijn intelligentieprofiel is er een grote waarschijnlijkheid dat zijn werkelijke intelligentie aanzienlijk hoger ligt dan zijn IQ score weergeeft”.

Et voilá, dat was het dan. Het voelde als een uitspraak van de Rijdende Rechter: ‘Dit is mijn uitspraak en daar hebt u het mee te doen’.

School #3

Het was echter pas na een antwoord op een door mij aan mijn zoon gestelde vraag dat we fulltime hoogbegaafdenonderwijs serieus zijn gaan overwegen. Hij zit er nu een half jaar en lijkt gelukkiger. Maar mijn moederlijke instinct zegt dat het beter kan (lees: gelukkiger).

Voor mijn gevoel staat hij nog steeds niet ‘aan’ en ik hoop ooit weer het vrolijke ventje terug te krijgen dat hij was vóórdat hij naar school ging…

Hoogbegaafd! Zeer hoogbegaafde kinderen

 Lid worden


© Alicia Puik | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Hoogbegaafde meisjes met autisme: de diagnose

By | juni 29th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Ken je een meisje met de dubbeldiagnose Autismespectrumstoornis (ASS) en hoogbegaafdheid? Wil je haar graag begeleiden en helpen in haar verdere ontwikkeling?

Pas recent krijgen autisme en hoogbegaafdheid bij meisjes meer aandacht. Om ze goed te begeleiden, informeer je je best. In deze post kun je je licht al opsteken. Lees wat die dubbeldiagnose bij meisjes zo speciaal maakt.

Diagnose

Waarom loopt het vaststellen van autisme bij meisjes moeilijker dan bij jongens?

  • De symptomen bij jongens zijn duidelijker.
  • Meisjes lijken minder communicatieproblemen te hebben.
  • De diagnose duurt langer doordat meisje makkelijker ‘camoufleren’.
  • Meisjes blijven meer onder de radar.

Jongens krijgen ook vier keer meer de diagnose dan meisjes. Toch zijn er niet vier keer minder meisjes met ASS.

Zelfde autisme, ander gezicht

Autisme bij meisjes uit zich anders dan bij jongens, op verschillende momenten van hun ontwikkeling.

  • Jongens scoren hoger op IQ-testen.
  • Jongens spelen op meer repetitieve en minder complexe manier.
  • Meisjes zijn beter in ‘doen-alsof-spelletjes’. Ze scoren hoger op georganiseerde spelletjes.
  • Meisjes zijn bij diagnose iets sterker in hun communicatie. Ze scoren ook beter op non-verbale communicatie, zoals oogcontact.
  • Sociale problemen verschijnen bij meisjes in de vroege puberteit, terwijl dat bij jongens gebeurt als ze kind zijn.
  • Jongens concentreren zich moeilijker vergeleken met meisjes.
  • Ongepast gedrag uit zich bij jongens meer via agressie. Meisjes trekken zich makkelijker terug en worden timide, afhankelijk.
  • Ouders en begeleiders overschatten de mogelijkheden van meisjes, vooral qua communicatie.
  • Onderzoeken tellen meestal geen meisjes op jonge leeftijd.
  • Meisjes scoren lager op vlak van autisme. Zo herken je ze niet altijd.

Dit maakt het dus moeilijker de juiste diagnose te stellen bij meisjes.

De gevolgen van het vaststellen

Zoals je hierboven al kon afleiden, uiten meisjes autisme anders. Vaak worden ze onder-gediagnosticeerd en mislopen. Schenk aandacht aan het volgende.

  • Onderzoek verder als het meisje de score voor ASS net niet haalt.
  • Wees bewust dat heel wat signalen de kop op steken in de vroege puberteit.
  • Vergelijk haar gedrag en manier van omgaan met anderen met het gedrag van andere meisjes van haar leeftijd.
  • Stap af van het mannelijke beeld van autisme als je het meisje begeleidt.
  • Meisjes vertonen geen overdreven repetitief gedrag, ze hebben geen uitgesproken obsessies.
  • Onaangepast gedrag zie je via haar schuchterheid en afhankelijkheid, in plaats van opstandig gedrag.

Naast deze aandachtspunten zorgt de 1-op-1 setting voor foute verklaring. Hoogbegaafde meisjes met autisme verwerken informatie op een verstandelijke manier. In een gesprek met haar alleen, is ze in staat om beredeneerd te antwoorden. In een groep valt ze terug op haar intuïtie, wat moeilijker is. Een schoolobservatie geeft zo een realistischer beeld.

Andere camouflagetechnieken van hoogbegaafde meisjes zijn:

  • kopiërend gedrag
  • afwachtende houding om alles te observeren

Zoek je begeleiding voor een goede diagnose van het meisje, houd dan zeker deze informatie in je achterhoofd. Vraag naar de kennis over hoogbegaafdheid zodat je er zeker op kunt vertrouwen dat er geen foute diagnose plaatsvindt.

Hoogbegaafd! Autismespectrum

 Lid worden


© Adi van den Brande via >>Het Lampje<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Top-down leren

By | juni 19th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Top-down leren

Het is een term die je in hoogbegaafdenland veel tegenkomt: top-down leren. Deze wordt benoemd als zowel een talent als een struikelblok. Er wordt uitgegaan van het geheel zien of begrijpen, waarna stukjes kennis worden opgebouwd om het geheel te beredeneren. Het onderwijssysteem is echter bottom-up, dat gaan we niet veranderen.

Maar….

Ik leer niet top down. Ik begon namelijk niet met wiskundige formules voordat ik ik kon tellen en lezen. Ik leer stap voor stap, niet van boven naar beneden, maar wel zelf ontdekkend, met zo nu en dan een steuntje ter begeleiding of sturing, soms een stap overslaand of dingen heel snel ziend, en werkend en lerend vanuit begrip en niet vanuit stampwerk. Dat is wat anders dan top-down.

Zone van Naaste Ontwikkeling en Zone van Actuele Ontwikkeling

Vygotsky introduceerde de Zone van de Actuele Ontwikkeling en de Zone van de Naaste Ontwikkeling. Het verschil tussen de twee zones is de afstand tussen het feitelijke ontwikkelingsniveau, oftewel het kunnen oplossen van problemen zonder hulp, en het potentiële ontwikkelingsniveau, oftewel het kunnen oplossen van problemen onder begeleiding. De Zone van Naaste Ontwikkeling heeft betrekking op de potentiële leermogelijkheden van een individu.

Vooral kinderen doen geen ontdekkingen die geheel nieuw zijn, want ze zijn al bekend bij anderen. Opvoeders kunnen helpen de kloof te overbruggen tussen wat iemand op een bepaald moment zelf kan en waar iemand, weliswaar met hulp, toe in staat is.

Een kenmerk voor hoogbegaafden is dat ze comfortabel leren vanuit Zone van Actuele Ontwikkeling. Dit in tegenstelling tot de leermethodes op scholen en door begeleiders worden gehanteerd: die werken veel, onbewust, vanuit de Zone van Naaste Ontwikkeling of zelfs vanuit een autoritair concept. Kennis en inzicht met betrekking tot Zone van Naaste Ontwikkeling en Zone van Actuele Ontwikkeling wordt veel meer mogelijk door middel van relatief kleine aanpassingen aan de gebruikte lesmethodes.

Onzorgvuldige interactie in de Zone van Naaste Ontwikkeling ondermijnt voor hoogbegaafde leerlingen of werknemers zowel de kans op het ontwikkelen in hun eigen, persoonlijke tempo als het werken vanuit autonomie. Dit terwijl deze facetten kenmerkend zijn voor hoogbegaafden. Onzorgvuldige interactie vindt plaats als de begeleider aannames doet over wat een persoon wel of niet kan of begrijpt. Er moet worden uitgegaan van de persoon en niet vanuit aannames of verwachtingen richting die persoon, want de persoon heeft de regie. Verder dient aan het begin van de interactie het doel duidelijk te zijn. Als het doel niet duidelijk is, kan de persoon niet de noodzakelijke regie hebben. Leren doe je samen.

Zorgsyndroom

Hoogbegaafden hebben zeker ook de Zone van Naaste Ontwikkeling nodig, namelijk bij instructie, als ze blokkeren, in hun zone van actuele ontwikkeling of als er kennishiaten zijn ontstaan door hun natuurlijk snelle leerstijl. Daarbij is het van extra groot belang om niet in het zorgsyndroom te vervallen en ze tijdig hun Zone van Actuele Ontwikkeling te gunnen. Het is echter van even zo groot belang ze van te voren van het doel van de ondersteuning op de hoogte te stellen.

Dit geldt nog sterker voor twice-exceptionals, oftewel hoogbegaafden met een diagnose. Hun vermogen kennis en vaardigheden wordt worden snel onderschat, waardoor er minder accuraat wordt gekeken naar wat zij zelf kunnen en naar wat zij nog kunnen leren. Vooral met oog op wat zij zelf kunnen leren is het belangrijk hen die ruimte te gunnen en de regie bij hen te laten, met oog en kennis van de diagnose en wat zij daarin nodig hebben om optimaal te kunnen ontwikkelen. Veel leerkrachten en begeleiders trachten kinderen of volwassenen van binnen de Zone van Naaste Ontwikkeling te helpen en ondersteunen. Dit terwijl het kind of de volwassene snel genoeg heeft aan een passende inzet van adequate hulpmiddelen en passende interactie in de Zone van Naaste Ontwikkeling, om in de Zone van Actuele Ontwikkeling te mogen groeien.

Een valkuil bij het schrijven en uitvoeren van plannen is dat we zo’n groot hart hebben voor kinderen en jongeren dat we gaan ‘verzorgen’ in plaats van ‘ondersteunen’. Vraag kind en ouders verantwoordelijkheid te nemen voor wat ze wél kunnen, niet voor wat ze nog níet kunnen. Zo ontstaat aangeleerde hulpeloosheid bij cliënten en houden we als professionals ons werk in stand door ons zorgsyndroom.

Natuurlijk moeten we helpen waar dat nodig is, maar we moeten ervoor waken handelingen en taken over te nemen die het kind, eventueel samen met ouders, zelf kan. Ook al doen ze het op een manier die in onze ogen niet de meest voor de hand liggende is. Dat vereist een getraind oog. Ondersteunen betekent hierbij samen zoeken naar oplossingen, met de talenten en kwaliteiten van het kind en zijn ouders als uitgangspunt. Vraag hen niet verantwoordelijkheid te nemen voor wat ze nog níet kunnen, maar voor wat ze wél kunnen.

Hoe ik leer

Dus nee, ik leer niet top-down, maar ik zie wel snel verbanden, details en het grotere geheel. Ik leer autonoom heel veel, in mijn Zone van Actuele Ontwikkeling, maar ik leer nog veel meer in mijn Zone van Naaste Ontwikkeling, door gelijkwaardige interactie, waarbij ik als leerling de regie heb. Dit is waarom ik graag peercontact zoek en dat voor vele andere hoogbegaafden van groot belang is: leren doe je samen.

Van Doorn E, Van Loo F, 2013. Basisboek Mediërend leren. Uitgeverij Boom, Amsterdam, Nederland.
Feuerstein R, Rand Y, Rynders RE, 1993. Laat me niet zoals ik ben. Uitgeverij Lemniscaat, Rotterdam, Nederland.
Klein P, 2016. Early intervention. Routledge, Taylor & Francis Group, UK. First version published in 1996.
Meichenbaum D, 1977. Cognitive-behavior modification, an integrative approach. Springer, New York, USA.
Tzuriel D, 2001. Dynamic assessment of young children. Springer, New York, USA.
Vygotsky LS, 2012. Thought and language. The MIT press, Massachusetts, USA. First Russian version published in 1934. First translation published in 1962.

Hoogbegaafd! Cognitieve & Executieve functies

 Lid worden


© Laura via >>Ik wil de hele wereld kleuren<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Ik voel mij net een vulkaan”

By | juni 15th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Taalontwikkelingsstoornis (TOS)

Hieronder dit keer geen dialoog met een welbespraakte volwassene, maar met een jongere met een taalontwikkelingsstoornis (TOS). De wens om jezelf te uiten en de moeite waarmee dat gepaard kan gaan, zou ik willen duiden als een universeel menselijke ervaring. Iets wat door leeftijden en intelligenties heen klieft.

Dat beiden het moeilijk kunnen vinden om hun emoties te verwoorden en dat beiden die gevoelservaring met dezelfde beelden beschrijven, werd me deze week opvallend getoond. Terwijl ik de afgelopen twee weken onderstaande dialoog schreef rondom de jongere, beschreef (ook) een hoogintelligente volwassen cliënt me zijn emotionele staat met de uitspraak ‘ik ben net een vulkaan’.

En dan nu de jongere: maak kennis met leerling Stijn (14). Stijn heeft de diagnose TOS gekregen. Hij heeft een meer dan gemiddelde intelligentie. Door zijn spraaktaalprobleem wordt hij cognitief nogal eens onderschat. Diverse docenten hadden Stijns gedrag gesignaleerd, waarna zijn situatie werd besproken in de leerlingbespreking. Daar is besloten om Stijn in contact te brengen met een ambulante coach om hem zodoende de extra begeleiding te kunnen geven die hij nodig heeft.

Disclaimer: Stijns naam en de overige situationele details zijn gefingeerd.

Het gesprek

Begeleider: “Hi Stijn, fijn dat je er bent.”

Jongere: “…”

Begeleider: “We kennen elkaar nog niet. Zal ik me eerst aan je voorstellen?”

Jongere: “…” (*haalt schouders op*)

Begeleider: “Oké. Mijn naam is Ilona. Ik ben door de school gevraagd om je te begeleiden, te helpen, bij het praten over je emoties. Ik begreep dat je vaak verdrietig bent, en boos. Gefrustreerd is misschien een beter woord. Ik ben hier om je te leren kennen en te kijken of ik je kan helpen met hoe je je voelt.”

Jongere: “…”

Begeleider: “Ik ga je vragen stellen en daarna luister ik naar je antwoorden. Je mag zolang de tijd nemen als je nodig hebt om te reageren.”

Jongere: “…”

Begeleider: “Kun je iets vertellen over hoe het vandaag met je gaat?”

Jongere: “…”

Begeleider: “…”

Jongere: “…”

Begeleider: “…”

Jongere: “…gewoon…is altijd zo…”

Begeleider: “…”

Jongere: “…het praten weer ging het niet…dan zegt ze ehm ik moest beter opletten…”

Begeleider: “De juf?”

Jongere: “Ja…dat het blaadje 4 was en…het was te ver. En dan kan ik het niet, want ehm…er…het zat door elkaar…”

Begeleider: “Jullie moesten op pagina 4 zijn en jij was nog op een andere pagina. Begrijp ik je zo goed?”

Jongere: “Ja…”

Begeleider: “En wat gebeurde er toen?”

Jongere: “Dan zegt ze…die juf…huiswerk was ehm…daarvoor moest het al…dat het al af was. Ze zei…te lang enzo. Iedereen moet dan wachten, wachten. Als enige…ik…ze lachten.”

Begeleider: “Lachte de juf of…?”

Jongere: “…nee, die niet…zij is boos op mij, ze liep ook snel door…met lachen bedoel ik voor die anderen…de kinderen…”

Begeleider: “De juf leek boos te zijn en de kinderen lachten je uit?”

Jongere: “…ja.”

Begeleider: “Dat klinkt als een moeilijke situatie voor je…en toen…heb je iets gezegd of gedaan?”

Jongere: “Ik weet het niet…ik was… Die verkeerde pagina was niet expres…de woorden ik snap ze wel, maar ik kan ze niet vinden…als ik weet wat ik moet doen…dan word ik ook beter, ik heb tijd nodig voor de woorden te vinden.”

Begeleider: “Dat begrijp ik, je snapt de woorden wel zodra ze er eenmaal zijn, alleen het kost tijd om te zorgen dat ze er komen. En je zou graag meer tijd krijgen om dat in jouw tempo te doen, begrijp ik je zo goed?”

Jongere: “…ja.”

Begeleider: “En kreeg je die tijd vanochtend in de les?”

Jongere: “Nee. Ze snappen het niet…en dan…ehm…ik ga terug…in mijzelf.”

Begeleider: “Oké, is het zo dat je je dan onbegrepen voelt en je je daarom terugtrekt in jezelf?”

Jongere: “Ja…ze snappen mij niet. Het is ook…je weet wel. Dat…ik ben dom. Ga toch weg denk ik dan… Er is niets hetzelfde…tussen de anderen en mij. Mijn hoofd…het is gewoon te vol…ik wou dat mijn hoofd eraf was.”

Begeleider: “Oh…dank je wel dat je me dit vertelt. Wat vervelend voor je dat je je onbegrepen voelt. Ik ga even samenvatten om te kijken of ik je goed begrijp. Je voelt je onbegrepen en je hoofd reageert dan met de gedachten ‘ik ben dom, ga toch weg’. Klopt dat?”

Jongere: “Ja.”

Begeleider: “En je conclusie is: ‘er is niets hetzelfde tussen hen en mij’. Dat klinkt alsof je je totaal anders voelt dan de anderen en eigenlijk juist graag contact zou willen leggen. Klopt dat?”

Jongere: “…ik weet niet…”

Begeleider: “Je zei dat je zou willen dat je hoofd eraf was…kun je daar iets meer over zeggen?”

Jongere: “Ehm…wat bedoel je? Ik begrijp niet…meer zeggen? Wil je dat ik het nog meer zeg?”

Begeleider: “Ah nee, sorry dan was ik niet duidelijk.”

Jongere: “Oké.”

Begeleider: “Ik bedoelde: hoe komt het dat je zou willen dat je hoofd eraf was?”

Jongere: “Mijn hoofd…het zit ehm…je weet wel…dinges…ja vol…dat het niet doorloopt…het ehm…”

Begeleider: “…”

Jongere: “…in de weg. Ik voel mij net een…een…zo’n ding…zo’n ding met vuur…”

Begeleider: “…neem je tijd om het woord te vinden…”

Jongere: “…een vulkaan. Ik voel mij net een vulkaan.”

Begeleider: “Een vulkaan zeg je…dat klinkt alsof er heel veel in die vulkaan zit, allemaal gevoelens, emoties en woorden, en dat die lang blijven borrelen in de vulkaan, heel lang worden tegengehouden, en na lange tijd ineens een uitbarsting veroorzaken. Zonder waarschuwing vooraf komt alles er tegelijk uit. Is dat zo voor jou?”

Jongere: “Ja.”

Begeleider: “Ah, en er gebeurt best veel tegelijk in zo’n vulkaan, het kan een beetje een chaos zijn. En dan denk je: als er geen hoofd op die vulkaan zat, dan zou alles er gewoon uit kunnen stromen, precies zoals het er is.”

Jongere: “Ja. Dat woord…chaos is goed. Of nou, niet ehm…goed, juist niet goed, maar wel…ik…het klopt.”

Begeleider: “Oké Stijn, teken de vulkaan maar, hier heb je pen en papier.”

Jongere: (*tekent vulkaan*) “Zoiets.”

Begeleider: “Laten we eens kijken wat voor gevoelens in die vulkaan zitten. Misschien helpt dat om de chaos te ordenen. Ik ga je een aantal woorden geven en dan mag jij kiezen welke je herkent, oké?”

Jongere: “Oké, als ik de…de woorden…als ze niet te moeilijk zijn.”

Begeleider: “Prima, goed dat je het zegt, ik zal er rekening mee houden. En als je een woord niet begrijpt, dan mag je het zeggen en dan ga ik op zoek naar een ander woord, of wij samen, dat kan ook. Oké, in die vulkaan, zit daar…verdrietig zijn, bang zijn, boos zijn?”

Jongere: “Ehm…boos vaak, maar ehm niet de eerste, het is later pas. Bang eerst. Verdrietig die moet ook erbij.”

Begeleider: “Schrijf of teken die woorden er maar bij. En zit er in die vulkaan ook eenzaamheid, dat je je heel alleen voelt?”

Jongere: “Ja, zoals in de klas. Thuis is het…ook…”

Begeleider: “Oké…en is de vulkaan ook weleens blij?”

Jongere: “Soms. Bij volleybal. Als ik daar ben…”

Begeleider: “…”

Jongere: “…daar is het leuk.”

Begeleider: “Oké, dank je wel voor je antwoorden. Je hebt veel ontdekt bij jezelf van binnen, zoals dat je je verdrietig voelt, bang, soms boos, alleen. En ook blij, bijvoorbeeld als je met volleybal bezig bent. We hebben al veel gedaan en besproken vandaag zeg, goed gewerkt! Nog een laatste vraag: wat zou je graag willen zijn in plaats van een vulkaan?”

Jongere: “Haha…wat in de natuur…een boom misschien…die kijkt bekijkt rustig…en weet hoe alles werkt. Of een rivier…dat is eigenlijk dat ding wat ik zei…een…een vulkaan, alleen dan ligt het en zonder hoofd.”

Begeleider: “Ha, wat een mooie beelden. Dan gaan wij samen uitproberen hoe je meer een boom of rivier kunt zijn. Tot volgende week.”

Jongere: “Oké, tot volgende week.”

Meer informatie over TOS is te vinden op de website van SpraakSaam. Een kraakhelder beeld geeft deze video waarin een jongen met TOS aan het woord is.
Via mijn praktijk ‘Begeleiding in bewustwording’ begeleid ik naast volwassenen ook jongeren bij het herkennen, begrijpen, doorvoelen en organiseren van hun emoties en gedachten. Jongeren (kunnen) worden aangemeld via ouders, scholen, orthopedagogen en onderwijsorganisaties.

Hoogbegaafd! Cognitieve & Executieve functies

 Lid worden

Je idee en mailadres worden rechtstreeks verzonden naar Ilona Kuis, zonder inzage door Stichting Hoogbegaafd!


© Ilona Kuis via >>Begeleiding in bewustwording<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Sociale uitsluiting op de gang

By | mei 9th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

We komen het in veel gebouwen tegen. Functioneel gezien is het een plek om doorheen te lopen, eventueel spullen in op te slaan. Zo nu en dan zetten we er een mens neer. De gang.

Het zijn meestal dezelfde kinderen die er terug te vinden zijn, om uiteenlopende redenen. De daadwerkelijke oorzaak is in alle gevallen hetzelfde: de opvoeder of leraar kon niet omgaan met het gedrag dat vertoond werd. Om van het gevoel van onmacht af te komen, wordt er gekozen voor de ‘makkelijke weg’: de oorzaak van dat gevoel elimineren uit de omgeving. De gang wordt naast doorgang en opslagruimte een strafplek.

De rest van de klas (of het gezin, ‘de gang’ wordt in huiselijke sfeer ook ingezet) kan verder gaan waar ze gebleven waren. Alsof er niks is gebeurd. Maar de persoon die buiten de groep is geplaatst kan dat niet.

Tijdelijke oplossing

Een ‘probleem’ wegschuiven en uit het zicht halen wekt de illusie dat het is opgelost. Voor de groep is ‘het probleem’ inderdaad even weg. In werkelijkheid is het uitstel van het daadwerkelijk afhandelen. Omdat mensen die als ‘probleem’ zijn gelabeld steeds sneller als probleem worden aangemerkt, terwijl de daadwerkelijke afrekening met dat wat er achter ligt verder voor ons uit wordt geschoven. Het sneller reageren komt doordat onze tolerantiegrens steeds lager wordt. Zin in een experimentje?

Prik je partner eens hard in de zij. Grote kans dat zhij dit niet leuk vind. Maar, omdat je zoiets normaal niet doet wordt het je redelijk gauw vergeven. Doe dit nog eens en je partner zal al een stuk minder vergevingsgezind zijn. Blijf het herhalen en je zal redelijk snel merken dat alleen wijzen of te dicht in de buurt komen al een snauw op zal gaan leveren.

De kracht van anticiperen

Hoe dit komt? Het is de kracht van anticipatie. Eenzelfde reactie als de honden van Pavlov (Wikipedia) waarmee de pavlovreactie zo bekend is geworden. Laat een belletje rinkelen en geef de hond iets lekkers. Al gauw zal het geluid worden geassocieerd met iets lekkers, de lichamelijke reactie op de bel is dan zonder het lekkers hetzelfde als met het lekkers.

Een vergelijkbare reactie hebben we op negatief gedrag. Als je het experimentje hebt uitgevoerd zal je dit hebben gemerkt. Uiteindelijk wordt de uitgestoken vinger of zelfs je nabijheid geassocieerd met het prikken.

Bij een relatie tussen opvoeder en kind werkt dit twee kanten op. Aan de ene kant de opvoeder die steeds eerder het gedrag en de lichaamstaal van het kind als problematisch zal aanmerken. Aan de andere kant het kind dat steeds meer zaken op zichzelf zal betrekken, ook als reacties van de opvoeder niet naar of aan het kind gericht zijn. Er ontstaat een vicieuze cirkel.

Je hebt een voorbeeldpositie

Opvoeders zijn uiteraard ook mensen en ook zij kunnen minder handig reageren in bepaalde situaties. Dit is echter geen excuus om zulke situaties door te laten lopen. Zeker wanneer het professionele opvoeders betreft zoals juffen en meesters. Zij hebben meer levenservaring dan kinderen en zouden moeten beschikken over een beter relativeringsvermogen. Daarnaast is hun verantwoordelijkheid over de algehele situatie groter door de machtspositie die ze bekleden. With great power comes great responsibility.

Alle opvoeders hebben een voorbeeldpositie, of ze dit zich beseffen of niet. Kinderen zien de volwassenen als leiders en willen graag net zo zijn als hen, willen graag lief gevonden worden. Wanneer iemand in zo’n voorbeeldpositie een ander wegstuurt vanwege het niet gedragen volgens een bepaald verwachtingspatroon, wordt de indruk gewekt dat dit oké is en je er alleen ‘bij hoort’ als je wel aan dat verwachtingspatroon voldoet. Het laat zien dat anderen je er niet bij willen hebben als je niet precies doet wat er van je verwacht wordt.

Klinkt dat erg overdreven? Het is het helaas niet. De manier waarop we ons gedragen, zeker hoe kinderen zich gedragen is aangeleerd. Naarmate je ouder wordt,  ontwikkel je het vermogen om te relativeren, te reflecteren. De beste manier om dit te ontwikkelen is als je begeleid wordt. Dat de mensen in een voorbeeldpositie je bij de hand durven nemen, je gedrag en gevoelens met je bespreken. We leren immers het best van mensen die de kennis al hebben of tenminste bereid zijn samen met ons de kennis op te doen. Zodra we dat belangrijke proces negeren en ongewenst gedrag afstraffen door het kind buiten de groep te plaatsen, zien we het niet langer voor wat het is: een symptoom.

Kans op pesten wordt vergroot

We willen er allemaal graag bij horen met het gevoel onderdeel te zijn van onze omgeving. Ons omringen met mensen die het beste met ons voor hebben, ons lief hebben. Daar buiten geplaatst worden zonder begeleiding, alleen gelaten met je gedachten is een vreselijke straf. Het ondermijnt zelfvertrouwen, hoe goed bedoeld het wegsturen ook is.

Naast dat het een impact heeft op de opvoeder en het kind, laat het wegsturen ook een indruk achter op de rest van de aanwezigen. Het laat zien dat wegsturen een middel is dat ingezet kan worden als iemand iets doet dat ons niet aanstaat. Uiteraard zijn er situaties waarin dit zeker het geval is, maar die nuance leren kinderen er niet bij. Het ene moment spreken we ze aan als ze een klasgenoot actief negeren of buitensluiten op de speelplaats, het andere moment wordt een (dezelfde?) klasgenoot de gang op gestuurd voor het verstoren van de les.

Uit het oog, uit het hart?

Een ‘probleem’ negeren of wegsturen is een schijnoplossing. Op de lange termijn maakt het dat wat er gaande is juist groter. Op de korte termijn doet het niks, het schuift het probleem op. Het zal de schijn opwekken dat er voor dat moment iets is gedaan. Je hebt niet ‘over je heen laten lopen‘ en dat kan – zeker in onze huidige maatschappij – een gevoel van victorie opwekken. Je aandeel in het geheel is echter een stuk minder positief. Terwijl je verder gaat met waar je mee bezig was, zit dat ene persoontje geïsoleerd van de groep het gevoel te hebben niet geliefd te zijn. Boos te zijn op zichzelf, dat het (weer) verkeerd is gegaan. Boos te zijn op anderen. Nadenken over wat er is gebeurd? Absoluut. Maar niet op de reflecterende manier waarop we denken dat zo’n afzondering teweeg brengt. We hebben namelijk actieve begeleiding nodig om niet vast te gaan zitten in zelfdestructieve gedachten.

Bestaan er dan helemaal geen mensen die afzondering nodig hebben? Natuurlijk wel. Net als dat er mensen zijn die juist door drukte om zich heen tot rust komen. Het verschil in zelf die afzondering opzoeken en ertoe gedwongen worden is echter ontzettend groot. Niemand doet graag dingen onder dwang. Afzondering, tijd met alleen met je eigen gedachten, kan door dwang een negatieve associatie krijgen terwijl het tegelijkertijd iets ontzettend krachtigs kan zijn, mits je er zelf voor kiest.

Behavioristische samenleving

Het de gang op sturen op zichzelf is ook een symptoom van een klein onderdeel van een samenleving die graag doet alsof het leven maakbaar is, een behavioristische instelling waarin ongewenst gedrag als een slechte eigen keuze gezien wordt, een gedachtegang die meestal alleen geldt voor anderen. Eigen ongewenst gedrag wordt linksom of rechtsom goed gepraat, zo lang een ander het maar niet doet. Hierdoor wordt het uitsluiten des te meer bizar: we straffen een ander voor gedrag dat we onszelf niet verwijten.

“Children don’t just need to be loved; they need to know that nothing they do will change the fact that they’re loved. They require reassurance that their “lovability” isn’t in question, which is another way of talking about self-esteem.”

Alfie Kohn, The Myth of the Spoiled Child

Hoogbegaafd! Cognitieve & Executieve functies

 Lid worden


© Hiranthi Herlaar via >>Liefdevol Opgroeien<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

De puzzelstukjes van mijn zoon

By | mei 1st, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

In de zoektocht voor handvatten voor mijn zoon kwam ik mezelf tegen. Een deel van het reflecteren daarover kun je terugvinden in deel 1, deel 2 en deel 3 van mijn puzzelstukjes. Nu gaan we het weer over mijn zoon hebben met die delen als achtergrondinformatie.

In ‘groep 0’ (mijn zoon is van eind februari) kon het afscheid op school behoorlijk heftig zijn. Huílen.. En dan echt tranen met tuiten, een aanklammend mensje dat niet wil dat je weggaat. In zijn klas had hij twee juffen. Eentje waar ik gelijk een klik mee had (mijn zoon overigens ook) en bij de andere juf duurde het – hoe lief ze verder ook was – wat langer voor er iets van een klik was. Bij die laatste juf was het afscheid ook altijd wat moeilijker voor ‘m.

Van de eerste juf (die van de praktisch instant-klik) hoorde ik op een gegeven moment dat hij schreeuwend, slaand en schoppend (al dan niet liggend op de grond) uit de groep was gehaald en bij de mevrouw van de administratie was neergezet. Dat laatste zodat zij naar de groep terug kon en hij niet in z’n eentje ergens achtergelaten werd. Voor hem had het desondanks wel als verlaten gevoeld overigens (ik kreeg de verdere context te horen toen ik de juf ernaar vroeg). En dat was een beetje de spreekwoordelijke druppel. Ik had thuis al wel situaties gehad waarin ik het allemaal behoorlijk intens vond en me afvroeg of dit ‘normaal’ (whatever that is) was, maar dit leek me niet echt de standaard. Zeker niet omdat dit een Montessorischool betrof en de juf in kwestie er niet eentje is die kinderen gauw apart zet. Plus een portie redelijke zelfkennis, de wetenschap dat ik zaken heel heftig kan voelen en veel van mezelf in mijn zoon herken. En dus zocht ik via google om te kijken of ik een beetje in de juiste richting zat qua denken.

Al gauw zocht ik op hooggevoelig en de resultaten voelden niet alleen voor mijn zoon als thuis, maar ook voor mezelf. Zo ontzettend vaak had ik te horen gekregen dat ik me aanstelde, werd er naar mijn zoon gekeken alsof híj zich aanstelde.. En ineens was daar de reden waarom het voor veel mensen zo lastig inleven is in hoe wij ons voelen, hun referentiekader is zo veel ‘kleiner’ dan dat van ons.

Bij zonlicht – ongeacht het seizoen – heb ik al gauw een zonnebril op, soms ook binnenshuis (lees: bij mijn werkgever). Bij dat laatste krijg ik al gauw de vraag of er iets is. Labeltjes worden bijna altijd uit kleding geknipt, omdat ze letterlijk ontzettend pijn kunnen doen. Muziek en films worden enorm intens gevoeld. En zo kan ik nog wel even doorgaan met het lijstje.

Kort gezegd snapte ik eindelijk waarom zoveel mensen mij in bepaalde situaties niet hadden begrepen. Waarom ik gekke blikken kreeg als ik met grijs weer de zonnebril opzette (bijvoorbeeld). Het is zo ontzettend lastig inleven als je de behoefte of nood erachter niet snapt. Ik zou bijvoorbeeld nooit volledig kunnen snappen waarom iemand in hemelsnaam iedere dag vrijwillig zou sporten 😉

De zoektocht begon overigens rond de eerste zomervakantie van mijn zoon. De overgang van groep 0 naar groep 1. Ergens in de zomervakantie kwam ik hoogbegaafdheid weer tegen. Van twee goede vriendinnen wist ik al dat zij kinderen hebben die hoogbegaafd zijn; ineens herkende ik mijn zoon ook in dat beeld. Niet alleen mijn zoon, maar ook mezelf. Hooggevoeligheid en hoogbegaafdheid blijken behoorlijk wat raakvlakken te hebben. In eerste instantie wilde ik er (voor mezelf) niet aan, maar geloofde ik het van mijn zoon gelijk. Kwestie van onderwaardering van mezelf, weet ik nu. Het bijzondere aan mijn zoon wel durven zien, maar in mezelf absoluut niet. Althans, toen niet.

Helaas heb ik echt geen idee meer waar ik de checklists van toen gevonden heb. Wat ik nog wel weet is dat het een feest van herkenning was. Praktisch alles kon ik (voor mij en mijn zoon) met ja beantwoorden. En ja als in “ja, dit herken ik.”

En dus kwam ik bij zijn juf na de zomervakantie, terwijl ik jaren daarvoor had gezworen dat ik echt nooit zo’n moeder zou worden. Dat ik echt niet ging pochen met mijn kind. Dat mijn kind echt niet ‘zo bijzonder’ zou zijn ten opzichte van andere kinderen.

Weet je wat ik toen vooral geleerd heb? Dat de ouders die met een eerlijk hart bij de “mede-opvoeders” van hun kind aan komen kloppen – omdat ze iets gevonden hebben dat van toepassing lijkt – dit zelden zonder oorzaak ‘van de daken schreeuwen.’ In veel gevallen wordt het eerder gefluisterd, wordt er gevráágd om erkenning in plaats van dat er erkenning wordt geëist.

De ouder waarvan ik had gezworen dat ik die nooit zou worden? Dat type ouder blijkt vooral onder de “ik ben beter dan jou en mijn kind is dus beter dan jou en jouw kind” te vallen. Dat groepje ouders is – ongeacht wat de ‘mainstream’ wellicht denkt – best wel klein. Ben je bang dat jij (en je kind) onder die groep vallen? Dan kan ik je nu al zeggen dat je rustig kunt ademhalen, omdat het niet zo is. Het type ouder dat in die groep valt zal zich dat namelijk niet afvragen 😉

Hoogbegaafd! Hoogsensitiviteit & Sensorische integratie

 Lid worden


© Hiranthi Herlaar via >>Hoogbegaafd Ouderschap<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Over niet gemiddeld zijn denken we niet gemiddeld?

By | april 3rd, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Een gemiddeld IQ is 100. Iemand met een IQ van 70 valt op. Die is niet gemiddeld. En veel mensen zullen zo iemand ietwat raar vinden. Al zeggen we dat meestal niet want dat hoort niet. Wel vinden we het vaak logisch dat we deze mensen begeleiding bieden. Een beschermde werkplek. Een begeleider, een coach.

Iemand met een IQ van 130 valt ook op. En velen van ons vinden ‘dit soort mensen’ ook raar. Alleen lijkt dat rare lastiger onder woorden te brengen. Omschrijvingen variëren:  ‘stelt vaak vreemde vragen’, ‘weet alles beter’, ‘is niet erg sociaal’, ‘maakt alles zo ingewikkeld’. Voor deze mensen geen beschermde werkplekken, geen ondersteuning.

Als ik vervolgens vraag wat voor beeld iemand heeft van ‘een hoogbegaafde’ dan komt er vaak een omschrijving als ‘zo’n superslimme die alles weet, zo’n professor’. Niet zelden gevolgd door ‘met zo’n brilletje’. Doorpratend heeft mijn gesprekspartner vaak het idee dat het ideaal is om hoogbegaafd te zijn: dan kun je alles en lukt alles. Als ik dan het verband leg tussen hoogbegaafdheid en die ene medewerker die hij als ‘raar’ heeft bestempeld krijg ik in eerste instantie vragende blikken. Gelukkig krijg ik regelmatig ruimte om meer uitleg te geven over hoogbegaafdheid en de – heel diverse – kenmerken daarvan. Op dat moment zie ik meer begrip ontstaan bij mijn gesprekspartner.

In de praktijk zie ik vervolgens dat we iemand met een IQ van 70 begeleiden, omdat we zien dat hij niet met het gemiddelde mee kan. Terwijl iemand met een net zo niet gemiddeld IQ van 130 zich maar moet redden. Blijkbaar verwachten we dat hij maar moet doen alsof hij gemiddeld is? En dat lukt dus vaak niet. En ergens snap ik dat ook wel: iemand met een IQ van 100 kan zich wel aanpassen aan iemand met een lager IQ. Maar niet aan iemand met een hoger IQ, simpelweg omdat hij daar niet bij kan. Misschien zouden we daar meer begeleiding voor kunnen organiseren…?

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Ingeborg de Keizer via >>Eigen Meerwaarde<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

“Die tosti is van mij!” – Ruimte geven aan het zelfvertrouwen van mijn zoon

By | maart 16th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

“Die tosti is van mij!”

We waren neergestreken op een terrasje op de Veluwe tijdens een tweedaagse fietstocht. Mijn zoontje van 3 jaar, Marijn, zat tijdens de tocht achterin het fietskarretje. De twee wat oudere kinderen van de vriendin met wie ik op pad was fietsten zelf.

Als alleenstaande moeder zat ik financieel nogal krap, dus mijn vriendin trakteerde ons onderweg op een lunch. Marijn kreeg een tosti in twee helften en begon daar van te smullen. Al snel hadden wij allemaal onze lunch al op, maar Marijn schoot niet echt op. Omdat we allemaal nog een beetje trek hadden stelde mijn vriendin voor om de tweede helft van Marijns tosti onderling te verdelen. Marijn zou die toch niet op kunnen. Het voelde voor mij niet goed: ik wist dat je Marijn niet de tosti af kon pakken die hem toebedeeld was, ook al zou hij hem misschien niet eten. Maar mijn vriendin had nog honger en had ook die tosti betaald, en misschien had ze ook wel gelijk dat Marijn dat maar gewoon moest accepteren, dus ik stemde in.

De gevolgen waren verschrikkelijk. Marijn begon te brullen en stopte niet meer. Hij was ontroostbaar. Ik sjorde hem in het fietskarretje en we vervolgden onze tocht naar Utrecht. Tijdens dat uur fietsen bleef Marijn onophoudelijk gillen en trappen tegen het karretje. Eenmaal in Utrecht aangekomen was het nog niet opgehouden.

Ik woon in Amsterdam en wij gingen verder naar huis met de auto. Marijn was niet de auto in te krijgen, rukte de riem steeds los, tot we hem uiteindelijk met vereende krachten in het stoeltje zetten, de riem met duct tape vast snoerden en ook de hendel van de autodeur dicht moesten plakken omdat Marijn deze steeds opentrok. Eenmaal thuis kwam hij eindelijk tot bedaren.

Een paar jaar later

Nu is Marijn bijna zeven jaar. Een paar maanden terug vertelde hij mij en mijn huidige vriend opeens meerdere malen dat hij dood wilde. Ik schrok en ging voor het eerst van zijn leven hulp zoeken. We kwamen bij een psycholoog die me doorverwees om hem te laten checken op autisme. Ik herkende daar wel wat van, want Marijn had altijd veel duidelijkheid nodig en elke stap die we namen overlegde ik van te voren met hem.

Ik legde dit voor aan de juf van groep drie, waar hij nu in zit, en die kwam met een boek aanzetten over hoogbegaafdheid. Natuurlijk wist ik wel dat Marijn een pienter jongetje was, maar zo een Einstein was hij toch echt niet hoor. Ik begon te lezen en het was een en al herkenning. Via school kwam ik bij een andere psychologe terecht die zijn IQ testte. Dit bleek 145+ te zijn en met alle andere factoren erbij kon toch zeker de conclusie hoogbegaafd getrokken worden. Ook de tijdelijke doodswens is daarvan een bekend verschijnsel.

Zware jaren

Alle puzzelstukjes vielen op hun plek. De jonge jaren van Marijn waren zo zwaar geweest. Alle woedeaanvallen die hij had gehad. Met veel geduld had ik mijn eigen handleiding kunnen vinden om met hem om te gaan. Ik besprak alles van te voren, ik bleef duidelijk en consequent en mijn essentiële motto werd ‘als ik iets beloof dan doe ik dat’. Dat gold zowel voor de dagelijkse en leuke dingen als voor de minder leuke consequenties waar ik mee dreigde. Nee was nee en ook al leverde het dan weer een woedeaanval op van een paar uur, ik gaf niet toe. Ik bleef wel bij hem, ik liet hem weten dat ik er voor hem was. Ik aanvaardde zijn woede en steunde hem in zijn verdriet, maar het bleef nee.

Aan de andere kant voelde ik me vaak opgelaten als er een rij achter me stond in de winkel en Marijn eindeloos deed over het muntje in het karretje doen. Ik had hem tenslotte gezegd dat hij het mocht doen en wist goed wat het gevolg was als ik daarvan af zou wijken. Of ik voelde het oordeel van anderen als hij de deur open wilde maken en we allemaal moesten wachten, ik met hem uitgebreid besprak wat we wanneer gingen doen, ik hem liet mee bepalen, ik me door hem liet overtuigen toch af te wijken van een regel omdat ik vond dat hij gelijk had, ik braaf met hem precies tegelijk de autodeur dicht deed, want dat was de gewoonte, daar kon ik niet zomaar van afwijken. Het kon wel, maar dan moest ik dat ruim van te voren aankondigen.

Ik kreeg te horen dat ik hem in de watten legde, teveel ruimte gaf. Diep van binnen wist ik dat ik het goed aanpakte met hem, maar toch twijfelde ik vaak door de sociale druk die ik voelde, de oordelen. Maakte ik een verwend kind van hem? Bij anderen gedroeg hij zich vaak voorbeeldig, maar eenmaal thuis kwam de emotie dan in dubbele kracht eruit. Als ik het probleem van zijn dagelijkse huilbuien aan het consultatiebureau voorlegde kreeg ik te horen dat ik consequent moest zijn. Dat was ik. Maar hoe consequent ik ook was, Marijn zat ook zichzelf in de weg en kon zich tot zijn eigen frustratie nog niet altijd goed uiten. Als hij vroeg om het blauwe bordje en ik hem dat gaf, kon hij zich wanhopig op de grond storten omdat hij het rode bordje wilde. Hij begon zich zelf ook pijn te doen, sloeg dan met zijn handen op de grond en riep ‘mama, ik heb au’. Wou ik hem dan een kusje geven of troosten dan begon hij te gillen dat het niet mocht. Zelf werd ik ook af en toe wanhopig: dan zat ik met hem mee te huilen op de grond.

Ruimte geven aan het zelfvertrouwen van mijn zoon

Toch wierp mijn zelfgemaakte handleiding uiteindelijk zijn vruchten af. Marijn is nu een doorgaans vrolijke, enthousiaste en sociaal vaardige jongen. Hij heeft geen heftige woedeaanvallen meer, heeft vertrouwen in zichzelf en ik zie en voel dat hij een stevige basis heeft. Ik ervaar dat de ruimte die ik hem gaf om zich te uiten essentieel voor hem was om zich vanuit zijn eigen gevoel te kunnen ontwikkelen en bij zichzelf te kunnen blijven.

In de boeken die ik nu lees vind ik de erkenning voor mijn aanpak.

“Benader je hoogbegaafde kind vanuit een positie van gelijkwaardigheid, geef het inspraak in het dagelijkse leven, ook al gaat dat misschien rechtstreeks in tegen de opvoedingsprincipes van buitenstaanders. Betrek je kind bij het maken van plannen en afspraken, geef het een zekere mate van keuzerecht en je leven zal er een stuk aangenamer op worden.”

Kieboom T, 2015. Hoogbegaafd; Als je kind (g)een Einstein is (2e editie). Lannoo,Tielt, Belgie. p. 186.

Nu weet ik zeker dat mijn intuïtie goed zat: een tosti die je een hoogbegaafd kind geeft kan je niet zomaar afpakken. Dat tast het rechtvaardigheidsgevoel van mijn kind in diepe mate aan.

Nieuwe uitdagingen

Marijn loopt nu weer tegen nieuwe uitdagingen aan op school. Hij verveelt zich, voelt zich soms gepest, vindt het te zwaar om de hele dag tussen de kinderen te zijn. Maar nu we alles nog beter kunnen plaatsen en ik van de omgeving ook begrip krijg, kunnen we daar adequate oplossingen voor verzinnen. De docenten denken hard mee en ik ben blij dat er ondertussen veel bekend is over hoogbegaafdheid en het erkend en gezien wordt. En ik durf weer op mijn intuïtie te vertrouwen en Marijn de begeleiding, liefde en aandacht te geven die hij nodig heeft.

Hoogbegaafd! Zeer hoogbegaafde kinderen

 Lid worden


© Edith | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Hoogbegaafden: stem zorgvuldig, stem medemenselijk, stem voor diversiteit

By | maart 15th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Exit Poll na 15 maart: Hoe zou de Tweede Kamer eruit zien als alleen hoogbegaafden zouden stemmen?

Aantal respondenten: 339
Niet-blanco respondenten: 338 (99.7%)

GroenLinks
76 stemmen
22.5%
34 zetels (TK: 14)

D66
62 stemmen
18.3%
28 zetels (TK: 19)

VVD
39 stemmen
11.5%
17 zetels (TK: 33)

PvdD
35 stemmen
10.4%
16 zetels (TK: 5)

SP
27 stemmen
8.0%
12 zetels (TK: 14)

FvD (Forum voor Democratie)
24 stemmen
7.1%
11 zetels (TK: 2)

CDA
16 stemmen
4.7%
7 zetels (TK: 19)

ChristenUnie
15 stemmen
4.4%
7 zetels (TK: 5)

Piratenpartij
12 stemmen
3.6%
5 zetels (TK: 0)

PvdA
8 stemmen
2.4%
4 zetels (TK: 9)

PVV
5 stemmen
1.5%
2 zetels (TK: 20)

SGP
4 stemmen
1.2%
2 zetels (TK: 3)

GeenPeil
4 stemmen
1.2%
2 zetels (TK: 0)

Nieuwe Wegen
3 stemmen
0.9%
1 zetel (TK: 0)

LP (Libertarische Partij)
3 stemmen
0.9%
1 zetel (TK: 0)

Artikel 1
2 stemmen
0.6%
1 zetel (TK: 0)

Kiesdrempel niet gehaald

DENK (TK: 3)
Vrijzinnige Partij (TK: 0)
Niet Stemmers (TK: 0)

Elk 1 stem
0.3%
Geen zetels

Helemaal niet op gestemd

50Plus (TK: 4)
Ondernemerspartij (TK: 0)
VNL (VoorNederland) (TK: 0)
DBB (De Burger Beweging) (TK: 0)
Lokaal in de Kamer (TK: 0)
Jezus Leeft (TK: 0)
StemNL (TK: 0)
MenS en Spirit / Basisinkomen Partij / V-R (TK: 0)
VDP (Vrije Democratische Partij) (TK: 0)

Nederland is in de ban van de verkiezingen en de hoogbegaafden die ik ken zijn in de stemming om te gaan stemmen. Van hoogbegaafde niet-stemmers heb ik nog niet gehoord. Ik ben benieuwd naar het stemgedrag van hoogbegaafden. Natuurlijk kan ik niet controleren of alle stemmers die deze poll invullen wel hoogbegaafd zijn, maar het geeft een idee. Je keuze motiveren? Reageren kan onder dit bericht.

Welke partij zet zich volgens jou het beste in voor het welzijn van hoogbegaafden als onderdeel van de totale diversiteit in Nederland?

Om je een handje te helpen onderzocht en vergeleek Dorien Kok partijstandpunten over onderwijs aan hoogbegaafden. Niet alleen keek ze naar de al zittende partijen, ook voegde ze voor een eerlijke vergelijking de nieuwkomers toe. Ze keek daarvoor naar de partijprogramma’s en benaderde de partijen rechtstreeks. Ze vroeg of partijen achter ondersteuning van programma’s en speciaal onderwijs voor hoogbegaafde kinderen staan, en zo ja, hoe ze dachten dit concreet te gaan invullen. Verder vroeg ze om standpunten over de problematiek rond de extra kosten voor ouders en het tekort aan benodigde expertise voor het realiseren van speciaal onderwijs voor hoogbegaafde kinderen.

Let hierbij op de opvattingen van partijen over de definitie van hoogbegaafdheid en over de behoeften van hoogbegaafden, en wat daarbij nog te behalen valt. Bedenk vanuit deze basis ook welk partijprogramma het prettigst zou zijn voor hoogbegaafde volwassenen, aangezien hoogbegaafdheid niet ophoudt te bestaan na de schoolcarrière. Dus: niet alleen passend onderwijs, maar ook passend werk en een passende ruimte om divers te mogen zijn voor hoogbegaafden van alle leeftijden.

Misschien een stoute droom, maar van welke partijen verwacht je dat ze in zee kunnen gaan met een Regenboog Stembusakkoord, maar dan voor hoogbegaafden?

In het regenboogakkoord zijn afspraken vastgelegd over de emancipatie van LGBTIQ+ mensen. Een van de belangrijkste punten is de uitbreiding van artikel 1 van de Grondwet, waarin duidelijker moet worden opgeschreven dat discriminatie op basis van gender- en geaardheidsdiversiteit verboden is.

Van de voor het regenboogakkoord uitgenodigde partijen ondertekenden VVD, PvdA, D66, SP, GroenLinks, 50Plus, PvdD en Artikel 1, stond het CDA er gedeeltelijk achter, en wilden de PVV, ChristenUnie, SGP en Denk niet meedoen. Van de niet-uitgenodigde partijen weet ik dat ook de Piratenpartij zich achter de standpunten van het Regenboogakkoord schaart. Let dus vooral ook op de nieuwkomers die momenteel (nog) niet vertegenwoordigd zijn in de Tweede Kamer, maar in de toekomst misschien waardevolle spelers kunnen worden in deze politieke arena.

Hoogbegaafden: stem zorgvuldig, stem medemenselijk, stem voor diversiteit.

Heel Nederland: stem zorgvuldig, stem medemenselijk, stem voor diversiteit.


© Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

ICT onderwijs – Kijk verder dan je neus lang is

By | maart 12th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Kleuters krijgen plaatjes voor ogen om kleuren te leren. Een tomaat is rood. Snelle peuters krijgen deze eerder voorgeschoteld. Sommigen leren door te zaaien, zien groeien en oogsten, dat er ook groene tomaten bestaan. Weinigen leren dat er ook paarse tomaten bestaan.

Het is precies zo met ICT onderwijs. Schoolgaande kinderen leren o.a. Wikikids gebruiken om informatie op te zoeken ten behoeve van leerdoelen. En ze kijken veel, zonder toezicht, naar YouTube filmpjes. Daarin krijgen ze eenzijdige voorgevormde informatie, en sluikreclames onder ogen, die ze niet in twijfel leren trekken.

Kinderen behoren ervan uit te mogen gaan dat de voorgeschotelde en door hen te vinden beschikbare informatie correct en ook compleet is. Internet is wat dat betreft mijlenver verwijderd van de ‘ouderwetse’ encyclopedia (die door vele professionals was gezien en herzien alvorens deze werd gepubliceerd). Of niet? Hebben wij als ouders en onderwijzers ook de taak om hen te onderwijzen dat er ook valse informatie en kennis bestaat en hoe dat te onderscheiden van juiste of op zijn minst gecontroleerde informatiebronnen?

Ik kies voor het laatste, met oog op veiligheid en bewustwording van veiligheid. Ik leer mijn kind dus:

Ja, een tomaat is rood, maar zoek door en kijk verder, want wie weet leer je meer.

Hoogbegaafd! Onderwijs

Nederland

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Laura via >>Ik wil de hele wereld kleuren<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Week van de hoogbegaafdheid 11-19 maart 2017?

By | maart 9th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Hoogbegaafdheid op een positieve manier onder de aandacht brengen. Dat is het doel van de Week van de hoogbegaafdheid die van 11-19 maart wordt gehouden. Goed idee denk ik dan meteen. En direct daarna: of toch niet?

Er vinden ‘allerlei activiteiten’ plaats volgens de website Week van de Hoogbegaafdheid. Zo zijn er boekentafels in bibliotheken. Lezingen. Boekpresentaties. Informatiebijeenkomsten. Maar, euh, bevestigen dat soort activiteiten nou niet juist het beeld dat veel mensen hebben van hoogbegaafden…? Nerds, met brilletjes op, boekenwurmen, betweters.

Hoogbegaafdheid is zoveel meer! Naast intelligentie zijn intrinsieke motivatie en creativiteit belangrijke onderdelen. En hoogbegaafden hebben vier belangrijke kenmerken: rechtvaardigheidsgevoel, gevoeligheid, kritische instelling en de neiging om de lat (te) hoog te leggen. Afhankelijk van hun omgeving en de interactie daarmee vindt ‘de hoogbegaafde’ zijn weg wel of niet. Tessa Kieboom schrijft daar mooie dingen over. Sja, dus toch een boek…

Ongeveer 2-3% van alle mensen is hoogbegaafd. De kans is dus heel groot dat je er een in het echt gezien hebt! Daar zullen ook echt wel nerds tussen zitten. Maar vergis je niet. Ik heb inmiddels veel hoogbegaafden gezien die helemaal niet opvallen. Of die gedrag vertonen waarbij de meeste mensen geen link leggen met hoogbegaafdheid. Onder hoogbegaafden zie je dus net zoveel verschillende mensen als onder anders-begaafden. Het zijn net gewone mensen. En omdat we ons dat niet altijd realiseren is het toch goed dat er een Week is waarin hoogbegaafdheid op een positieve manier wordt belicht. Al zou dat toch ook op een minder stereotype manier moeten kunnen. Toch? Of is dat dan weer betweterig……

Hoogbegaafd! Volwassenen

Nederlands taalgebied

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Ingeborg de Keizer via >>Eigen Meerwaarde<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Waarom een hoogbegaafd kind ruimte nodig heeft

By | maart 7th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Deze week was een week vol verrassingen. En deze wil ik even met jullie delen, omdat ik denk dat ik niet de enige ben die dit meemaakt. En vooral heb ik weer zoveel mogen leren.

Functioneren met een einddoel voor ogen

Zoals zoveel hoogbegaafde kinderen, functioneert mijn dochter wanneer ze een einddoel voor ogen heeft. En dan liefst nog eentje die haar volledig zint.

Zo heeft ze twee jaar geleden alle boeken van Harry Potter gelezen omdat ze daarna de films mocht zien. Als visueel ingesteld, cinefiel persoontje is dat de manier om je door al die bladzijden te slaan. Uren zat ze met haar neus in de boeken.

Maar deze tijd ligt reeds een aantal jaren achter ons… tot mijn grote spijt en ergernis. Is lezen niet heel fijn? Is het ook niet belangrijk voor de ontwikkeling van je kind? Gebruik je er niet meer fantasie mee, dan wanneer je films kijkt? Daarom dus…

Aan het gras trekken

In al die boekloze jaren zat ik niet stil om haar te mobiliseren om te lezen: nieuwe boeken gekocht, snel een bezoekje aan de bibliotheek gebracht, spannende boeken aangeprezen, met andere kinderen over boeken gepraat, mezelf neergeploft in de zetel met een goed boek. Noem maar op. Ik zou mijn dochter aan het lezen brengen. Maar dat was buiten haar sterke karakter gerekend.

In al mijn ijver was ik ook de uitspraak van Luc Dewulf vergeten:

“Gras groeit niet door eraan te trekken!”

En laat dat zeker een citaat zijn dat voor hoogbegaafde kinderen opgaat. Zij hebben volop nood aan autonomie en zelfstandigheid. Dit komt neer op het zelf willen beslissen wat ze doen, wat ze kunnen en waar ze hun schouders onder willen zetten.

Sinds enige tijd had ik mijn poging tot het creëren van leeshonger totaal opgegeven. Ik zou die leesmicrobe niet kunnen overbrengen bij haar.

Hervonden motivatie

Maar laat daar nu verandering in gekomen zijn. Uit verveling had ze toch maar het boek dat ze van haar peter had gekregen vastgenomen en bekeken. En plots zie ik die neus weer in dat boek verdwijnen: overal waar je mijn dochter ziet, zie je haar boek. Want het is toch zo spannend en het einde is er bijna (op 300 pagina’s van het einde).

Zo reed ik gisteren naar Breda. Tijdens de heenrit was het stil naast me, op het geluid van omgedraaide pagina’s na. Bij onze vrienden vond ze de fatboy om zich in te graven met haar boek om dan te beseffen dat haar boek wel echt bijna uit was. Een zoektocht in Breda leverde niet de gewenste schat op. Maar geen nood, dan lees je gewoon een uur voor aan mama! Dan zal ze het boek ook zeker willen lezen. (Oeps, kom ik hier mezelf tegen!)

Hoogbegaafde kinderen hebben hun eigen motivatie om iets te leren:

  • Ze moeten er het nut van kunnen inzien.
  • Ze moeten het zelf willen doen.
  • Ze moeten er genoeg ruimte voor krijgen.

Hoogbegaafd! Cognitieve & Executieve functies

 Lid worden


© Adi van den Brande via >>Het Lampje<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Wijsneus, betweter, bijdehandje

By | maart 5th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Bijna niemand heeft er problemen mee om hoogbegaafden openlijk irritant te noemen, en ze te pas en te keur bijnamen te geven. Vele hoogbegaafde kinderen en tieners worden op school gepest en buitengesloten. Dit gebeurt op volwassen leeftijd op de werkvloer en op latere leeftijd in verpleegtehuizen meestal nog. Meisjes passen zich aan en verliezen daarmee hun zelfbeeld, jongens sluiten zich af en krijgen vervolgens het verwijt dat ze sociaal onhandig zijn.

Scholen voor voltijds hoogbegaafdenonderwijs selecteren aan de poort, in veruit de meeste gevallen, op een harmonieus profiel zonder leerproblemen of beperkingen. Deze scholen vragen vaak een hoog schoolgeld en zijn in vele regio’s simpelweg niet aanwezig. Kinderen uit een minder draagkrachtig gezin, met een beperking, of met een asynchrone ontwikkeling vallen daar, net als bij de meeste plusklassen, buiten de boot.

Plusklassen: een dagdeel per week onderwijs op niveau, vaak ook gebruikt om de schade ontstaan door constant beneden eigen niveau te moeten werken op te lossen. Deze zijn ook niet op alle lagere scholen aanwezig. Je bent niet deeltijd hoogbegaafd, waarom krijg je dan wel deeltijd les op passend niveau?

De reguliere GGZ en jGGZ hebben in de regel gebrekkige kennis van hoogbegaafdheid en hoogsensitiviteit en zijn, met oog op hoogbegaafdheid, vaak schuldig aan DSM misdiagnoses. Ze zijn, uitzonderingen daargelaten, dan ook niet de meest geschikte behandelaars van hoogbegaafden met een specifieke hulpvraag of met een grote behoefte aan ondersteuning. Dit levert onnodig leed op en heeft veelal niet noodzakelijke extra schade tot gevolg. De kosten: je zult inmiddels niet meer verbaasd staan, maar die zijn in de meeste gemeenten en via zorgverzekeraars volledig voor de ouders van de hoogbegaafde kinderen of de hoogbegaafde zelf.

Discriminatie is het ongelijk behandelen, achterstellen of uitsluiten van mensen op basis van (persoonlijke) kenmerken. Er kan bijvoorbeeld onderscheid worden gemaakt op afkomst, sekse, huidskleur, seksuele voorkeur, leeftijd, religie, handicap of chronische ziekte. Discriminatie is niet het maken van onderscheid, maar van verboden of onredelijk onderscheid.

Er zijn twee vormen van onderscheid:

  • Direct onderscheid: als iemand vanwege persoonlijke kenmerken of eigenschappen anders wordt behandeld. Dit is altijd verboden, tenzij de wet een uitzondering maakt.
  • Indirect onderscheid: als een neutrale bepaling, regel of handelswijze specifieke gevolgen heeft voor een groep mensen met één of meerdere van de in de gelijke behandelingswetgeving genoemde kenmerken of eigenschappen. Dit is in beginsel verboden, tenzij er een objectieve rechtvaardiging voor is.

De stap richting oplossingen voor de groep hoogbegaafden, die zo’n 2-5% van de Nederlandse bevolking beslaat: aanpassing van de Grondwet. Zodat discriminatie op basis van cognitief vermogen niet is toegestaan in ons land.

Ben jij zelf hoogbegaafd, werk je met hoogbegaafden en ervaar jij discriminatie op één of meerdere vlakken? Meld dit. Individuele casussen worden niet aangenomen, maar bij meerdere meldingen moet onderzoek worden gedaan.

Meldformulier discriminatie

Hoogbegaafd! Onderwijs

Nederland

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Laura via >>Ik wil de hele wereld kleuren<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Tips voor leerkrachten: Het effectief inzetten van hulpmiddelen bij prikkelgevoeligheid

By | februari 27th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Ik heb de meest prachtige hulpmiddelen ‘misbruikt’ zien worden met averechts effect tot gevolg.

Zolang het hulpmiddel maar bewust ingezet wordt in het voordeel van de ontwikkeling van het kind. Vaak ontbreekt de kennis over hoe deze hulpmiddelen effectief ingezet kunnen worden op school. Maar het inzetten van hulpmiddelen, is net als een bril: maatwerk. Het effectief gebruik van hulpmiddelen hoeft niet lastig te implementeren te zijn. Iets wat soms wel gedacht wordt. Bedenk dan als leerkracht dat overprikkeling voorkomen vele malen prettiger werkt dan, in een groep van 30+, een overprikkeld kind  te kalmeren.

Het is van groot belang dat zowel het kind als de leerkracht weten hoe, waarom en wanneer deze hulpmiddelen in te zetten. En het is ook belangrijk om hier duidelijke afspraken over te maken. Dit geldt voor zowel het kind als met de leerkracht. Zie hiervoor mijn eerdere blog.

Leer de hulpmiddelen effectief en positief inzetten

Het doel van een hulpmiddel is om overprikkeling tijdens drukke momenten te voorkomen. Dit geldt niet alleen voor gehoorbescherming, maar voor alle hulpmiddelen. Zet ze dus niet in tijdens een stille toets, dan is de kans op overprikkeling klein. Zet ze in tijdens de drukte die voorafgaat aan een opdracht die concentratie vereist, of na een drukke activiteit ten behoeve van kalmering. Als je weet dat er een rustmoment zal volgen op een druk moment, dan weet je dat het kind erna dus weer ruimte krijgt om te ‘ontprikkelen’. Dan kan je de gehoorbescherming ook af en toe achterwege laten. Het is namelijk ook niet zo dat ze niet overprikkeld mogen raken, maar als ze overprikkeld zijn, moeten ze hun weg naar rust weer leren en mogen vinden.

Gehoorbescherming

Gehoorbescherming is een hulpmiddel dat heel vaak verkeerd wordt ingezet: tijdens stil werk. Dat is jammer. Als een kind zich leert afsluiten door het gebruik van een gehoorbeschermer, leert het kind dus niet omgaan met de omgeving. Gehoorbescherming is niet bedoeld ten behoeve van concentratie tijdens toetsen. De juiste inzet van het hulpmiddel is tijdens een activiteit waarbij het rumoerig is, alvorens een werkje te moeten doen dat concentratie vereist. Anders begint een kind overprikkeld aan een opdracht en ondermijnt dat het inzicht in zijn/haar kunnen. Drukke momenten kunnen onder andere zijn: tijden het uitdelen van werkjes, uit de kring gaan, tijdens knutselen en spelen, voor het doen van opdrachten naar een andere ruimte gaan, etc. Maar bijvoorbeeld tijdens gym of buiten spelen (ook druk), is inzet van gehoorbescherming niet nodig. Deze activiteiten bieden namelijk al de mogelijkheid tot kalmering van overprikkeling door beweging. Dat wil niet zeggen dat kinderen er geen baat bij hebben tijdens toetsen, maar wel dat het gebruik dan anders is dan het Sensorische Integratiehulpmiddel bedoeld is, zoals aangeraden door Sensorische Integratiespecialisten.

Ontwikkeling en overprikkeling

Gebrek aan cognitieve uitdaging speelt bij kinderen met een cognitieve voorsprong ook een rol. Gebrek aan uitdaging maakt prikkelgevoeliger. Door overprikkeling kan een kind zich niet concentreren en zal het verminderd kunnen waarnemen. Met andere woorden: tijdens overprikkeling komen boodschappen niet aan en zal ook zowel het werk als de werkhouding hier onder lijden. De beoordeling van hun werk kan dan heel lastig zijn: is de boodschap niet aangekomen, kan het kind het niveau niet aan, of was het kind overprikkeld?

Als een overprikkeld kind wordt ‘gestraft’ door bijvoorbeeld iets leuks te missen omdat een opdracht afgemaakt moet worden, of door geen uitdagender werk te krijgen omdat het overprikkelde kind veel fouten maakt in werkjes beneden niveau, wees je dan bewust dat dat kind dan driedubbel wordt gestraft voor de overprikkeling. Dat komt de motivatie en werkhouding niet ten goede.

De afbeelding

Op de foto zie je de hulpmiddelen-toolbox van een jongen uit groep 3. Zijn Sensorische Integratiespecialist heeft vastgesteld dat hij extreem gevoelig is voor auditieve, visuele, tactiele (voelen) en bewegingsprikkels.

  • Leesliniaal
  • Therapressure brush
  • Chewigem
  • Gehoorbescherming
  • Handgrip
  • Wiebelkussen (niet afgebeeld, is op school)
  • Werkscherm (niet afgebeeld, is op school)


© Laura via >>Ik wil de hele wereld kleuren<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Tips voor leerkrachten: Het gebruik van friemel en wiebel hulpmiddelen in de klas

By | februari 27th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Hulpmiddelen zoals een squeeze bal, friemelkettingen en tangles zijn zelfregulerende hulpmiddelen die beweging en tactiele verwerking positief beïnvloeden. Ze kunnen kinderen die problemen hebben met concentratie, aandacht en sensorische problemen helpen.

Maar ze worden vaak foutief ingezet. Als een kind bijvoorbeeld een squeeze ball door het lokaal gooit of rolt, of obsessief met silly putty zit te kleien is dat een teken dat er iets niet goed gaat.

Het probleem is dat kinderen vaak de hulpmiddelen wordt aangeboden zonder enige vorm van instructie, met de gedachte dat zij automatisch weten hoe deze te gebruiken. Vervolgens worden wij boos als kinderen ermee gaan zitten spelen in plaats van ze als hulpmiddel te gebruiken.

Dat is waarom het van belang is dat wij kinderen leren hoe ze te gebruiken. Hier volgt mijn advies.

Ten eerste, leg het kind uit dat het een een hulpmiddel is, een stukje gereedschap wat ze kunnen gebruiken ten bate van het verbeteren van de concentratie en de aandacht bij een opdracht of taak. Gebruik om die reden dan ook geen producten met grappige gezichtjes of oogjes erop. Als ze correct gebruikt worden en in de juiste situatie, kunnen de hulpmiddelen helpen om beter te luisteren, de aandacht bij het werk te houden  en zelfs kalmerend werken op zowel lichaam als gedachten. Kort gezegd: een hulpmiddel is een gereedschap om de concentratie te helpen – en geen speelgoed.

Ten tweede, werk met het kind om uit te vinden op welke specifieke momenten zij hun hulpmiddelen nodig hebben. Bijvoorbeeld tijdens het maken van werkbladen, of om stil te zitten tijdens de uitleg.

Ten derde, spreek duidelijke regels af met betrekking tot het gebruik van hulpmiddelen, en bespreek deze met het kind. Als je niet weet waar te beginnen, volgen hier een aantal afspraken die je kunt maken:

  • Regel 1: Wees je bewust. Voordat je je hulpmiddel pakt, denk na of je het nodig hebt. Als je het niet zeker weet, kijk naar regel 2.
  • Regel 2: Je mag het hulpmiddel alleen gebruiken om je te helpen met concentratie, aandacht of om je te kalmeren. Anders wordt het afgepakt.
  • Regel 3: Gebruik je hulpmiddelen niet om anderen af te leiden of als het anderen hindert in het werk dat zij moeten doen. Als het hulpmiddelen anderen stoort, gebruik een ander hulpmiddel of een andere strategie.
  • Regel 4: Telkens als je klaar bent met een hulpmiddel, ruim je het netjes op waar het hoort.

Experimenteer met het kind om uit te vinden wat voor hem/haar(m/v/o) het beste werkt. Denk daarbij ook aan of het voor jouzelf te doen is om het op de gekozen wijze aan te pakken.

Als jullie alles samen hebben ontdekt, zet dan een mandje neer waar alle hulpmiddelen in worden bewaard, print de regels en plaats deze ergens waar het kind ze gemakkelijk kan zien.

The Understood Team, 2016. Teacher tip: the do’s and don’ts of fidgets for kids.

© Laura via >>Ik wil de hele wereld kleuren<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Transfer

By | februari 21st, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

De vraag kwam of ik een kort stukje over transfer in combinatie met hoogbegaafdheid wil schrijven. Het is 02:30 uur en ik zet mijn laptop wel even aan, van uitstel komt afstel of anders verdrinkt het idee tussen de tig andere projecten en opdrachten tijdens deze voorjaarsvakantie.

Een paar nachten geleden (ja, inderdaad, ik ben nogal nocturnal), had het volgende voorval plaats. Een snurkend 6-jarig kind na eerste les schaken mompelt in zijn slaap:

“Als je een toren op zijn kop zet, is het geen dame. Dus al ga je liegend op je kop staan, dan wordt het nog geen waarheid… Leuke droom joh!”

Voor de mensen minder bekend met schaken: Als je pion aan de overkant komt, mag je die vervangen door een dame, een toren of een loper.

Kort uitgelegd in de context van hoogbegaafdheid betekent dit:

De transfer houdt in dat er betekenis wordt verleend aan een leerprincipe in andere contexten en het toepassen in andere contexten van de geleerde stof dan de context waarin het leerprincipe is toegepast. Hoogbegaafden, dus ook 2E (twice exceptionals: hoogbegaafden met een beperking), hebben het vermogen die transities enorm snel te maken. Dit staat overigens los van de meetbare verwerkingssnelheid zoals die bekend is van IQ test.

Met andere woorden, beperkingen bepalen de transfersnelheid van nieuwe concepten en de mogelijkheden deze toe te passen niet, maar hoogbegaafdheid beïnvloedt de snelheid van transfers wel.

Van Doorn E, Van Loo F, 2013. Basisboek Mediërend leren. Uitgeverij Boom, Amsterdam, Nederland.
Van Doorn E, Van Loo F, 2016. TIBtools. Zet in op de ontwikkeling van cognitieve functies! Instondo, Dordrecht, Nederland.
Webb JT, 2016. Misdiagnosis and dual diagnoses of gifted children and adults. ADHD, Bipolar, OCD, Asperger’s, Depression, and other disorders. 2nd edition. Great Potential Press, Tucson, USA.
Whitley MD, 2001. Bright minds, poor grades. Understanding and motivating your underachieving child. Penguin Putnam Inc., USA.

© Laura | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Van onderwijs naar van boven-wijs?

By | februari 13th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Onderwijs is eigenlijk al jarenlang hetzelfde. Terwijl de maatschappij in zo’n enorm tempo verandert. Waarom verandert onderwijs niet sneller – of eigenlijk anders – mee?

Natuurlijk, er zijn heel veel vernieuwingen geweest afgelopen jaren. Maar in essentie verandert er weinig. De meeste scholen hanteren toch de landelijke eindtermen, de normen van de inspectie en scholen toetsen zich suf. Opvallend vind ik ook om te zien dat heel veel scholen zich profileren met ‘we kijken naar ieder kind als individu’, en toch worden de prestaties afgemeten aan voor iedereen gelijke toetsen. Zijn we dan slim bezig? Als we nu eens werkelijk onderzoekend kijken naar de talenten die kinderen in de kern in zich hebben? Wat gebeurt er dan? In mijn beleving zie je dan werkelijk onderscheid: het ene kind is van nature gedreven om van heel veel dingen iets af te weten. Een ander is niet zo breed geïnteresseerd maar wil van iets specifieks dan wel alles tot in detail weten. De een heeft ‘zorgen voor’ in zijn genen, terwijl de ander daar doodongelukkig van wordt. Waarom zouden we deze kinderen allemaal hetzelfde onderwijs aanbieden terwijl de talenten zo verschillend zijn? Willen we dat iedereen een minimaal gemiddeld niveau haalt? Of staan we onszelf toe vooral gebruik te maken van aanwezige talenten, en bouwen we die verder uit? Iedereen weet dat het leuker is om nóg beter te worden in iets waar je al goed in bent, dan om energie te steken in iets waar je eigenlijk al niet heel warm voor loopt.

Misschien verandert onderwijs dan wel echt in van boven-wijs!

Lees ook in het FD: ‘Het huidige schoolsysteem is een rem op de vooruitgang


© Ingeborg de Keizer via >>Eigen Meerwaarde<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Als volwassene het hoogbegaafde kind zien in eigenheid

By | februari 11th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Vorige week belde een mama me op. Ze gaf aan dat haar hoogbegaafde zoon zich echt niet goed in zijn vel voelt. Het lijkt of hij nergens zin in heeft, hij past zich constant aan aan anderen, helpt waar hij maar kan en dringt zich nooit op. Wanneer het hem allemaal teveel wordt, vliegt hij vervolgens uit, waar hij later weer veel spijt van heeft.

“Hij is al op gesprek geweest bij tal van psychologen en hij heeft een sociaal vaardigheidstraining gevolgd. Maar niets lijkt hem te helpen. Hij blijft vechten met zichzelf.”

Mag je wel de verantwoordelijkheid bij je kind leggen?

De mama gaf aan dat ook zij hier enorm van afziet. Ze zou hem graag zien openbloeien, zien opkomen voor zijn mening of gewoon zichzelf zien zijn. Want het is zo’n pracht van een jongen.

Hierop bood ik aan om eens met hem te praten. Snel antwoordde ze:

“Ja maar, Adi, ik ben de enige die hem kent. Aan anderen laat hij zich niet zien. Die kennen hem niet. Er is zelfs nog nooit een leerkracht geweest, die hem zag zoals hij echt is. Ze lijken het steeds over iemand anders te hebben. Hij schermt zich zo af, hij laat anderen echt niet toe. Het is ne moeilijke op dat vlak.”

Hier sloeg mijn hart even een slagje over, want dit hoor ik niet graag. Wanneer ik deze zin ontleed, voel ik dat de verantwoordelijkheid bij een kind van 8 jaar wordt gelegd. Hij schermt zich af, waardoor de anderen hem niet mogen leren kennen. Maar klopt dit wel? Mag je wel de verantwoordelijkheid bij hem leggen?

Voor mij is het antwoord duidelijk negatief. Deze jongen zoekt constant nabijheid van anderen door zich aan te passen, te helpen, … Hij wringt zich in 101 bochten om toch maar te voldoen aan de eisen die gesteld worden. Kan je hier dan zeggen dat hij verantwoordelijk is en dat hij zich afschermt?

Ik draai graag de vraag om:

Hoe komt het dat hij dit mooie talent van zelfregulatie zo moet inzetten zodat hij er zelf ongelukkig van wordt?

Doen de anderen wel genoeg hun best om hem te leren kennen?

De verantwoordelijkheid ligt bij alle volwassenen die zijn pad reeds zijn gekruist

Voor mij ligt de verantwoordelijkheid bij alle volwassenen die zijn pad reeds zijn gekruist. Hebben zij al ooit de moeite genomen om deze jongen echt te leren kennen? Zoeken ze naar zijn echte interesses? Naar zijn talenten? Kijken ze voorbij de buitenkant van hoogbegaafdheid?

Vaak is het antwoord negatief. Hoogbegaafde kinderen beseffen dit. Ze hebben als het ware antennes op hun hoofd die voelen wie ze tegenover zich hebben. Wat wil deze persoon van hen? Zeggen de woorden hetzelfde als die lach?  Zijn ze wel echt?

Bij hoogbegaafde kinderen merk je dan dat ze zich deze vragen stellen en dit ondoordringbaar masker opzetten. Ze weten niet meer hoe het voelt om zichzelf te zijn en kunnen het dus ook niet meer laten zien.

Hoe zie je als volwassene het hoogbegaafde kind in eigenheid?

En daarin schuilt de magie tot het doordringen tot een kind. Hoe kom jij als volwassene over en welke oprechte interesse stel jij in deze jongen?

Deze toets van authenticiteit is bij hoogbegaafde kinderen enorm sterk. In de interactie heb je een aantal criteria waar je moet aan voldoen. Anders zal het nooit klikken en laten ze zich nooit zien.

  • Doe zoals je echt bent met je grote en kleine kantjes.
  • Benoem wat je zie, maar hou je oordeel voor jezelf.
  • Heb vertrouwen in hen en blijf dit hebben (want ze gaan je testen).
  • Ben oprecht geïnteresseerd in hen.

Als je dit doet, mag je met hen alle kanten van de wereld zien. Krijg je een glimp van wie ze echt ze zijn. En vooral geef jij hen de kans om open te bloeien.

Voor wie wil weten hoe het verder met de jongen afliep

Gisteren zag ik hem voor het eerst. Hij was geweldig, had humor en zat barstensvol talenten. Hij zocht en zocht om mij beter te leren kennen. Hij deed zoveel moeite zodat hij schrok dat ik hem vragen stelde. Hij mocht best wel weten wie ik was, waarom ik zo graag met kinderen bezig ben, wat ik ’s avonds doe als ik thuis ben, …. Maar ik wilde net zoveel van hem weten, ik wilde weten waar hij vrolijk van werd, waar hij van droomde, wat hij belangrijk vond, …. Ik wilde deze jongen zien en laten openbloeien.

De sessie eindigde met de woorden:

“Tot volgende week, Adi. Het was fijn.”

Hoogbegaafd! Cognitieve & Executieve functies

Lid worden


© Adi van den Brande via >>Het Lampje<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Meer maatwerk op scholen!?

By | januari 26th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Vandaag weer iets nieuws in het nieuws: na twee jaar middelbare school op nieuw kijken naar het niveau van leerlingen. Want alleen een advies in groep 8 werkt niet goed genoeg.

Dat kan zomaar zijn. Zeker als dat advies sterk gebaseerd is op toetsen en gemiddelden. En dat gebeurt nog heel vaak… Maar wordt een advies na twee jaar VO niet ‘meer van hetzelfde’? Waar blijft de discussie over de manier waarop ons onderwijssysteem in elkaar zit? Met algemene eindtermen waar iedereen aan moet voldoen. Waarom kijken we niet veel vaker naar (kern)talenten van leerlingen? Waar zijn ze van nature goed in? Juist die talenten kunnen zij optimaal benutten: ze komen er ver mee terwijl het weinig energie kost of juist energie oplevert. Nog veel te vaak zijn wij als samenleving gericht op het energie steken in dingen die je nog niet goed kunt. Ook binnen bedrijven en andere organisaties zie ik dit nog heel vaak. Ik snap daar niets van. Het kost moeite om mensen een kant op te sturen die zich niet vanzelf ontwikkelt. Dat gaat ten koste van tijd die mensen kunnen steken in dingen die ze heel goed kunnen en waar ze energie van krijgen!

En dat geldt natuurlijk precies hetzelfde voor leerlingen. Waarom niet meer kijken naar talenten? En coachend onderwijs verzorgen? Met focus op het verder ontwikkelen van talenten. Dan wordt het ook interessanter voor kinderen en scholieren die niet in een gemiddelde passen. Meer- en hoogbegaafden bijvoorbeeld. Scheelt veel frustratie en gemiste kansen…

Finland, het andere onderwijsnieuws in het nieuws vandaag, lijkt op de goede weg?!


© Ingeborg de Keizer via >>Eigen Meerwaarde<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Puzzelstukjes op z’n plek – 3

By | januari 26th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Werk

Ik keek ontzettend uit naar het klaar zijn met school. Geen docenten of huiswerk. Niet continue bezig moeten houden met zaken die me opgedrongen werden. Helaas bleek het ‘eindelijk werken’ niet zo heel veel te verschillen van school.

Van folders lopen, (ochtend)kranten bezorgen, oppassen, een blauwe maandag op de slagers afdeling van een supermarkt en een nog iets blauwere maandag in de bediening van een Grieks restaurant, kwam ik vlak na mijn mavo examens bij De Waarbeek terecht. Tot het einde van de zomervakantie zes dagen in de week werken van ’s ochtends tot het einde van de middag en daarna de weekenden. Ik vond het geweldig. Het contact met de kinderen en de ouders. Het gek mogen doen, verantwoordelijk voelen en er betaald voor worden. Hoewel het absoluut niet een perfecte werkgever bleek te zijn, heb ik er de tijd van m’n leven gehad.

Collega’s kon ik het op werk best goed mee vinden. Ik kwam er daar in de jaren (in totaal heb ik er 4 seizoenen gewerkt) wel achter dat ik voor anderen al snel een luisterend oor bleek te zijn. Wat mensen niet graag wilden delen met anderen, konden ze bij mij wel kwijt. Niet geheel zonder verrassing van de personen die iets met mij deelden overigens.

In mijn laatste jaar daar heb ik met mijn baas gesproken over voor vast aan blijven. Geen seizoenswerk meer, maar een parttime baan voor het hele jaar. Er bleek een andere collega geïnteresseerd te zijn in precies hetzelfde, maar dat zou overlegd worden zodra de persoon waar de fulltime baan mee gedeeld zou worden weer terug was van vakantie. Zodra die persoon terug was, kreeg ik van haar te horen dat de andere gegadigde de baan had gekregen. Niet omdat ze beter gekwalificeerd was, of omdat ze beter in het team paste. Nee, ze bleek beter in het ‘slijmen’ met de baas. Uit protest heb ik toen ontslag genomen. Niet lang daarna gaf ik aan dat als ze nog iemand zochten om mijn wegvallen tot het einde van het seizoen op te vullen, dat ik dan wel terug wilde komen. A girl’s got to pay for school.

Kort gezegd voelde dat hele gedoe ontzettend rot. Ik had die jaren mijzelf gegeven in de taken die ik kreeg. Hoewel veel ouders en leerkrachten dit vaak niet deden, nam ik mijn baan en de verantwoordelijkheid over de mensen in de attractie die ik bediende ontzettend serieus.

Toen de herfstvakantie dat jaar was afgelopen, was ik wel een diploma rijker, maar tegelijkertijd inkomsten kwijt. Omdat ik mijn inkomsten kwijt was vanwege seizoenswerk en niet doordat ik ontslag had genomen, had ik een uitkering bij het UWV aangevraagd. Om de periode naar de volgende baan een beetje te versoepelen. Bij de afspraak daar kreeg ik drie vacatures mee die me ‘voor zolang het duurt’ wel leuk leken. Eentje van een bakker, de tweede van een nieuwe KFC vestiging en de laatste van een kledingzaak. Van de eerste twee stuurde ik het formulier terug met de melding dat ik niet had gesolliciteerd, omdat het vele staan me niet verstandig leek met mijn knieën. De derde heb ik wel op gesolliciteerd.

Toen ik een tijd later bij het UWV ging informeren over mijn uitkering kreeg ik te horen dat ik was uitgeschreven, omdat ik op niet had gesolliciteerd op de functies die ik had meegekregen. Ontzettend fijn dat me was medegedeeld dat ik verplicht was om op die vacatures te solliciteren *ahum* dat was me dus niet verteld tijdens de afspraak waar ik de betreffende vacatures overhandigd kreeg.

Gelukkig werd ik aangenomen bij de kledingzaak. De functie? Magazijnmedewerkster voor 25u per week. Bij drukte zou ik een helpende hand moeten geven in de winkel zelf. De afwisseling daarin leek me wel leuk.

Het vroege opstaan (en beginnen om half acht) dat ‘wel zou wennen’ bleek in de 2,5jr dat ik er werkte absoluut niet te wennen. Ik vond het vre-se-lijk, ben echt een avondmens. Het werk an sich was best te doen. Veel in beweging, iedere dag nieuwe aanvoer dat tussen de bestaande voorraad gehangen moest worden (alles op artikelnummer), artikelnummers om (vooral onbewust) te onthouden en afwisselend in de winkel staan (paskamers of bij de kassa) en klanten helpen. Het grootste nadeel was dat er onderling ontzettend veel geroddeld werd en de store manager duidelijk boven haar kunnen functioneerde en dit graag afscheepte op andere zaken. Ze heeft mij er ooit van beschuldigd dat ik ‘als een kip zonder kop’ door het magazijn liep, terwijl ik oprecht gewoon lekker bezig was. Normaal heen en weer liep om de nieuwe toevoer tussen dat wat er al was te krijgen. Terwijl zij diezelfde periode duidelijk gestressed (strak gespannen huid in haar gezicht, haar haren wilder dan het ’s ochtends bij aankomst was) rondliep. Er is me daar veel verweten, ben erg vaak voor ‘minder’ aangezien en dus zocht ik tijdens mijn contract naar ander werk.

Voor mijn contract bij de kledingzaak was afgelopen, kon ik terecht bij de telefonische helpdesk van een ISP. Het viel wel in mijn straatje van techniek, technische kennis, feiten in combinatie met contact met echte mensen.

Een van de leukste gesprekken die ik daar heb gehad was met een vrouw van een jaar of 80. Ik kreeg haar aan de telefoon met de melding dat ze geen internet had, aan het einde van het gesprek (een minuut of 40 later) had ze weer internet en was ze zo trots als een pauw: ze had het maar mooi zelf (met een beetje hulp) geflikt. Dat soort gesprekken deed ik het voor.

Door wijziging van team kwam ik van gehamer op mijn gesprekstijden in een (op een later punt) outbound team. Nou ben ik totaal geen fan van outbound moeten bellen, maar in dit geval had het totaal niets te maken met onhandige gesprekken op onhandige tijdstippen. We mochten klanten bellen om te helpen met hun installatie. Geen gedoe met gesprekstijden, verkoop etc. Gewoon echt mensen helpen met het probleem dat ze ervoeren.

Na een tijdje werd de officieuze Supervisor vervangen. De persoon die het over mocht nemen? Ik. De plek waar ik het te horen kreeg? Mijn bruiloft. Ik kreeg het te horen nadat ik bij mijn baas en collega’s (zij waren aanwezig op het feest ’s avonds) aan het hangen was en praatte over werk.

Op een gegeven moment kwam het project ten einde. Onze teamleider ging naar een andere werkgever. Ik had besloten dat ik fulltime ging ondernemen. De laatste paar weken dat ik daar werkzaam was, mocht ik al mijn uren gebruiken om nieuwe instroom te begeleiden.

Begin 2008 was ik al begonnen met mijn eigen onderneming Illutic WebDesign (waarbij illutic een samenvoeging was van de woorden fantastic en illusion). Na ongeveer een half jaar stopte ik bij mijn werkgever, omdat het combineren erg lastig werd.

In eerste instantie vond ik het ondernemen heerlijk. Ik deed wat ik leuk vind, verdiende best aardig en zat niet met opgelegde werktijden. Ergens tussen midden en eind 2009 bleek ik zwanger te zijn, eind februari kon ik mijn zoon verwelkomen.

Tijdens mijn zwangerschap kwam ik in aanraking met onvoorwaardelijk ouderschap. Een manier van omgaan met je kinderen waarin de onvoorwaardelijkheid in liefde niet alleen door de ouder gevoeld wordt, maar juist ook door het kind. De ouder-kind relatie staat erin centraal. Ik wilde niet te snel weer aan het werk, om mezelf en mijn zoon rust te geven. Daarnaast zijn lang niet alle kinderdagverblijven erop ingericht dat kindjes op hun eigen aangeven voeding krijgen (voeding op verzoek) en/of gaan slapen (slapen op verzoek). Rond een half jaar na zijn geboorte ging mijn zoon voor het eerst naar het kdv, een paar maanden daarna zochten we een gastouder omdat de zaken die wij belangrijk vonden niet volledig mogelijk bleken bij het kinderdagverblijf.

Toen de gastouder gevonden was, werkte ik 3 dagen in de week met opvang. De resultaten die ik voor de zwangerschap had gehaald heb ik met die werkzaamheden nooit kunnen evenaren.

Halverwege 2015 sprak de vader van mijn zoon uit dat hij wilde scheiden. In eerste instantie voelde het als een schok. Tijdens datzelfde gesprek klonk het al logisch. Achteraf zou blijken dat het niet goed zitten van onze relatie de oorzaak was van waarom ik praktisch niks uit mijn vingers kreeg. Al die tijd wist ik dat er íets was, de vinger erop leggen lukte echter niet.

Om inkomsten te genereren moest ik weer gaan werken. Doodeng vond ik het. Solliciteren was ik niet goed in, omdat ik mijn sterke en zwakke punten niet goed kon verwoorden. Mezelf ‘verkopen’ vond ik vreselijk. Imposter syndrome alert! Hoewel ik heus wel wist dat ik niet dom was, dat ik echt wel over een pak kwaliteiten beschikte, kon ik die niet echt opnoemen. Kennis? Ja, die had ik wel. De wil en mogelijkheid om bij te leren? Ook, absoluut. Maar ja, wat viel er verder te melden? De match leek iedere keer toch niet goed te zijn en wat (of meer: wie) was daarin de gedeelde factor?

Ik kwam een vacature tegen van (wederom) een callcenter. Het eerste project waar ik voor solliciteerde werd ik voor afgewezen. De reden? Ze hadden het idee dat ik me erg snel zou gaan vervelen. Het tweede project (zelfde bedrijf) werd ik wel voor aangenomen.

Ondertussen werk ik er ruim een jaar. Binnen de eerste paar maanden dat ik er zat heb ik een begin gemaakt aan een systeem dat nu op alle locaties van dat project wordt gebruikt. Het is uitgegroeid tot iets onmisbaars. Ik heb er meerdere skills bij gekregen, een hoop ontzettend leuke collega’s.

Is dit ook mijn eindstation? Zeker niet. In het afgelopen 1+ jaar heb ik op een veel dieper niveau kennis mogen maken met mezelf. Heb geleerd wat ik te bieden heb, mezelf leren echt te waarderen voor wie ik ben. Mezelf leren te accepteren voor wie ik ben. Mijn ‘nieuwe’ partner heeft daar een ontzettend groot aandeel in gehad, net als een paar specifieke collega’s.

Dromen die ik jaren geleden afzonderlijk al had zijn samen gekomen en ik weet welke kant ik op wil. Ik was altijd al een groot dromer, het verwezenlijken ervan is dus niet zo even gedaan. Maar met de mensen die ik nu om me heen heb, de kennis die ik over mezelf heb vergaard, weet ik dat het slechts een kwestie van tijd is.

Deel 1 – Deel 2


© Hiranthi Herlaar via >>Hoogbegaafd Ouderschap<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Vragen en valkuilen in je gesprek met school

By | januari 26th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Ken je dat? Naar een school toegaan, zoveel mogelijk informatie willen ontvangen en dan na afloop buiten staan met een onbevredigd gevoel. Je bent niet de eerste die het overkomt.

Je voorbereiding is goed

Je doel is helder. Je wilt een school vinden waar je kind met plezier naartoe gaat. Een school waar jij als ouder mee kunt overleggen en samenwerken. Je hebt op internet diverse scholen bekeken, de voors en tegens zijn afgewogen en er is een selectie gemaakt. Je hebt een lijstje met scholen waar je graag mee in gesprek gaat. Je hebt je voorgenomen om zoveel mogelijk vragen te stellen en goed te luisteren.

Het eerste gesprek, let op de valkuil

Waarschijnlijk heb je het gesprek met iemand van de directie, een intern begeleider of een zorgcoördinator. De school zal je vragen om iets te vertellen over je kind en wat jullie bij deze school heeft gebracht.

En daar ga je, ongemerkt stap je in de valkuil: Je zult enthousiast over je kind gaan vertellen. Op dit moment krijgt school informatie van jou en zal af en toe instemmend knikken. Dat is een aanmoediging om verder te vertellen. Jij hebt het idee dat je boodschap overkomt, dat jullie op één lijn zitten en je vertelt verder.

Na afloop van het gesprek heeft deze school een beeld van jullie. Maar, hoeveel beeld hebben jullie bij deze school? Wat heb je aan nieuwe informatie gekregen? Kan je nu wel een besluit nemen?

Informatie krijgen is belangrijk, laat school vertellen

Natuurlijk wil school weten wie jullie zijn, waarom jullie denken dat deze school bij jullie en je kind(eren) past. Daar kan je best iets over zeggen, maar houd het kort. Voor jullie is het vandaag belangrijk om vragen te stellen en de school te laten vertellen. Pas dan krijg je een beeld van ‘de school en de manier waarop zij observeren, acteren en reageren’. Stel daarom zoveel mogelijk open vragen en luister en let op je onderbuikgevoel. Vragen die je kunst stellen zijn bijvoorbeeld:

  • Wat doen jullie als …?
  • Hoe reageren jullie op…?
  • Hoe signaleren jullie…?
  • Waarop letten jullie in het geval van…?
  • Hoe kijken jullie naar…?

Concrete voorbeelden:

  • Wat gebeurt er als iemand niet mee kan komen in de klas? Welke vervolgstappen?
  • Hoe flexibel en buiten kaders kan deze school denken als blijkt dat mijn kind juist meer aankan en voorloopt?
  • Hoe kijkt school aan tegen hoogbegaafdheid?
  • Is er een onderwijslijn voor hoogbegaafde kinderen? Is er een plusgroep, een mogelijkheid om mee te doen aan een bovenschoolse plusklas?
  • Welke resultaten heeft school al geboekt met onderwijs aan hoogbegaafde kinderen? Hoe succesvol zijn ze hierin?
  • Is school in staat om een visuele leerstijl te ondersteunen? Waaruit blijkt dat?
  • Hoe signaleren jullie pesten en buitensluiten? Welke acties worden er dan ondernomen?
  • Welk beleid hebben jullie op het gebied van pesten? Waaruit blijkt dat dit nodig is? Waaruit blijkt dat het werkt?
  • Hoe helpen jullie kinderen om een positief zelfbeeld te ontwikkelen?
  • Hoe gaan jullie om met gedragsproblemen, boze buien, frustratie?
  • Wanneer zijn ouders welkom op school en/ of in de klas?
  • Hoe ziet de samenwerking met de ouders eruit? Waaruit blijkt dat?
  • In welke situaties overlegt de leerkracht met de IB’er? Wie zijn daar dan nog meer bij betrokken?
  • Wat wordt er van mijn kind geregistreerd en hoe krijgen wij daar inzicht in?
  • Is er binnen de school een aanbod in ‘niet schoolse vakken’ (muziek, kunst, drama, handvaardigheid, techniek)?
  • Wat is de visie van school op buitenschoolse activiteiten? Welke activiteiten worden er georganiseerd?
  • Werken jullie samen met een BSO? Waarom hebben jullie voor deze BSO gekozen?
  • Je wilt graag een afspraak maken met een ouder. Kan school je met iemand in contact brengen?
  • Kan je onder schooltijd een keer komen om de sfeer te proeven?

Gesprekken tijdens het jaar

Ook tijdens het jaar zal je gesprekken voeren met school. Blijf aan de valkuil denken, stop je neiging om veel uit te leggen. Ga vragen stellen en luisteren! Laat school vertellen wat ze zien, wat ze merken, wat ze denken. Pas dan krijg je een inkijkje in wat er ‘aan de andere kant gedacht en gedaan wordt’.

Als dit niet je eerste school is, bij een overstap

Bij een overstap kom je nog een extra factor tegen. Je hebt de vorige keer een school gekozen die uiteindelijk toch niet bij jullie bleek te passen. Dat is verdrietig en je wilt nu, bij je nieuwe keuze zeker weten dat je goed kiest. Helaas is die garantie niet te geven. Was het maar zo, dat zou heel veel ouders veel twijfelen besparen.

Ook in je kennismakingsgesprek met de nieuwe school kan je bovenstaande vragen natuurlijk gebruiken. Ook dan is het belangrijk om zoveel mogelijk te weten te komen over de nieuwe school. Tegelijkertijd speelt er een reden mee om over te stappen. Bespreek die reden, stel zoveel mogelijk van bovengenoemde vragen en stel dan ook nog een aantal aanvullende vragen:

  • Hoe kijkt school naar de situatie. Wat zien zij als mogelijkheden en eventuele knelpunten?
  • Wat zou de nieuwe school nu als eerste doen?
  • Welke ondersteuning krijgen jullie bij de overstap? Wordt er een groeidocument geschreven?
  • Met wie kan je de eerste weken ‘vinger aan de pols houden’?
  • Bij welke leerkracht komt je kind terecht en waarom is dit de meest passende leerkracht voor jouw kind?
  • Welke ondersteuning krijgt de leerkracht om jouw kind zo goed mogelijk te ondersteunen bij de overstap?
  • Wat wordt er gedaan met informatie die meekomt van de oude school (Cito-scores, OKR)?
  • Als jullie een externe begeleider hebben voor jullie kind, mag deze persoon dan meekomen naar gesprekken op school? Wordt deze externe geconsulteerd indien nodig? Wanneer vindt school het nodig om de externe te consulteren?
  • Laat alle afspraken op papier zetten, om ruis en teleurstelling te voorkomen, maar ook om evaluatie en bijsturing mogelijk te maken.

© Marjolijn Peters via >>Marjolijnpeters.nl | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Drie vragen aan het Voortgezet Onderwijs

By | januari 25th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Het is de tijd van het jaar dat ouders van kinderen in groep 8 (en soms 7) bekijken wat de best passende volgende stap zal zijn in de onderwijscarrière van hun kind. Wij hebben vorig jaar met dit bijltje gehakt en ik heb vaak positieve reacties gekregen op mijn bruut-methodische aanpak om een idee te krijgen van kaf en koren voor onze specifieke situatie, waarbij hoogbegaafd zijn en een aantal voorgaande jaren op voltijds hoogbegaafdenonderwijs een significante rol spelen.

Het gaat om het stellen van drie vragen (met een subvraag). Daarbij loont het de moeite om jezelf op voorhand een beeld te vormen van het antwoord dat je wenst te horen. Ook is het goed om geen perfecte score te verwachten: een enkele uitzondering daargelaten wordt het kiezen tussen sub-optimale opties met een behoorlijke onzekerheidsfactor.

Vraag 1: Wat doen jullie voor hoogbegaafde kinderen?

Voorwaarde voor enig zinnig antwoord is dat deze kinderen herkend worden. Dus: wordt er aandacht aan besteed in de intake? Komt er een gouden sterretje op het dossier? Ik heb ooit iemand gesproken (die tragisch genoeg toch echt in een relevante positie was) die hier meteen op antwoordde dat zij hoogbegaafde kinderen niet zagen, omdat hij vond dat ze gewoon normaal zijn en dat andersom alle kinderen speciaal zijn. De rest van het gesprek was voorspelbaar zinloos, anders dan dat we wisten dat we daar in ieder geval niet moesten zijn.

Ander mogelijk fout antwoord: alles over excellente leerlingen en (hoog)begaafdheidsprofielschool. Dat zijn twee dingen die niet concreet bestaan in een klas, maar veel meer gaan om procedures, de juiste lidmaatschappen en een ingevuld formulier. En als alle hoogbegaafde leerlingen vanzelf excellent zouden zijn, dan was er al veel gewonnen ten opzichte van de echte wereld….

Dus: net zo lang doorvragen totdat je iets concreets te horen krijgt. Over compacten, verrijken, dubbele vakken, sabbaticals, methoden, etc. Vraag naar doorloop over meerdere jaren, etc. Examen in meer dan 8 vakken (dat is een logistieke uitdaging), noem het maar.
Voor extra inspiratie: is er een vast programma voor hoogbegaafden? Is er een keuzemenu? Hoe veel ervaring is er al mee? Hoe veel inspraak heb je als ouders in de te maken keuzes? Hoe flexibel kunnen aanpassingen gemaakt worden?

Vraag 1A: Wat doen jullie om problemen van hoogbegaafde kinderen te verhelpen?

Ik heb het over dyslexie, p/v kloof, onderpresteren, aanpassing, koude douche na een paar jaar voltijds hoogbegaafdenonderwijs, etc. Al die dingen waar het in deze groep dagelijks over gaat.

In deze vraag kun je het ook hebben over slagvaardigheid: wat is de ervaring bij problemen? Gaat daar altijd wel een week of vijf overheen of kunnen vandaag gemaakte afspraken gewoon morgen ingaan?

Vraag 2: Hoe vinden hoogbegaafde leerlingen elkaar?

Uit de literatuur en talloze ervaringsverhalen is bekend dat hoogbegaafde kinderen enorm baat hebben bij een peer group. Als ze die al hadden in het Primair Onderwijs, dan zijn ze die waarschijnlijk goeddeels kwijt in het Voortgezet Onderwijs. Wat wordt er gedaan om te zorgen dat het handje hoogbegaafde leerlingen dat een school statistisch gezien zou moeten hebben elkaar vindt? Denk aan pro-actief door de mentor(en) sturen, studie/reflectieclubje. Maar ook aan extracurriculaire clubs die over klassen en leerjaren heen gaan.

Vraag 3: Hoe is de kennis en kunde omtrent hoogbegaafdheid belegd?

Ten eerste is de vraag waar enige kennis en kunde vandaan komt. Hele team op cursus geweest? Of twee teamleden, die de kennis dan over moeten dragen op de rest? Of anderhalve docent met een bijzondere affiniteit?

Je wilt er achter komen of je kind afhankelijk gaat zijn van twee of drie docenten of dat je kunt vertrouwen op het hele systeem van school.

Deze vragen zijn voor veel scholen oncomfortabel, omdat er niet zo veel zijn die uitgebreid positief antwoord kunnen geven op alle drie of vier. Wellicht doe je er als ouders goed aan om op open avonden e.d. contacten te leggen voor een (voorbereid) gesprek op een rustiger moment, en dan ook graag met degene binnen school die er iets van weet.

Peter Smulders


© Peter Smulders | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Puzzelstukjes op z’n plek – 2

By | januari 25th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

In een levensverhaal, één grote puzzel is het gemakkelijk om stukjes over te slaan. Naderhand valt het je op, aangezien er stukjes ontbreken. Daar moet je echter wel een groot deel van de puzzel al voor klaar hebben. Het was eigenlijk de bedoeling hier de puzzelstukjes van mijn zoon te beschrijven. In plaats daarvan ga ik wat missende stukjes van mij alsnog noemen. Dat helpt ook weer voor zijn puzzel.

Poppenmoeder

Ik geloof dat het mijn derde verjaardag was dat ik een jongetjespop kreeg. Pukje. Ik was op slag verliefd, zoals peuters dat kunnen. Ik had wel te horen gekregen dat ik de pop niet mee mocht nemen naar buiten, maar ik wilde de pop zo graag laten zien. Uiteraard de pop zelf ook wat buitenlucht geven, want dat hoor je te doen als goede poppenmoeder 😉

Vlakbij het huis was er een boogklimrek. Zo eentje met verschillende ‘ladders’, in metaal. Ik zie nog zo voor me hoe een oudere jongen de pop van me afpakt, tegen het klimrek aan slaat en de verschillende onderdelen verspreid in de buurt, bij voorkeur in achtertuinen over de schutting heen. Compleet kapot doordat iemand mijn prachtige bezit zo afpakte en kapot maakte. Tegelijkertijd in paniek, want ik mocht de pop niet meenemen naar buiten. Hoe ga ik dit uitleggen aan papa en mama?

Het enige dat we terugvonden van de pop was een armpje. De rest van de onderdelen waren niet meer te vinden. Jaren later zou ik de route die genomen werd om de onderdelen te verspreiden, welke tuinen er iets in ging nog aan kunnen wijzen.

School

De jaren op de basisschool had ik al continue een ontzettend duaal gevoel. Aan de ene kant voelde ik me dom, omdat ik de standaard lesstof vaak niet meekreeg. Tegelijkertijd voelde ik onbewust wel dat dit beeld niet klopte. Zaken die me echt bezig hielden hield ik in mijn hoofd, omdat ik ergens wist dat anderen me er alleen maar vreemd op aan zouden kijken. Of dat gevoel bij iedereen terecht was zal ik natuurlijk nooit weten. Ik kan die periode immers niet overdoen en dezelfde mensen nu zijn ook heel anders dan ze toen waren.

Met mijn hersenspinsels over de dood, het heelal, noem maar op kon ik dus nergens echt terecht. Ik weet nog dat ik een periode me ontzettend afvroeg of alles wel echt was. Of mensen die zeiden dat ze ergens naartoe zouden gaan, daar dan ook echt naartoe gingen. Of dat ze op zouden houden met bestaan zodra ze buiten mijn zicht waren. Om weer terug te zijn wanneer ‘het verhaal’ dat vereist. Er zijn ongetwijfeld meer kinderen die soortgelijke gedachten hadden, de film The Matrix bestaat immers niet voor niks 😉

Schoolboeken leken expres geschreven te zijn om het betreffende vak zo saai mogelijk te presenteren

Ik wilde ontzettend graag leren. Helaas werd ik daar continue in teleurgesteld. Alle schoolboeken leken expres geschreven te zijn om het betreffende vak zo saai mogelijk te presenteren. Zo ongeveer elke paragraaf moest ik meerdere keren opnieuw lezen, terwijl de inhoud ervan maar niet bleef hangen. Ik kon niet leren, dacht ik. En dat had vast te maken met dat het eigenlijk te hoog gegrepen was voor mij.

Dat beeld werd bevestigd toen ik een weddenschap had met mijn leraar Engels. Ik had steeds een 8.9 bij proefwerken en zo en hij was ervan overtuigd dat ik dan ook een 9 kon halen. De weddenschap hield dus in dat ik minimaal een 9 moest halen voor het daarop volgende proefwerk. Als me dat lukte mocht ik in de kantine iets uitzoeken. Lukte het me niet? Dan kreeg hij een doosje sigaren. Eentiende punt meer halen, dát kon ik wel. En ach, het was Engels. Een vak waar ik wél goed in was. Met daadwerkelijk leren moest dat wel goed komen, toch?

En toen kreeg ik het cijfer terug: 7.5 Niet alleen geen 9 gehaald, maar ook nog eens 1.4 punten lager dan daarvoor steeds. Ik kon dus niet leren en het was zonde dat ik er zoveel moeite in had gestopt. Dat zou ik dus echt niet nog een keer doen.

Verhaaltjessommen en formules

Met wiskunde duurde het best een tijd voor ik doorhad dat ik dat heus wel kon. Hoofdrekenen duurde me te lang (“kan ik niet”) en de wiskunde die ik in het begin kreeg bestond voor een groot deel uit verhaaltjessommen. En die werken niet met mijn hoofd.

Je hebt een lade met 50 zwarte sokken en 50 groene sokken. Hoe groot is de kans dat je twee dezelfde sokken pakt? Ik kreeg meteen een hoop belangrijke vragen in mijn hoofd. Pakte je de sokken met een blinddoek op? Of kon de lade niet zover open, waardoor je niet kon zien wat je pakte? Hoe had je de sokken in de lade gelegd, was dat per stuk of per paar? En dus liep ik vast.

Berekenen wanneer persoon A en persoon B elkaar zouden kruisen vond ik ook vreselijk. Ook daarbij kreeg ik allerlei bijkomende vragen. Wat waren de weersomstandigheden? Hoe zag de omgeving eruit? Bergop met de fiets is natuurlijk een stuk lastiger dan bergaf. En ga zo maar door.

Toen we dan eindelijk bij de echte formules uitkwamen was ik er dermate van overtuigd dat ik het niet kon, dat ik gewoon geen ‘wiskundeknobbel’ had dat het opnemen van de stof niet lukte. Pas toen we verplicht bij huiswerkbegeleiding moesten zitten (en je daar moest werken aan het vak waar je het laagst voor stond) zat ik er echt voor en liep ik algauw een aantal hoofdstukken voor. Ik liep niet alleen voor, ik begreep de stof ook! Het proefwerk erna had ik ineens een 9.8 te pakken.

Proefwerken en schriftelijke overhoringen vond ik eigenlijk altijd al stom. Niet het “shit, ik heb geen zin om te leren”-stom, maar het “je kunt leren wat je wil, maar tijdens het proefwerk kom je niet op het antwoord, zodra je buiten staat weet je het ineens wél.” Ofwel: het is geen accurate weergave van de kennis die de afnemer heeft. De instinkers waar leraren ontzettend trots op konden zijn had ik helemaal een hekel aan. Dan had je het immers ineens over begrijpend lezen in plaats van wat er afgenomen zou worden. Zo was de laatste vraag bij mijn examen biologie iets als: “wat kwam er eerder, de kip of het ei?” Een vraagstuk die ik toevallig erg interessant vond, maar aangezien het niet iets was wat we hadden behandeld vond ik het misplaatst. Uiteindelijk bleek het antwoord te liggen in de volgorde van benoemen in de vraag. In dit geval was het dus de kip, omdat die eerder voorkwam in de vraag.

Daarnaast vond ik het ontzettend vreemd dat je geen vragen mag stellen. Vraagstelling staat ontzettend open voor interpretatie (zeker als het instinkers betreft), waarbij nagaan of je inderdaad begrijpt wat er gevraagd wordt behoorlijk kan helpen in hoe je de vraag beantwoord. Ik vond het ook toen al een vreemde tegenhanger van de samenleving waarin we leven. Het woord samenleving zegt het al: je leeft samen met andere mensen. Je hebt andere mensen nódig om volwaardig te kunnen leven. We hebben immers allemaal onze ‘sterke’ en ‘zwakke’ punten. Maar op school wordt er vooral gedaan alsof je nooit een collega, kennis of onbekende zou kunnen vragen voor wat verduidelijking. Alsof jijzelf alle kennis hoort te bezitten.

Ook dat was een reden waarom ik na de directiesecretaresse-opleiding besloot niet nog een opleiding te gaan doen. Het echte leren doe je immers niet op school, dat doe je in de praktijk. Zo heb ik het ook altijd ontzettend bijzonder gevonden dat het slechts een paar eeuwen geleden niet gek was als je de meest uiteenlopende beroepen had. Daar volgde je geen theoretische opleiding voor, dat leerde je in de praktijk. Van iemand die de kennis al bezat. ‘Grappig’ genoeg weet het gros ook nu dat je vooral in de praktijk leert, toch word er ondertussen behoorlijk wat waarde gehecht aan diploma’s en cijfers.

In de jaren erna heb ik genoeg andere zaken geleerd. Meer daarover in het volgende (zal dat dan toch de laatste zijn?) deel 🙂

Deel 1 – Deel 3


© Hiranthi Herlaar via >>Hoogbegaafd Ouderschap<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Puzzelstukjes op z’n plek – 1

By | januari 24th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Ik was een zorgenkindje. Astma, koemelkallergie en allergisch voor honden en katten. Huilen deed ik praktisch de hele dag en mijn broer heeft niet lang na mijn geboorte daarom aan mijn ouders gevraagd of ze alsjeblieft de poezen weer op konden halen en mij weg doen. Kinderlijke onschuld. Toen ik een jaar of vier was vroeg ik mijn moeder “jullie hadden mij niet willen hebben he?” of iets in die geest. Hartbrekend. Net als mijn paniek toen ze de groene schoenen die ze ooit kocht uiteindelijk aan mijn broer gaf. Ik had immers gevraagd of ze ze álsjeblieft voor mij wilde bewaren voor als ik later groot was, alleenstaand, wel kinderen maar geen geld had. Grote zaken voor een klein kind om zich daar zo druk om te maken. De eerste puzzelstukjes.

Verknocht aan lezen

Mijn ouders en wij gingen vaak naar rommelmarkten. Heerlijk vond ik dat. Op onderzoek uit, welke schatten zou ik vinden? Mijn moeder kocht er graag boeken. Voor haarzelf, maar ook voor ons. Tot ik een jaar of elf was, wist ik van elk boek dat ze aan me liet zien of we die in huis hadden of niet. Met een boek of 10 zou dat niet heel opvallend zijn, ware het niet dat mijn moeder er honderden had. De reden waarom ik de inhoud van onze bieb op een gegeven moment niet meer wist? Ik ging niet meer mee naar elke rommelmarkt en zag daardoor ook niet altijd welke boeken er mee kwamen.

Er is nooit rekening gehouden met dat ik in stilte vele malen sneller lees.

Hoe ík verknocht ben geraakt aan lezen weet ik niet meer. Voor mijn gevoel was ik dat altijd al. Ergens op de basisschool begon ik met de boeken van mijn moeder. Psychologische thrillers, medische thrillers, literaire thrillers. Spanning, dood, plus een hoop ingewikkelde woorden die ik verder in het verhaal ontcijferde. Twee boeken staan me enorm bij dat ik die voor het einde van groep acht heb gelezen, Sheila van Torey Hayden en Morgen mag ik uit de kast van Othilie Bailly. Die laatste overigens stiekem, omdat mijn moeder het nog te heftig voor me vond.

Op school mocht ik de ‘moeilijkste’ boeken nog niet lezen, omdat ik volgens hun dat niveau niet aan kon. Dat zal groep zes geweest zijn, vermoed ik. Daar las ik dus – naar verhouding – ontzettend simpele boeken en thuis de boeken die me meer aanspraken. Hoe snel ik hardop kon lezen werd als mijn leessnelheid gezien. Iets wat ik nu bij veel basisscholen nog zie. Waar nooit rekening mee is gehouden, is dat ik in stilte vele malen sneller lees. Wat lezen betreft was ik ontzettend opgelucht toen ik dan eindelijk naar de middelbare school ging, daar kon ik met boekverslagen in ieder geval de boeken behandelen die ik zelf wilde.

Op mijn laatste basisschool kwam ik terecht in groep 4. Als nieuw kindje ben je dan ontzettend interessant voor de rest van de klas. Op de school daarvoor (een school voor langdurig zieke kinderen) had ik twee ‘vriendjes’, waarvan eentje mijn ‘verloofde’ was. Beide jongens zaten in groep 8. Daar is overigens verder niks mee gebeurd, het is gewoon een extra puzzelstukje.

Uiteindelijk kwamen ze er op de nieuwe school achter dat ik ‘anders’ was. Een tijd van “ja, dat was het keerpunt” kan ik niet terughalen. Mijn analyseerhoofd vind dat jammer. Niet dat ik op zoek ben naar een “oh, daarom ging dat mis, daar moet ik aan werken.” Ik vind het interessant om dat soort zaken te weten.

Niet alleen leerlingen lieten merken dat ik een ‘vreemde eend in de bijt’ was. De leraar van groep 5 (die ik later in groep 7 ook weer had, zelfde lokaal ook) reageerde ooit met “dat ben jij” op mijn vraag “wat is een landloper?” Bij mijn moeder later nagevraagd wat het nu precies inhield. Zodra ik de betekenis wist, was mijn beeld van die leraar 180 graden gedraaid. Vanaf begin groep 5 was hij mijn lievelingsleraar, omdat zijn voornaam hetzelfde was als een van mijn vriendjes op de school daarvoor. Na die uitspraak kon ik hem niet meer vertrouwen.

Toen kwam er een dag dat we in de kring zaten (5 of 7, verschil in groep is wat lastig terug te halen met zelfde leraar en zelfde klaslokaal) en ik niemand kon horen. Zo doof als maar kon. Ik kon wel zien dat ze praatten en dus deed ik mijn best met liplezen. Ik had natuurlijk kunnen zeggen dat ik niks kon horen, maar dat zou ervoor zorgen dat de aandacht op mij gevestigd werd en dat wilde ik niet. Tijdens de les zat ik met mijn rug naar de meester en kon niet steeds naar achteren kijken om te weten te komen waar we waren. En dus keek ik bij mijn buurvrouw. Niet om naar haar antwoorden te kijken, maar om te verifiëren of ik wel bij was.

Blijkbaar had de leraar wel door dat er iets was, hij vertelde mijn ouders dat ik steeds aan het afkijken was. Zij kwamen erachter dat ik niks hoorde. Ik kreeg voor de tweede keer buisjes en algauw was mijn gehoor weer terug.

“Zelfs mavo wordt lastig voor je.”

In groep acht kreeg ik mijn CITO-score te horen: mavo/havo. Mijn leraar voegde daaraan toe dat “mavo moeilijk voor haar wordt.” Naar aanleiding van – onder andere – de boeken die ik eerder noemde, had ik bedacht dat ik kinderpsycholoog wilde worden. Maar ja, mavo zou moeilijk voor me zijn en daar had je echt wel een hoger niveau voor nodig. Eenmaal op de middelbare school zag ik dat de kinderen op het gymnasium ook Grieks en Latijn kregen. Leek me geweldig om te leren. Maar ja, dat krijg je op de mavo niet. Na ruim 4 jaar onderpresteren, niet gezien zijn, een beste periode gepest te zijn en de uitspraak van mijn groep 8 leraar in mijn hoofd, was ik ervan overtuigd dat ik niet beter kon dan mavo. Proberen had geen zin.

Vanaf de mavo ging ik naar het mbo. Toen we moesten kiezen voor een vervolgopleiding had ik geen idee wat ik wilde gaan doen. Alles wat ik in de jaren ervoor had bedacht (na kinderpsycholoog kwam patholoog anatoom, archeoloog) hadden een hoger opleidingsniveau en tja, dat kon ik niet. Mijn beste vriendin ging een directiesecretaresse opleiding doen. Aangezien ik zakenvrouwen in films (de mantelpakjes vooral) wel interessant vond, ging ik met haar mee.

Tijdens mijn eerste stage van twintig weken (tweede leerjaar van in totaal drie) kwam ik erachter dat ik een kantoorbaan helemaal niet zag zitten. Zelf een kinderdagverblijf opzetten leek me wel wat, dus wilde ik SPW gaan doen. Mijn stagebegeleider van school (die ik ergens aan het einde van de periode voor het eerst zag) leek het belachelijk te vinden dat ik na het mbo – ik wilde de opleiding wel eerst afmaken – wederom mbo wilde gaan doen. Dan kon ik toch beter richting hbo gaan? Gevolg was dat ik dichtklapte en nog meer aan mezelf ging twijfelen. In dat schooljaar en het jaar ervoor bleek Duits een lastige te zijn voor me. Op de middelbare school had ik dat vak al zo snel mogelijk laten vallen. Helaas had ik in ieder geval Duits 1 en 2 nodig op deze opleiding om mijn diploma te kunnen krijgen. Stage in Duitsland bleek een mogelijkheid en in mijn derde leerjaar ging ik die kant op voor een periode van acht weken.

Stage in Duitsland

Het werd niet zomaar Duitsland, maar München. Een treinreis van zo’n 8 uur en daar stond ik dan in m’n eentje. De eerste stage (drie weken bij een verzekeringsbedrijf) waren geen geweldige ervaring. Ik moest mijn aanwezigheid daar vooral als eer zien, geloof ik. Daarna liep ik een week mee op school, dat was een behoorlijke verbetering. De laatste vier weken waren heerlijk. Een enorm hartelijk gastgezin, een geweldige stageplek.

Na twee weken kwam een van de mensen waarmee ik dagelijks contact had ineens bij me, ze had net te horen gekregen dat ik geen Duitse was. Ze wilde even haar verbazing komen uiten en aangeven dat ze helemaal niet gemerkt had dat ik niet Duits was.

Na nog weer een week of 18 stage in Nederland kreeg ik mijn herexamen mondeling Duits. Na de afname noemde de leraar dat ik de verkeerde stof had geleerd, maar ik desondanks een goed resultaat had gehaald. Ik had een 7 nodig om mijn diploma te mogen krijgen, later bleek dat ik een 7.8 had gehaald.

Na mijn opleiding ging ik werken als magazijnmedewerkster bij een kledingbedrijf. De chaos en het oneerlijke gedoe op school maakten dat ik er klaar mee was en geen vervolgopleiding ging doen. Secretaresse worden leek me ook niks, dus dan maar wat anders.

Ik bleek er goed in te zijn. Artikelnummers waren logisch opgebouwd, ik kon ze goed opslaan. Op een gegeven moment kwamen collega’s daar achter en als er een enkel artikel over was zonder streepjescode, werd ik erbij geroepen om te bekijken of ik het artikelnummer wist. Vaak ging het om artikelen die er al een behoorlijke periode hingen, eigenlijk retour hadden gemoeten (om bij koopjesfilialen ondergebracht te worden) en ik dus al heel lang niet meer had gezien. Ik vermoed dat ik negen van de tien keer ik het artikelnummer wist terug te halen. Het deed me erg denken aan de periode dat ik nog precies wist welke boeken mijn moeder had. Net als de krantenwijk die ik liep toen ik op de middelbare school zat.

Losse puzzelstukjes op z’n plek

Tijdens de fietstocht naar school (het ROC) dacht ik veel na. Ik kan me herinneren dat ik op een gegeven moment goed besefte dat ik mezelf niet echt kende en de wens ‘hardop dacht’ dat ik op mijn 30e (want dan ben je ‘echt volwassen’ natuurlijk) mezelf wél zou kennen. Grappig genoeg begon dat proces inderdaad rond mijn dertigste. De zoektocht naar handvatten, of eigenlijk herkenning rondom het gevoelige (temperamentvolle) van mijn zoon heeft daar absoluut een aandeel in gehad.

Ik heb me als kind weleens afgevraagd of ik autistisch was, gezien mijn sociale onhandigheid destijds (nu ook nog weleens). Of wellicht ADHD, omdat mijn hoofd praktisch nooit stil staat. Ondertussen weet ik dat ik hoogbegaafd ben. Mijn hele zijn heeft vaak genoeg als vloek gevoeld. Ondertussen lukt het me om het meer als een zegen te zien.

Deel 2 – Deel 3


© Hiranthi Herlaar via >>Hoogbegaafd Ouderschap<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Suïcidaliteit en hoogbegaafdheid: Een literatuurstudie

By | januari 16th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Ik heb een uitgebreid literatuuronderzoek gedaan naar hoogbegaafdheid en zelfmoord en het is gedeeld in de groep Gifted! Knowledge & Research onder de titel Suicidality and giftedness: A literature review. Dit onderwerp verdient meer aandacht.

Mijn paper is het resultaat van een literatuurstudie in 2015 en 2016 met betrekking tot zelfmoord onder hoogbegaafden en de status quo in het bestaande onderzoek. De literatuur over zelfmoord onder hoogbegaafden wordt uitgebreid besproken en omvat de volgende onderwerpen:

  • Het voorkomen van zelfmoord onder hoogbegaafden,
  • De toename van zelfmoord onder hoogbegaafden,
  • De achtergrond van deze hoogbegaafden,
  • Hun pogingen en methoden tot zelfmoord,
  • De meest gebruikte onderzoeksmethoden om hoogbegaafdheid en suïcidaliteit te onderzoeken,
  • Signalen van suïcidaliteit bij hoogbegaafden,
  • Mogelijke interventies voor suïcidale hoogbegaafden.

Wat uit mijn onderzoek blijkt is dat de literatuur over zelfmoord onder hoogbegaafden weinig empirisch uitgevoerd onderzoek bevat, maar het laat in elk geval zien dat het voorkomt onder hoogbegaafden. Het is ook duidelijk dat zelfmoord zodanig vaak voorkomt onder hoogbegaafden, dat verder onderzoek noodzakelijk is om

  • de risicoprofielen te kunnen herkennen en
  • de meest efficiënte en effectieve preventiemethoden structureel te implementeren.

Martin Apistola


© Martin Apistola | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

De maatschappelijke erkenning van hoogbegaafdheid behoeft nuance, eerlijkheid en volledigheid

By | januari 14th, 2017|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Onderbouwing met cijfers kan makkelijk voor waar worden aangenomen. Maar wat als het spookcijfers of wilde claims betreft?

Media-aandacht voor hoogbegaafdheid

Recentelijk is er veel media-aandacht ontstaan voor hoogbegaafdheid naar aanleiding van het rapport van het Instituut Hoogbegaafdheid Volwassenen (IHBV) over hoogbegaafde volwassenen zonder werk. Zo kopten onder meer Trouw en de Telegraaf over hoogbegaafdheid, verschenen er enkele persoonlijke verhalen via de NOS, schreef Metro over veelvoorkomende vooroordelen, en verscheen er een stukje op Nu.nl over dat hoogbegaafdheid de carrière in de weg kan staan. Een ander geluid kwam van de Volkskrant, in de vorm van een kritische kanttekening over het geschatte percentage werkloze hoogbegaafden. Door alle berichtgeving wordt nu in de online community van mijn stichting (in oprichting) extra veel over en weer geschreven, zoals in de groep voor hoogbegaafde volwassenen.

De toegenomen aandacht voor de hoogbegaafde bevolking is waardevol, maar om deze te behouden en in goede banen te blijven leiden zijn nuance, eerlijkheid en volledigheid nodig. Daarvoor zijn we samen verantwoordelijk en moeten we bruggen slaan. Alle betrokken partijen in hoogbegaafdenland, oftewel alle verenigingen, stichtingen, onderzoeksinstituten en professionele begeleiders van hoogbegaafden zijn verantwoordelijk voor het opdoen van de nodige kennis en kunde van hoogbegaafdheid ter bevordering van een genuanceerde beeldvorming. Op die manier kan er een eerlijke aandacht ontstaan voor de unieke (werk- en onderwijsgerelateerde) behoeften van hoogbegaafden. Kritische journalisten, om met wetenschapsjournalist Maarten Keulemans van De Volkskrant een voorbeeld te noemen, kunnen hierin waardevolle bruggenbouwers zijn. Of Ingrid Weel, Trouw-journaliste en moeder van hoogbegaafde kinderen, die in augustus 2016 al een vijftal columns over hoogbegaafde kinderen publiceerde.

Spookgetallen gaan een eigen leven leiden

Helaas is er in de recente berichtgeving een spookgetal terechtgekomen. Cijfergeweld, noemt De Correspondent dat. Ingrid Weel schreef in Trouw dat een derde van de hoogbegaafden werkloos thuis zou zitten. Maarten Keulemans zocht het na in het pas verschenen rapport, in een aan het ministerie van OCW gepresenteerde brochure uit 2008, en vroeg het nog eens aan het IHBV. Daaruit bleek het te gaan om een educated guess van de betrokkenen waarna “dat getal een eigen leven is gaan leiden“. Om gericht te kunnen onderzoeken tegen welke problemen hoogbegaafde werklozen aanlopen is actief naar deze doelgroep gezocht. Het vaststellen van een percentage werkloze hoogbegaafden was niet het doel van het rapport, want dat is niet te bepalen door gericht te zoeken op werkloze hoogbegaafden, een niet-representatieve steekproef uit de totale hoogbegaafde bevolking. Om een percentage in te schatten is meer onderzoek nodig dat niet op arbeidssituatie selecteert, en tot die tijd is er eerlijkheid nodig over het nog niet kunnen weten van het percentage. Hopelijk vindt de ontkrachting van het getal als feit verdere doorgang, maar de artikelen die dit getal wel hebben aangenomen blijven beschikbaar. En dat zonder achteraf de errata weer te geven die ik af en toe tegenkom in de wetenschappelijke literatuur: tegen die tijd is er alweer nieuwer nieuws waarover geschreven moet worden.

Het is niet de eerste keer dat er een spookgetal over hoogbegaafdheid in de media terechtkomt, maar het is ongepast om de media te homogeniseren en als schuldigen aan te wijzen van ongenuanceerd of slecht onderbouwd sjoemelen met getallen. Er wordt dan vergeten dat veel journalisten, ook de kritische wetenschapsjournalisten, over een grote diversiteit aan onderwerpen schrijven, waarbij zij experts in die onderwerpen om raad vragen. Spookgetallen, mythen en niet onderbouwde spreuken kunnen ook mede door organisaties gespecialiseerd in hoogbegaafdheid, experts met grote verantwoordelijkheden, de wereld in geholpen worden. In 2013 plaatste het NRC een artikel waarin werd nagegaan of het wel klopte dat “80 procent van de hoogbegaafden niet naar de universiteit zou gaan”. Deze uitspraak kwam uit een artikel in het Algemeen Dagblad (dat ik niet terug kon vinden – of was het deze zonder bronvermeldingen), en was afkomstig van Novilo, een bedrijf dat hoogbegaafdenland domineert in het opzetten van lesprogramma’s voor hoogbegaafde kinderen en grossiert in cursussen voor talentbegeleiders. Zij konden niet vertellen uit welk onderzoek dat zou blijken, maar vertelden wel dat “het uit onderzoek zou blijken dat dit percentage de universiteit niet zou afmaken”. Uit verbazing over het getal belde NRC-journalist Teri van der Heijden met het Centrum voor Begaafdheidsonderzoek, een wetenschappelijk instituut van de Radboud Universiteit in Nijmegen, maar daar wisten ze van niks. Wat rest zijn slechts getallen op het internet die een 80%-20% verhouding dan wel een 84%-16% verhouding laten zien, en een poging uit 2014 om die 16% te ontkrachten. De bewering werd door het NRC terecht beoordeeld als ongefundeerd.

Wie zichzelf expertise aanmeet, draagt een grote verantwoordelijkheid

Deze voorbeelden laten zien dat nuance, eerlijkheid en volledigheid nodig zijn ter bevordering van de maatschappelijke erkenning van hoogbegaafdheid. Experts en belangenbehartigers van hoogbegaafden dienen niet slechts uit eigenbelang te handelen, bijvoorbeeld vanuit commerciële belangen, maar zich er sterk van bewust te zijn dat zij een grote verantwoordelijkheid dragen voor het aanjagen van het maatschappelijke welzijn en de beeldvorming van zowel hoogbegaafde kinderen als volwassenen. Speculaties over wat we nog niet weten en valse waarheden kunnen een stevig beeld neerzetten van wat de hoogbegaafde is en wat elke hoogbegaafde nodig zou hebben. Een aangedikt, ongenuanceerd en niet op (wetenschappelijke) onderbouwingen berustend beeld van de hoogbegaafde zou een grotere aanzet tot actie kunnen impliceren voor de erkenning van hun unieke werkgerelateerde, onderwijsgerelateerde en sociale behoeften. Het probleem is dat dit mythes in stand houdt en zo stigma’s in de hand werkt, en daarmee de diversiteit en behoeften van hoogbegaafde individuen onrecht aandoet.

In de online community en op bijeenkomsten van mijn stichting (in oprichting) hoor ik mensen vaak verzuchtende opmerkingen maken over het Nederlandse gepolder van “doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg”. Wie vanuit de rol van kennisexpert anderen wil informeren en onderwijzen over hoogbegaafdheid, hoogbegaafden wil coachen en begeleiden, of  in contact wil treden met de media, dient zelfkritisch en onderzoekend te blijven, en niet te polderen, homogeniseren, stigmatiseren en fabriceren. Het getuigt van het op integere en respectvolle wijze omgaan met je medemens en het zien van diversiteit.

Wat is hoogbegaafdheid dan wel?

Laat ik zelf ook een brug slaan. Hoewel de roemruchte “130” niet zozeer een spookgetal is, bestaat er onduidelijkheid over wat hoogbegaafdheid precies is. Omdat er in korte persberichten niet altijd de gelegenheid is voor uitgebreide verklaringen, neem ik hier nog wat ruimte. Een IQ van minimaal 130 wordt gebruikt als harde eis om te spreken van een hoogintelligent persoon. Dit wordt vaak gelijkgesteld aan hoogbegaafdheid, soms door de media, soms vanuit hoogbegaafdenland zelf, maar hoogbegaafdheid wordt door experts steeds vaker gezien als meer dan alleen een hoog IQ. Een IQ-test kan wel gezien worden als een indicatie van minimale intelligentie, maar een enkel getalletje kan niet te boek gaan als absolute waarheid. Een IQ-test heeft namelijk een betrouwbaarheidsinterval, en iemand met een IQ van 129 kan op een betere dag ook 132 scoren. Verder zijn bepaalde groepen hoogbegaafden slecht te testen, waardoor een uitslag van een IQ-test te laag uitvalt en niet hun werkelijke capaciteiten vertegenwoordigt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij mensen met faalangst, autisme, AD(H)D en dyslexie, welke voorkomen over de breedte van het intelligentiespectrum. Ik voorzie deze uitspraak verder niet van een educated guess in de vorm van een percentage dat aangeeft hoe vaak dit het geval zou zijn in de hoogbegaafde populatie. Hoogstens kan ik zien dat er in de groepen van de online community van mijn stichting (in oprichting) over hoogbegaafdheid en autisme, AD(H)D en dyslexie respectievelijk 120, 150 en 240 mensen aanwezig zijn, voor zichzelf en/of voor hun kinderen.

Wat is hoogbegaafdheid dan wel? Hoewel er geen uniforme definitie bestaat van hoogbegaafdheid, spreken de vele modellen uit de literatuur over meer factoren dan alleen een hoog IQ, welke dus voor sommige groepen niet goed te meten is. In 2007 kwam in Nederland ook zo een model tot stand: het Delphimodel Hoogbegaafdheid. Dit model stelt:

“Een hoogbegaafde is een snelle en slimme denker, die complexe zaken aankan. Autonoom, nieuwsgierig en gedreven van aard. Een sensitief en emotioneel mens, intens levend. Hij of zij schept plezier in creëren.”

Hoogbegaafden zijn mensen met een buitengewoon groot leerpotentieel en een specifieke bedrading die ervoor zorgt dat ze het leven intens beleven: de vele indrukken in het leven komen hard bij ze binnen. Dit kan onder meer tot fantastische creaties en innovaties leiden, een intense beleving van schoonheid in de gevonden interesses, maar ook kan hun belevingswereld ze kwetsbaarder maken voor een gebrek aan aansluiting, wat kan leiden tot het gevoel buitengesloten worden. Niet elke hoogbegaafde is even hoogbewust of sensitief, niet elke hoogbegaafde denkt even kritisch na, en hoogbegaafden hebben verschillende talenten in verschillende gradaties. De expressie van hun hoge leerpotentieel heeft bovendien verschillende richtingen: de onderwerpen die ze kunnen blijven fascineren zijn nogal divers, maar met plezier duiken ze in soms complexe materie. Al met al zijn hoogbegaafden niet beter dan enig ander persoon in de maatschappij, maar wel anders.

Het stereotype beeld van de hoogbegaafde als genie die voor alles aanleg heeft, altijd maar in de wiskundeboeken woont, en alles al weet, is niet meer van deze tijd. Ook klopt het niet dat de hoogbegaafde zichzelf wel alleen weet te redden, of dat ze “in principe alles zouden kunnen wat ze maar zouden willen“. Net als de rest van de maatschappij hebben ze, hoe autonoom ze ook kunnen zijn, hoor en wederhoor nodig om in hun kracht te staan, en is elke hoogbegaafde onderhevig aan individuele sterktes en zwaktes. Dit neemt niet weg dat zij ook unieke behoeften hebben.

Samen onze verantwoordelijkheid nemen

Om terug te komen op het rapport van het IHBV: wat gebeurt er als hoogbegaafden in hun leerpotentieel en intensiteit niet tot hun recht kunnen komen, in dit geval op het werk, doordat het niet voldoende in hun behoeften voorziet? Het rapport benoemt onder andere verveling door gebrek aan uitdaging, frustratie van het innovatieve vermogen, gebrek aan zingeving, barrières in de communicatie, onderpresteren, faalangst, aansluiting missen, arbeidsconflicten en stress. Hiermee lopen ze onder meer kans op een burn-out of bore-out.

Hoogbegaafden zijn niet slechts onbereikbare vreemde vogels en bollebozen. Ze staan midden in de maatschappij en zijn er een wezenlijk onderdeel van. Ze hebben de maatschappij nodig, en de maatschappij heeft hoogbegaafden nodig. Daarvoor dienen zij optimaal gebruik te kunnen maken van hun talenten in een maatschappij die diversiteit omarmt. Laten we hiervoor samen onze verantwoordelijkheid nemen.

Tot slot

Het kan voor sommigen wellicht lezen alsof ik het dak eraf zou willen blazen. En dat klopt ook wel: ik wil niet verantwoordelijk zijn voor het in stand houden van heilige huisjes die zonder stevig fundament in de zompige Nederlandse polder zijn neergeplempt. Daarom onderhoud ik ook een kennisbank van wetenschappelijk onderzoek naar hoogbegaafdheid.

Update – een lijstje:

  • Univers, nieuwswebsite Universiteit Tilburg (!), 4 januari 2017: “Een derde van de hoogbegaafde Nederlanders zit werkeloos thuis. Dat meldt Instituut Hoogbegaafdheid Volwassenen (IBHV) vandaag. Zij worden vaak niet genoeg geprikkeld.”
  • Reformatorisch Dagblad, 5 januari 2017: “Twaalf ambachten, dertien ongelukken. Dat geldt soms ook voor hoogbegaafde werknemers. Een derde van hen vindt een passende baan, een derde werkt onder zijn niveau, en een derde zit werkloos thuis.”
  • Trouw, 17 januari 2017: “Een derde van de hoogbegaafden zit werkloos thuis. Dat was de conclusie van een onderzoek dat het Instituut Hoogbegaafdheid Volwassenen (IHBV) anderhalve week geleden presenteerde.”
  • De Volkskrant, 3 februari 2017: “Sterker, de carrière van eenderde van de hoogbegaafden verloopt juist minder voorspoedig dan die van de gemiddelde Nederlander.”

© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Anders – 2

By | januari 5th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Hoe het verder ging…

Kev’s ouders waren opgelucht toen, door middel van een test, duidelijk was geworden dat hij hoogbegaafd was en dat ze de labels autisme en ADHD, die anderen op hem wilden plakken, konden verwijzen naar het land der fabelen.

De opluchting die ze voelden over zijn hoogbegaafd zijn, had niets te maken met het feit zelf – Kev’s moeder had zich voldoende ingelezen om te weten dat hoogbegaafd zijn het leven voor velen niet makkelijker maakten – het had te maken met het idee dat er nu op school maatregelen konden worden genomen om het Kev meer naar de zin te maken en hem te laten opbloeien.

Vele gesprekken met de intern begeleidster volgden en tijdens deze gesprekken werd al snel duidelijk dat de intern begeleidster het ‘veel te druk’ had om zich met de problemen van Kev bezig te houden en eigenlijk niets wist van wat hoogbegaafd zijn nu eigenlijk inhoudt; zij vroeg regelmatig aan de moeder om informatie over het onderwerp. De leerkrachten van Kev wilden wel, maar kregen van de school geen medewerking. Heel veel ideeën en suggesties voor materialen werden door de ouders aangedragen.

Kev werd ondertussen steeds ongelukkiger en ten einde raad zijn zijn ouders op zoek gegaan naar andere scholen. Inmiddels hadden ze zich ook aangemeld bij Pharos om in contact te komen met andere ouders, maar vooral om Kev in contact te laten komen met peers. Bij één van de uitstapjes ontmoetten ze een stel met een hoogbegaafde zoon van Kev’s leeftijd. De jongens konden heel goed met elkaar overweg en ook tussen de ouders was een klik. Van hen hoorden de ouders van Kev dat er in Heerhugowaard een Leonardo school zou komen.

Kev werd meteen aangemeld en zou mogen starten wanneer deze school er daadwerkelijk zou komen. Tijdens voorbereidende bijeenkomsten werd aan de ouders gevraagd sponsoren te zoeken om de school van de nodige geldelijke middelen te kunnen voorzien. Het werkelijk opzetten van de school was nog slechts een kwestie van het tekenen van een overeenkomst door verschillende schoolbesturen in Heerhugowaard. Helaas is het daarop blijven hangen; de school zou er niet komen.

Na te zijn bijgekomen van deze schok is Kev aangemeld op een school in zijn eigen dorp waar meer aandacht was voor de individuele behoeften van kinderen. Ze hadden er een plusklas, waar kinderen elke morgen gedurende drie kwartier een project mochten doen dat ze ook meenamen in de klas. Wanneer het reguliere werk dan af was, mochten ze hieraan verder werken. Kev is na de zomervakantie overgegaan naar deze school en gestart in groep 4.

Meteen na zijn start is Kev geobserveerd en is er met hem gesproken. De bevindingen van deze observaties en gesprekken werden in een persoonlijk gesprek met zijn ouders besproken:

  • Zijn concentratie kon hij gemiddeld 1 minuut en 2 seconden vasthouden, terwijl dit gemiddeld voor een kind van zijn leeftijd 15 minuten zou moeten zijn
  • Hij zat heel gespannen in de klas en oogde ontzettend zenuwachtig. Mede hierdoor was zijn handschrift heel slecht. Waarschijnlijk ook de reden dat hij er een verschrikkelijke hekel aan had om te schrijven
  • Hij was bang om vragen te stellen en om fouten te maken (faalangst)
  • Hij gumde heel veel uit alsof hij niet tevreden was over het resultaat of bang was dat het niet goed zou zijn
  • In een gesprek met de juf van de speciale groep heeft hij gezegd:”Intelligent zijn is raar en gek”
  • Als hem iets gevraagd werd gooide hij al zijn kennis m.b.t. de vraag eruit, alsof hij zeker wilde zijn dat er in ieder geval iets bij zat dat goed was

Er werd afgesproken dat Kev iedere ochtend zou starten in de plusklas om zijn weerzin tegen school te verminderen; normaal gesproken gingen kinderen één keer per week naar deze klas.

Eenmaal op deze school knapte Kev op: hij werd vrolijker, stelde weer vragen, speelde weer en begon weer te zingen. Hoewel hij niet meer huilend naar school ging en af en toe zelfs zei dat hij er zin in had, bleef school een plek waar hij liever niet was en zijn prestaties bleven ernstig achter bij zijn capaciteiten. Er zijn vele gesprekken geweest tussen de verschillende leerkrachten en de ouders en er zijn vele acties ondernomen om Kev uit zijn onderpresteren te halen. Helaas bleven deze acties vruchteloos.

Kev snapte zichzelf niet meer:

“Hoe kan het nou dat ik hoogbegaafd ben en toch zo slecht presteer op school?”

Hij accepteerde zichzelf niet zoals hij was en werd weer steeds minder vrolijk. Op advies van de intern begeleidster hebben we contact gezocht met een psychotherapeut met verstand van hb. Zij constateerde bij Kev een beginnende depressie en heeft hem gedurende een jaar iedere week behandeld.

Ondertussen was de moeder van Kev op Facebook lid geworden van Hoogbegaafd!. Hier vond ze eindelijk het begrip dat ze zo nodig had. De tips vlogen haar om de oren en één van die tips was dat Kev wellicht een beelddenker was en dat hij de informatie die hij kreeg op school eerst moest omzetten naar beelden en vervolgens de beelden weer naar woorden. Bovendien, en dat wist ze ook wel, zou Kev waarschijnlijk bij iedere vraag naar hartenlust associëren, waardoor hij moeilijk tot antwoorden kwam of waardoor hij een antwoord gaf dat voor de leerkracht niets met de vraag te maken had. Gevolg van deze tip was dat Kev in groep 8 werd aangemeld voor een kernvisie traject.

Door de therapie kon Kev zichzelf inmiddels accepteren en hij veranderde van een onzekere jongen in een krachtige persoonlijkheid die niet bang meer was om vrienden kwijt te raken en zijn mannetje ging staan. De jongens in zijn klas merkten dit blijkbaar en waar hij zo naar hunkerde gebeurde: in groep 8 was hij deel van een hecht groepje van vier jongens dat later door klasgenoten lachend ‘het groepje’ werd genoemd. Hij zat mede hierdoor steeds beter in zijn vel en zijn ouders merkte dat vooral doordat hij veel zong en gek deed.

De kernvisie therapeut kwam bij Kev thuis en leerde hem zijn manier van leren toe te passen in het reguliere systeem. Voor een aantal vakken kon hij dit al, maar vooral rekenen was een vak dat hem zeer moeilijk af ging.

Helaas is dit traject wat laat ingezet en kon de leerkracht niet anders dan VMBO advies geven. Dat had niet alleen te maken met het feit dat zijn prestaties achterbleven, maar ook met zijn houding. Kev is het naar school gaan blijven zien als een noodzakelijk kwaad. Hij is een jongen die niet verplicht iets wil leren. Hij is een heel duidelijk voorbeeld van iemand die zelf wil bepalen wat hij leert en wanneer dat gebeurt en niet iemand die je op moet sluiten in een lokaal, waar op een moment dat door anderen bepaald wordt wat hij moet leren. In groep 6 heeft hij eens letterlijk gezegd:

“Een stel voor mij onbekende mensen van de overheid bepaalt dat ik nutteloze dingen in een schrift moet schrijven.”

Wanneer je zo over school denkt, is het heel moeilijk je ervoor in te zetten.

Uiteindelijk heeft Kev gekozen voor een groene VMBO, waar hij veel praktijk krijgt en waar hij zo min mogelijk theorie hoeft te doen; “Ik ben geen jongen voor met mijn neus in de boeken.” Zijn ouders hebben hem die keus zelf laten maken en toen hij eenmaal wist dat ze achter hem stonden is er een last van zijn schouders gevallen. Hij dacht dat zijn ouders hem naar het VWO wilden hebben. Zijn moeder heeft hem echter uitgelegd dat ze vooral wilden dat hij gelukkig was en misschien door deze weg te nemen lol zou krijgen in het leren.

Op dit moment heeft Kev zijn weg gevonden op zijn nieuwe school. Het blijft een plek waar hij naartoe moet en dat vindt hij niet leuk, maar hij gaat vrolijk heen, komt vrolijk thuis en heeft besloten dat hij dierenarts wil worden. Hij weet dat hij daarvoor nog een lange weg te gaan heeft, maar weet ook dat leren leuker wordt wanneer je iets doet dat je leuk vindt.

Hij zit weer net zo goed in zijn vel als voordat hij naar de kleuterschool ging en bedenkt de leukste experimenten, waardoor hij thuis op zijn eigen tempo de dingen leert die hij wil leren.

Kev komt er wel!

Deel 1

Vera Licee


© “Vera Licee” | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

5 tips: hoe je kind echt horen!

By | januari 5th, 2017|Categories: Kinderen|Tags: |

Het nieuwe jaar is van start gegaan. Een fijne periode van familiefeesten ligt achter me. Back to work, maar niet voor ik jullie allemaal veel liefde voor jezelf en voor de mensen rondom jou heb toegewenst.

Deze week, was voor mij de ideale week om orde bureau te brengen: boekhouding, dossiers, boeken, …. Het moment om compleet te verdwalen in mijn ‘herontdekte’ boeken. ZALIG!!

Zo herontdekte ik “De giraf en jakhals in ons”.

Zo’n simpel systeem, met zoveel wijsheid: Zoek de giraf en de jakhals in jezelf, geef hen aandacht en laat hen groeien.

Hoor je het nu donderen in Keulen, geen probleem. Dat gebeurde bij mij ook toen ik kennismaakte met de giraf en de jakhals. Sinds onze kennismaking vergezellen deze compagnons me in mijn contacten met anderen.

Ik deel mijn vrienden ook graag met alle kinderen en ouders die me langskomen.

Even een woordje uitleg. Binnen communicatie hebben we een systeem van zender, boodschap, ontvanger. De nadruk ligt hierbij vaak op de zender die een boodschap verstuurt. De giraf en de jakhals hebben het eerder over de ontvanger.

Ontvanger

Als ontvanger draag je de grootse verantwoordelijkheid binnen dit systeem, het is de draaischijf van de communicatie met anderen. Stel je hoort de “Marie-Louise” van Bart Kaëll door je geluidsboxen stromen.

  • Sommigen zullen vol overgave mee-‘zingen’ uit nostalgische overwegingen. Daarna zullen ze zich afvragen hoe het komt dat ze de tekst nog volkomen kennen. (ik pleit schuldig)
  • Een metal-fan geraakt niet snel genoeg bij de radio om te zappen.
  • Een Schlager-liefhebber zal dan weer helemaal mee zijn en opvrolijken.

Drie verschillende reacties, maar allemaal perfect vanuit ieders achtergrond.

Objectief gezien is het voor elk van ons een lied dat wordt afgespeeld. Niet meer en niet minder. We voegen er elk onze mening, interpretaties en herinneringen aan toe, waardoor we elk op onze unieke manier reageren op ditzelfde lied.

We kunnen ons terecht afvragen of de boodschap an sich de verklaring is voor onze reactie. Of is er meer? Ik ben ervan overtuigd dat er meer is.

Onze reactie schuilt in onze ervaringen, onze achtergrond, kortom onze persoonlijke rugzak.

Luisteren

Marshall Rosenberg, de persoon die mijn vrienden in het leven heeft geroepen, spreekt over het opzetten van ‘giraffen’-oren en ‘jakhals’-oren. Het gaat over de manier waarop we naar de anderen luisteren of kijken naar wat er zich afspeelt.

Maar wat betekent luisteren? Is dit het verstaan van de echte woorden die er worden gezegd, of die we denken te horen of dé woorden horen die de andere juist bedoelt. Hier schuilt er verschil in.

Voor Marshall bestaan er twee soorten van luisteren

  • met jakhals-oren
  • met giraffen-oren

Een jakhals is een coyote-achtige. Deze dieren staan gekend om hun angstige, altijd alerte gedrag voor het bedreigende. Het is noodzakelijk dat ze constant kijken wat er op hen afkomt. Hierdoor kunnen ze agressief uit de hoek komen. Wanneer ze vertrouwen krijgen in de omgeving en in de dieren rondom hen, vinden ze rust. Jakhals-oren staan dan ook voor het luisteren vanuit rationaliteit, resultaatgerichtheid en oordelend.

Giraffen zijn grote dieren, die de hele omgeving kunnen overzien vanuit hun specifieke andere oogpunt. Ze hebben, op de olifanten na, het grootste hart van de dierenwereld. Hun tongen zijn rubberachtig waardoor ze stekels en doornen kunnen trotseren. Giraffen-oren staan voor het luisteren vanuit je hart en sterkte, zoekend naar verbinding.

En neen, het ene is niet beter dan het andere. Ieder heeft zijn eigen kwaliteiten en aandachtspunten. In elke jakhals zit een giraf en omgekeerd en beiden beïnvloeden elkaar. De jakhals zijn alertheid is juist nodig opdat de giraf een overzicht kan maken om alles in perspectief te zien.

Wel is het zo dat de jakhals voor vele van nature vertrouwder aanvoelt ten opzichte van de giraf. We laten onze jakhals de boventoon halen, waardoor we te snel een oordeel vormen.

Gelukkig kom ik heel wat ouders en leerkrachten in mijn praktijk tegen die een mooi evenwicht hebben gevonden tussen mijn twee vrienden. Hier enkele kleine voorbeelden.

Een jongen van 6 jaar komt na elke speeltijd alle overtredingen aangeven aan de leerkracht. Hij heeft ze allemaal gezien en zijn rechtvaardigheidsgevoel geeft aan dat hij dit moet melden aan de leerkracht.
Of wat dacht je van een meisje dat elk groepswerk aangeeft wat de anderen moeten doen. Ze wordt boos als het niet gebeurt zoals ze het wil?

Bemerk jij wat de jakhals ziet en wat de giraf opmerkt?

De jakhals ziet de reactie die dit gedrag uitlokt.

Veel kans dat een leerkracht zenuwachtig wordt van het klikgedrag van deze jongen. En dan hebben we het nog niet over het gepest van de andere kinderen in de klas, omdat dit klikgedrag voor hen absoluut niet fijn is.  Het meisje wordt als onverdraagzaam ervaren. Haar bazige manier van doen beperkt de kansen van de andere kinderen in de groep. Hierdoor wordt ze onpopulair in de klas.

Giraffen zien het heel anders.

Ze zien een jongen met een grote opmerkingsgave, die heel alert rondloopt op de speelplaats. Dat is maar weinig kinderen van deze leeftijd gegeven. Misschien kan hij dit talent inzetten om al het positief gedrag van andere kinderen te rapporteren. Voor wat voor sfeer zou dit zorgen op de speelplaats? En het meisje is super in het plannen van activiteiten, durft haar nek uit te steken en wil helpen zodat iedereen een mooi resultaat kan neerzetten. Het is enkel heel moeilijk om dit op die leeftijd op een correcte wijze te doen. Als zij hierin ondersteund wordt, kan ze later een pracht van een leidinggevende persoon worden. Welke meerwaarde zou dit betekenen voor haar latere omgeving?

Voel je het verschil al aan tussen beiden?

De jakhals ondervindt problemen en ziet de storende elementen glashelder. Op zijn beurt geeft hij dit door aan zijn vriend de giraf. Hij gaat op zoek naar een groter plaatje met veel ruimte voor openheid en groei.

Ik geef graag enkele tips mee om de giraf meer naast de jakhals te plaatsen.

Tips

  1. Ga niet uit van slechte bedoelingen. Je kind is maar aan het oefenen om proper te werken. Het wil echt niet expres alles vol kladderen.
  2. Zoek naar de gevoelens van je kind. Een preek over slechte punten heeft het echt niet nodig. Het zal ook wel ongelukkig zijn, want elk kind wil ontwikkelen en bijleren.
  3. Gebruik wat humor. Even flink lachen met wat er gebeurt, kan meer opbrengen dan alle woorden die we eraan vuilmaken.
  4. Wees terug kind. Is het logisch dat je als zesjarige stik jaloers bent op je grotere broer die langer mag opblijven?
  5. Draag een grote bril voor wat goed gaat. Zoek actief naar positieve punten en koester ze, want het is niet zo normaal en gewoontjes als het maar lijkt voor kinderen.

Hoogbegaafd! Cognitieve & Executieve functies

Lid worden


© Adi van den Brande via >>Het Lampje<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

5 tips: ontdek je kinds talenten

By | december 7th, 2016|Categories: Kinderen|Tags: |

“Wakker kussen van talenten”

Dat zijn de woorden waar ik afgelopen week verliefd op werd. 4 kleine woorden die voor mezelf veel zijn gaan betekenen en een wereld voor me openden. Ik hoorde ze tijdens de opleiding tot kindertalentenfluisteraar van Luk Dewulf.

Naast dat deze woorden zo mooi klinken houden ze zoveel warmte in.

Het gaat hier niet over het ‘ontdekken’ van talenten zoals in Belgium’s got Talent of het etaleren van je ‘talenten’ in Little Big Shots.

Het is waardevoller en veel mooier dan dat.

Even een vraagje om dit te verduidelijken. Stel je voor; je vraagt aan een 8-jarige jongen wat zijn talenten zijn. De kans dat je voetbal, atletiek, drummen of zelfs wiskunde zal horen is redelijk tot reëel. Deze jongen somt op dit moment de activiteiten op waar hij goed in is of waar de andere mensen zeggen dat hij goed in is.

Kinderen vinden het fijn om deze activiteiten op te sommen.

Je ziet ze stralen en glunderen. Andere kinderen ondervinden hier juist problemen. Ofwel sommen ze echt alles wat ze maar kunnen bedenken op, ofwel zeggen ze simpelweg dat ze het niet weten. Maar laten we eerlijk zijn, vinden we het niet allemaal moeilijk om onze talenten te benoemen, omdat stoefen we dan niet te veel? En wat gebeurt er als we worden uitgedaagd op onze talenten? Stel je voor dat we verliezen? We hebben met z’n allen geleerd dat het maar beter is om te zwijgen over onze talenten.

Even terug naar onze kleine jongen. Heb je je al afgevraagd waarom dit kind vindt dat hij goed in voetbal is? Waarom fonkelen zijn ogen als hij het over voetbal heeft en waarom wil hij geen training overslaan?

De ene jongen vindt het fijn om tussen zijn vrienden te zijn. De andere leert zoveel bij elke training. Weer een andere heeft een goed overzicht over het spel. Hij vindt het fijn om zijn medespelers aan te sturen. Stuk voor stuk perfecte redenen om elke zaterdag jou, als ouder uit bed te zetten om taxi te spelen.

Wat heeft dit alles te maken met het wakker kussen van talenten. Alles!

Een talent is een activiteit

  • die voor jouw kind vanzelf gaat,
  • waarvan het energie krijgt.
  • Bovendien valt het ook op bij andere mensen.

Drie belangrijke elementen. Laten we ze even overlopen.

1. Het loopt vanzelf

Talenten vallen in hoofdzaak voor zijn eigenaar niet op. We zijn er ons vaak niet van bewust dat we een talent hebben omdat het zo vanzelfsprekend is. We hebben er als het ware nooit moeite voor moeten doen. Een voorbeeldje. Stel je voor dat op je werk het luisterende oor of de klaagmuur bent van je collega’s. Je kent alle relatieproblemen, opvoedingsperikelen, schoonouder-aangelegenheden, … . ’s Avonds vraag je je dan af hoe het komt dat juist jij al deze personen met hun verhalen aantrekt. Waarom jij en niet een andere?

Wel, misschien is het talent ‘vertrouweling’ wel één van je talenten. Een vertrouweling is een persoon die graag naar andere mensen luistert, maar ook de veiligheid geeft zijn het geheim veilig is. Die praatjes aan het koffieapparaat zijn helemaal geen momenten omdat je niet graag werkt. Je bent dan de psycholoog van de firma.

2. Energie

Talenten geven je energie. Als je ze inzet voel je de vreugde in jezelf stromen. Als je ’s avonds na je werk de gesprekken van die dag overloopt en je merkt dat je deze persoon hebt kunnen verder helpen door gewoon te luisteren, komt er spontaan een lach op je gezicht.

Dus, als je goed kan strijken, maar die berg strijk geeft je geen energie, dan heb je geen talent voor strijken. Voor kinderen betekent dit dat ouders, leerkrachten hen zeggen dat ze een talent voor wiskunde of piano hebben. Zolang ze er zelf geen energie uithalen, kan je nog niet spreken over een talent. Deze kinderen hebben hun potentieel nog niet gevonden in deze activiteit of bevinden zich niet in de goede omgeving om hun talent te ontwikkelen.

3. Opmerken door anderen

Omdat we in punt 1 hebben gezien dat een talent in hoofdzaak niet gekend is bij zijn eigenaar, is het aan de omgeving om deze talenten wakker te kussen. Jij als buitenstaander vindt de kwaliteiten van iemand sneller speciaal dan de eigenaar zelf.

Als je baas je aangeeft dat je de psycholoog van het bedrijf bent, voel je dat je gewaardeerd wordt. Je wordt erkend in datgene waar je goed in bent. Vanaf dat moment kan je bewuster en met nog meer energie luisteren naar anderen. Of als dat voetballertje hoorde dat hij echte arendsogen heeft om zo het spel te leiden, zal hij het een volgende keer met nog meer enthousiasme doen. Hij ontdekt wat zijn sterkte is.

De sterkte van het wakker kussen van talenten, mocht ik in mijn eigen praktijk al ervaren. Ik pas het nu standaard toe bij elk kind dat bij me langskomt. En weet je, hoogbegaafde kinderen hebben zoveel talenten dat ze er op regelmatige basis in verloren lopen.

Vorig weekend zat er en jongen van 10 jaar bij me. Hij was de lieveling van de klas, werd door iedereen graag gezien en deed alles perfect voor de leerkracht. Thuis raakte de jongen in de knoop met zichzelf. Zijn zusje was nier langer veilig, zijn ouders kregen te horen wat voor slechte ouders ze wel niet waren. Eigenlijk wilde deze jongen helemaal zo niet zijn, maar hij kon niet anders. Hij paste zich op school constant aan de andere kinderen aan, zodat hij helemaal uitgeput thuiskwam. Hij wist niet langer wie hij was. Het talenteninterview bracht hier een eerste verandering in. Hij ontdekte waar zijn sterktes liggen, omdat hij er echt vrolijk van wordt. Na een uur ging hij met een lach naar huis, want hij had zichzelf een stukje kunnen terugvinden.

Wil je zelf ook aan de slag met die talenten, wacht dan niet langer.

Hierbij 5 tips om het talent bij je kind wakker te kussen:

  1. Vraag je kind wat het graag doet.
  2. Vraag het wat het zo blij maakt.
  3. Luister, luister, luister. Stel niet te veel vragen, maar laat je meevoeren op het enthousiasme.
  4. Maak een kunstwerk van dit talent en hang het samen op.
  5. Benoem het talent, elke keer wanneer het zich laat zien. Want weet: “Alles wat je water geeft, groeit!” Dat gaat zeker op voor talenten.

Hoogbegaafd! Cognitieve & Executieve functies

Lid worden


© Adi van den Brande via >>Het Lampje<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Optische illusies

By | november 25th, 2016|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Een optische illusie is simpel gezegd het foppen van je brein, ook wel gezichtsbedrog genoemd. Je ogen nemen iets waar wat de hersenen anders interpreteren dan dat de werkelijkheid is. De informatie die via de ogen verkregen wordt, zal in je brein namelijk maar voor 20% gebruikt worden om een beeld te vormen. De rest wordt door de hersenen zelf aangevuld. Dit doen ze door middel van eerdere ervaringen, verwachtingen en andere zintuigen. De foutjes die in het proces ‘zien’ optische illusies leveren kan je grofweg in twee categorieën onder verdelen. De hersenen vullen de basis van 20% verkeerd aan, of de informatie verkregen via het oog klopt niet.


© Laura | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Overbescherming, een delicate balans

By | november 7th, 2016|Categories: Kinderen|Tags: |

Wat vind ik deze blog moeilijk om te schrijven. (Over)bescherming, het is een onderwerp waar ik 4 jaar geleden volkomen in gevangen zat. Mijn doel was, mijn dochter gelukkig te maken. Maar dat lukte me niet. Ik voelde me zo mislukt als moeder, want ik kon haar niet beschermen voor het ongelukkig zijn. En hoe meer ik het probeerde, hoe meer het mislukte. Hoe meer raad ik kreeg, hoe meer ik dacht:

Dat kan werken voor jou, MAAR bij mij is het anders.

Ik was wereldkampioen in JA…. MAAR zinnen. Niets hielp en ik werd hopelozer en hopelozer, droeviger en droeviger en “mislukter” en “mislukter”.

Handvatten zoeken

Op dat moment volgde ik ook een opleiding ontwikkelingsgericht werken met kinderen gebaseerd op het gedachtegoed van Feuerstein. Ook daar probeerde ik handvatten te vinden om verder te kunnen. Mijn docent probeerde mij behoedzaam te helpen. Maar weer speelde mijn JA…. MAAR op. Op een dag gaf hij mij een boek over de verbondenheid tussen mensen. Over welke verbintenissen bestaan en welke ruimte je binnen deze relaties inneemt. Het was een vrij zwaar boek om te lezen, maar toch zette ik door. Ik zou het mezelf nooit vergeven hebben wanneer ik dé sleutel tot geluk zou hebben laten liggen door op te geven.

Hoe verder ik las, hoe kwader ik werd op mijn docent. Dit was helemaal geen boek met tips, maar een regelrechte aanval op mij. Door me dit boek te geven, suggereerde hij dat ik geen goede band had met haar. Wat dacht hij wel: Ik was wel diegene die elke dag holde en sprong voor oplossingen. Ik was ook diegene bij wie het meisje kon zijn wie ze was en kon uitbarsten in huilbuien. Ik was diegene die de eerste signalen opmerkte dat er iets niet ok was. En deze man vertelde me even dat wij geen goede verbinding hadden. (Ik weet nog dat ik blij was dat er tussen twee opleidingsdagen een maand pauze was, want ik zou niet zijn komen opdagen. Zo gekwetst was ik.)

Zoveel jaren later besef ik dat mijn docent me al die tijd heeft willen helpen, maar hij raakte niet door mijn JA… MAAR-schild. Hij wilde me al die tijd aantonen dat ik teveel van stapel liep, dat ik me te letterlijk verantwoordelijk achtte voor mijn dochters geluk en dat dat mijn ondergang was. Mijn verbinding met haar was niet gezond, maar symbiotisch. Ik maakte haar afhankelijk van mij zodat ze zelf de kans niet kreeg om te groeien en te ontwikkelen. Ze was overgeleverd aan mijn grillen en stemmingen. En samen zakten we dieper en dieper.

Via boeiende ontmoetingen en gesprekken zijn we als gezin gegroeid. En zijn we zelfs dankbaar voor deze periode, want ze heeft ons zoveel rijker gemaakt.

Waarom vertel ik dit nu? Dagelijks ontmoet ik betrokken ouders die in dezelfde valkuil als ik trappen. Hun betrokkenheid op hun kind is zo groot, dat ze zichzelf ondergraven. Hun grootse zorg is: Hoe kunnen we ons kind gelukkig maken? En dan ben ik heel stout en kan ik het nu soms niet laten om te denken:

Ocharme dit kind. Als zijn ouders wegvallen heeft hij niet geleerd om gelukkig te zijn.

Helikopteren

Ikzelf heb mijn kind jaren verhinderd om te leren gelukkig te zijn door haar leven zo te willen regelen zodat ze succesvol zou zijn in mijn ogen. Kwam ze een ongeluk tegen, nam ik haar in mijn armen om te troosten en te beschermen tegen het kwaad. Zag ik dat er iets vervelends zou aankomen, probeerde ik dit al te minimaliseren zodat ze het einddoel zou halen (dan was ze gelukkig). Maar anderzijds gaf ik ook aan dat ze altijd haar best moest doen, zodat ze later gelukkig zou zijn. Ik zorgde nu en later voor haar geluk… in mijn gedachten.

Ik was een echte helikopter-ouder die constant boven haar kind draaide. Maar toch ontkende ik het in alle toonaarden. Ouders die ik hier in mijn praktijk ontmoet, leiden of lijden aan dezelfde Helikopter-ziekte. Ze voelen zich zo verantwoordelijk voor hun kind dat ze alles opmerken, voorzien en sturen. Opvoeding lijkt voor hen eerder een project dan een normale alledaagse activiteit.

Angst en vertrouwen

Op het eerste gezicht zijn helikopter-ouders goed bezig. Ze zijn altijd met hun kind in de weer, zorgen voor een brede ontwikkeling d.m.v. hobby’s en denken na over de toekomst van hun kind. Maar in realiteit zijn deze ouders niet aan het opvoeden. Ze zijn in hoofdzaak bezig met hun eigen angsten weg te nemen. Ze stippelen het pad van hun kind nauwkeurig uit om een zo mooi mogelijke toekomst te kunnen creëren. Alles wat hun kind kan hinderen of schaden wordt vermeden of verwijderd.

Onderhuids geven ze hun kroost de boodschap dat ze zonder hen kunnen. Kinderen worden hulpeloos en afhankelijk gemaakt door hun ouders. Het is aangetoond dat de mate van controle in verhouding staat met het gevoel van angst van een kind. Deze kinderen zien overal angst en durven niet ontdekken en onderzoeken en plooien terug op hun ouders. Deze kinderen verliezen de voeling met hun eigen kunnen en hun eigen gevoelens.

Ruimte creëren

Het is nodig om letterlijk en figuurlijk ruimte te geven aan je kind. Dit is ruimte om te leren groeien: leren wat het leuk vindt, leren wat het nog niet zo goed kan en waar zijn talenten liggen, leren hoe het met tegenslagen en successen omgaat en leren hoe om te gaan met de consequenties van fouten en lezen hoe het deze weer oplost. Elk kind moet dit leren op zijn tempo en in zijn omgeving. Maar elk kind leert dit door vallen en opstaan. Beperk een kind hierin en je beknot zijn ontwikkeling en zelfstandigheid.

Aanpak

  • Aanvaard gevoelens van boosheid en verdriet. Het is heel normaal dat je droevig of boos bent als een oefening niet lukt. Dan horen dat het niet erg is, is het laatste dat je wilt.
  • Vergroot de vrijheid in functie van leeftijd. Geef je kinderen tools om stappen te zetten, hoewel je weet dat dit fout kan lopen. Zorg voor een vangnet, maar laat ze ontdekken.
  • Leer oplossingsgericht denken. Bied geen kant en klare oplossingen aan, maar laat hen nadenken over oplossingen. En wees er gerust in, ze hebben een heel valies vol prachtige oplossingen.
  • Omarm mislukkingen en fouten, want het zijn leermomenten. Wees oprecht blij met leermomenten, gebruik ze om een positief gesprek op gang te brengen.
  • Verwoord je vertrouwen. Wat doet het met jou als je baas je bij een moeilijke opdracht aangeeft dat hij er alle vertrouwen in heeft dat je dit project op een correcte manier zal afronden?
  • Moedig uitdagingen aan zonder angstig te zijn. Kinderen hebben antennes voor de gevoelens van ouders, vooral deze die afhankelijk zijn. Wees je hiervan bewust zodat ze vrij kunnen ontwikkelen.

Hoogbegaafd! Cognitieve & Executieve functies

Lid worden


© Adi van den Brande via >>Het Lampje<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Een andere kijk op onderpresteren!

By | november 2nd, 2016|Categories: Kinderen|Tags: |

Je hoort en leest het veel om je heen: het gevaar van onderpresterende kinderen. Als ouder word je bang van het idee dat je kind mogelijk een onderpresteerder wordt of is. Want als je kind onderpresteert, kan het zich veelal niet ontwikkelen zoals het bij het kind past. Alle adviezen en begeleiding zijn er vervolgens op gericht om het kind moeilijker werk en meer uitdaging aan te bieden. Daarnaast wordt het kind begeleid bij eventuele faalangst en perfectionisme en leert het zichzelf te accepteren. Maar worden de problemen zo wel structureel opgelost? Is dit niet een tijdelijk lapmiddel? Ik behandel onderpresterende hoogbegaafden in mijn praktijk met een andere overtuiging.

Carol S. Dweck heeft in haar boek ‘Mindset: the New Psychology of success’ na 20 jaar onderzoek aangetoond dat je opvatting over jezelf, de manier waarop je je leven leidt sterk beïnvloedt. Deze denkwijze kan dus bepalen of je de persoon wordt die je wilt worden en of je je sterk maakt voor de dingen die je waardevol vindt en of je die ook bereikt.

Dit projecterend naar onze hoogbegaafde kinderen denk ik dan ook, dat bij begeleiding van onderpresterende kinderen gekeken moet worden naar welke denkwijze dan wel overtuiging het kind heeft aangenomen. Door deze denkwijze en/of overtuigingen kan het kind klem zitten in dat wat het doet en hierdoor wordt de ontwikkeling geremd. Deze overtuigingen zijn vaste denkbeelden die onbewust aangenomen zijn en in alle gevallen bepalen wat we doen en hoe we dat doen. Slechts 5% van wat we doen, doen we met ons hoofd en ons bewustzijn. De overige 95% wordt gestuurd vanuit ons onderbewustzijn. Dit onbewuste stuurt ons en daar hebben we met ons hoofd geen controle over. Denk aan angst, onzekerheid, verdriet, boosheid maar ook zelfvertrouwen, vrolijkheid en schrikken.

Een slechte ervaring met het laten zien van zichzelf, hoe jong het kind ook is geweest, kan er voor zorgen dat een kind van zichzelf vindt dat het dom is en vooral zijn intelligentie niet mag tonen. Onbewust acteert het kind daar naar – ook al weet het kind dat het ergens goed in zijn meer oplevert – en kiest het onbewuste van het kind voor de veilige en vertrouwde weg. Hieraan kunnen hele diverse (onverwerkte) emoties aan ten grondslag liggen. Elke vervolgervaring geeft het kind weer de bevestiging dat het zichzelf vooral dom moet vinden.

Wat in de praktijk ook veel voorkomt, is dat een kind overtuigd is dat het dom is door een verstrikking. Een verstrikking is bijvoorbeeld dat een kind uit liefde voor zijn ouders nooit slimmer wil worden dan zijn ouders. Dit doet een kind echt niet bewust en als ouder vind je dit onzin, maar het gebeurt op onbewust niveau toch en het beperkt wederom de ontwikkeling van een kind. Ook hier kunnen hele diverse overtuigingen aan ten grondslag liggen.

Als laatste wil ik nog de factor zelfvertrouwen benoemen. Er zijn enorm veel factoren die bepalend zijn of een kind in alle vrijheid en veiligheid zijn zelfvertrouwen kan voelen en uitbouwen. Dominantie in het gezin, afkeuring van gedrag of de persoon of het onbewuste gevoel er niet te mogen zijn, zijn factoren die niet positief bijdragen aan het ontwikkelen van het zelfvertrouwen.

De opvoeding en de begeleiding door school kunnen het zelfvertrouwen maken en breken. Als het zelfvertrouwen zich niet vrij kan ontwikkelen, ontwikkelt een kind zich niet zoals het bij het kind past. De overtuiging ‘ik mag geen zelfvertrouwen hebben’ is vele malen krachtiger dan dat we onszelf cognitief moed in praten.

Begeleiding die aandacht heeft voor het onderbewustzijn en de vastgezette overtuigingen dragen succesvol bij in het ombuigen van belemmerende overtuigingen en dus het veranderen van de mindset: van fixed mindset naar growth mindset.

Esther Zandvliet

Ik ben Esther Zandvliet en ik begeleid via mijn praktijk EMZet al 5 jaar volwassenen en kinderen in het hervinden van hun eigen kracht en mogelijkheden. Ik werk in mijn praktijk met NEI (Neuro Emotionele Integratie), NLP (Neuro Linguistisch Programmeren), EE (Emotioneel Evenwicht), TR-EMI (Trauma Release Eye Movement Integration) en Systemisch werk.


© Esther Zandvliet | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Column hoogbegaafdheid – 3 – “Uw zoon heeft helemaal geen MCDD”

By | april 30th, 2016|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Om verschillende redenen wijd ik nu een aantal columns aan het onderwerp hoogbegaafdheid en de link met mijn privéleven. Het zijn verhalen die ik altijd al van plan was op een dag te gaan opschrijven. Nu er echter een directe aanleiding is, maak ik meteen van de gelegenheid gebruik om het allemaal in een keer te vertellen.

Twee zoons met afwijkend en eigenaardig gedrag

Toch is het begrip hoogbegaafd daarna niet uit mijn leven verdwenen. Vroeg of laat dook het wel weer op.

Om met laat te beginnen: toen mijn zoons zo tussen de negen en twaalf jaar oud waren, bleken veel van hun vriendjes hoogbegaafd te zijn. Toeval? Of gewoon een kwestie van soort zoekt, en vindt, soort?

Ik weet nog dat mijn oudste zoon na zijn slechte jaren op de basisschool met weinig vriendjes in de eerste (HAVO/VWO) klas eindelijk een goede klik met een jongen bleek te hebben. Bij de eerste ouderavond sprak ik eventjes met de vader van die knul die mij vertelde dat zijn zoon op de basisschool diverse problemen had gehad waarna uit een test was gebleken dat hij hoogbegaafd was. Overigens ging deze jongen later niet naar VWO maar naar de HAVO om aan te geven dat lang niet alle hoogbegaafden (sterker: het is een minderheid) VWO of gymnasium doen.

Maar ook vroeg dook de term hoogbegaafd al op. Bijvoorbeeld doordat na mijn oudste zoon ook mijn tweede zoon als jong kind geen aansluiting bleek te hebben met leeftijdgenoten en ook hij afwijkend gedrag begon te vertonen. Eigenlijk nog een stuk eigenaardiger dan zijn broer, want hij stopte van de ene op de andere dag met praten, althans buitenshuis (lees meer over selectief mutisme).

Natuurlijk kon het toeval zijn dat we twee zoons hadden met afwijkend en eigenaardig gedrag, maar ik zei tegen mijn vrouw dat ik dat niet los van elkaar kon zien. Ik zag twee kinderen die om wat voor reden dan ook gefrustreerd gedrag vertoonden waarbij de een dat blijkbaar uitte door zich soms agressief te gedragen en de ander door maar lekker te gaan zwijgen.

Ook over mijn tweede zoon viel wel eens het woord hoogbegaafd al hebben we hem nooit laten testen, aangezien het ons er uiteraard vooral om ging dat hij weer gewoon ging praten. Wat na de nodige hulp gelukkig ook gebeurde.

Disharmonieus intelligentieprofiel

Mijn oudste zoon werd voor zijn tiende jaar wel een paar keer getest. Eerst bleek hij na IQ testen een disharmonieus intelligentieprofiel te hebben. Wat inhield dat er een sprake was van een zogenaamde performaal-verbale (P/V) kloof: een verschil tussen het IQ op performaal niveau (meet alles met betrekking tot het praktisch omgaan met kennis, het oplossen van problemen, etc.) en verbaal niveau (meet alles met betrekking tot woordenschat, taalgevoel etc.) van minstens twaalf punten.

In het geval van mijn zoon was die kloof best groot: verbaal scoorde hij rond de 110 en performaal rond de 140 met dus een verschil van dertig punten. De gedachte is dat zo’n kloof leidt tot problemen of zelfs kan duiden op een andere stoornis. In het geval van mijn zoon zou het problemen kunnen opleveren doordat hij, simpel gezegd, weliswaar heel goed problemen zou kunnen oplossen, maar dat hij dat dan echter vervolgens verbaal niet zo goed zou kunnen overbrengen.

Meer kans op P/V-kloof bij IQ boven 130

Inmiddels blijken de meningen binnen de wetenschap over of deze P/V-kloof wel of geen problemen en/of andere stoornissen zou veroorzaken, verdeeld. De kans op problemen lijkt groter bij kinderen die performaal hoger scoren dan verbaal (zoals bij mijn zoon) dan als het andersom het geval is. Verder schijnt de kans op een P/V-kloof bij kinderen die een IQ score hebben van boven de 130 vijf keer zo groot te zijn als bij de rest. Bij hoogintelligente kinderen is er gemiddeld sowieso een groot verschil tussen hun sterkste en “zwakste” gemeten onderdelen, wat de vraag oproept of je deze kinderen niet anders moet benaderen dan de overige kinderen met een P/V-kloof.

Van een disharmonieus naar een harmonieus intelligentieprofiel

Zeer opvallend was dat toen mijn zoon een paar jaar later opnieuw werd getest hij ineens “af” bleek te zijn van zijn disharmonieus profiel. Nu vielen zijn scores opeens weer keurig binnen het harmonieuze intelligentieprofiel met performaal en verbaal een IQ score die onderling maar een paar punten scheelde en gemiddeld uitkwam op 129.

Wie mij kan vertellen hoe het kan dat je het ene moment valt binnen het disharmonieuze intelligentieprofiel en op het andere moment – binnen een paar jaar – opeens in het harmonieuze profiel mag het zeggen.

Het gebeuren bevestigde in elk geval mijn overtuiging dat als je bij diverse instituten op verschillende momenten iemand test er altijd een kans bestaat dat er hele verschillende resultaten uitkomen. Eenvoudigweg omdat het (de) ene instituut/test-afnemer/test het (de) andere niet is; daar waar er mensen zijn altijd fouten zullen worden gemaakt; het voor de geteste persoon altijd een momentopname is en factoren als faalangst en onderpresteren nooit moeten worden onderschat.

Hoe meer ik over IQ-testen lees, hoe duidelijker het mij wordt dat ze meer gezien moeten worden als een indicatie en schatting dan als een keihard bewijs van iets. Zo las ik bijvoorbeeld een verhaal over een autist die bij diverse IQ-testen scores had behaald tussen de 79 en 147!

Heel vreemd

Omdat de aanleiding om onze zoon te laten testen was dat wij ons zorgen maakten over bepaald problematisch gedrag, had het instituut hem uiteraard op veel meer punten getest dan alleen op intelligentie. Interessant was om te zien dat het instituut duidelijk als doel had om hem in een hokje te kunnen plaatsen. Wat niet helemaal onbegrijpelijk is, aangezien dat een belangrijk handvat kan zijn voor ouders en eventuele hulpverleningsinstanties richting het te volgen traject.
Toen men de resultaten met ons gingen bespreken, werd tot mijn verbazing het woord “hoogbegaafd” nergens genoemd. Misschien omdat je daarvoor officieel 130 of hoger moet scoren in plaats van 129 en ze om die reden dit hokje maar hadden doorgestreept. Helaas was ik toen al zover dat ik absoluut niet wilde overkomen als zo’n arrogante ouder die meteen denkt dat zijn kind hoogbegaafd is en ik dus maar besloot om braaf mijn mond te houden. Iets wat ik in mijn leven veel en veel te vaak heb gedaan en waar ik nu enorme spijt van heb.

In elk geval vind ik het heel vreemd dat als een kind tijdens een test een disharmonieus intelligentieprofiel laat zien met daarin een score van 140 op performaal niveau en hij een paar jaar later uitkomt op een harmonieus intelligentieprofiel met een gemiddelde P/V score van 129 dat dan de mogelijkheid tot een diagnose van hoogbegaafdheid niet wordt besproken. Maar dat zal wel weer aan mij liggen.

Iets nieuws: de diagnose MCDD

Het instituut kwam daarvoor in de plaats met iets nieuws. Alhoewel ze eerlijk toegaven er niet helemaal van overtuigd te zijn, dachten zij aan de diagnose MCDD. MCDD is een meervoudige complexe ontwikkelingsstoornis, wat weer valt onder PDD-NOS, dat op haar beurt weer onderdeel is van het autistisch spectrum.

Kenmerkend voor MCDD is het hebben van: intense angsten, primitieve driftbuien en woedeaanvallen, een groot gebrek aan empathie en moeite met het onderscheid maken tussen realiteit en fantasie. Mensen met MCDD kunnen last krijgen van paniekaanvallen, paranoia, psychoses, schizofrenie en megalomanie (grootheidswaanzin). Het moge duidelijk zijn dat dit geen kinderachtige diagnose is. Kinderen met MCDD worden dan ook doorverwezen naar het speciaal onderwijs, omdat ze niet geschikt zouden zijn voor het reguliere onderwijs.

Klaar als een klontje

Mijn ex-vrouw was na het horen van de diagnose vooral opgelucht. Voor haar was het allemaal klaar als een klontje en vielen alle puzzelstukjes op zijn plek. Ik daarentegen was niet overtuigd. Ja, ik zag absoluut wat overeenkomsten met mijn zoon. Mijn zoon vertoonde inderdaad primitieve driftbuien en woedeaanvallen en inderdaad had hij bepaalde angsten, zoals bijvoorbeeld voor het donker en voor spinnen.

Ook had hij in zijn jonge jaren trouwens een wat macabere fascinatie voor de dood, wat als thema vaak in zijn tekeningen terugkwam. Op een gegeven moment kwam hij zelfs met voorstellen om bij begraafplaatsen langs te gaan om er tekeningen van te kunnen maken.

Gebrek aan empathie?

Maar wat ik altijd het meest aandoenlijk aan mijn zoon heb gevonden, is zijn lieve en zachtaardige kant die ik achter al zijn problemen altijd bleef zien. Ik zag hem achter al die woedeaanvallen gewoon worstelen met zijn agressiviteit en frustratie en gebrek aan zelfbeheersing. Ik weet nog dat hij op een dag zei dat als die onbeheersbare buien zo bleven hij niet meer wilde leven. Hij was toen slechts vijf jaar oud. Een kind van vijf hoort natuurlijk niet dat soort dingen te zeggen laat staan te denken.

Maar wat betreft de MCDD-diagnose vroeg ik me af of mijn zoon daadwerkelijk nou zo’n gebrek aan empathie had. Zo weet ik bijvoorbeeld dat als hij naar filmpjes van Mr. Bean keek hij altijd enorm met het typetje van Rowan Atkinson meeleefde en oprecht medelijden met hem had als er iets zieligs gebeurde. Terwijl mijn zoon heus wel wist dat het allemaal nep was.

Was dat extreme inleven nou niet gewoon een vorm van empathie of moest ik dat soort gedrag juist interpreteren als dat mijn zoon moeite had met het maken van onderscheid tussen realiteit en fantasie?

Maar ook dat aspect herkende ik verder gelukkig niet bij mijn zoon. Ieder kind heeft meer fantasie dan volwassenen, maar als dat op een niveau is waarop je je gaat afvragen of hij nog wel binding met de realiteit heeft, was me dat vast wel opgevallen.

Verzoek tot een second opinion

Ik zei mijn vrouw dat ik wel wat herkende maar lang niet alles en dat ik een second opinion wilde. Bovendien had het instituut zelf deze diagnose nou niet bepaald met overtuiging gegeven. De twijfel droop er vanaf.

Natuurlijk speelde bij mijn wens voor een second opinion ook het besef dat als wij zouden meegaan met deze heftige diagnose we in een (hulpverlenings) molen terecht zouden komen waar we waarschijnlijk nooit meer uit zouden komen.

Van mijn vrouw hoefde een second opinion niet. Waarschijnlijk ook omdat ze al lang blij was nu een mogelijke verklaring te hebben voor de problematiek van onze zoon en ze het beestje een naam kon geven.

Maar mijn verzoek tot een second opinion werd gelukkig ingewilligd en een korte tijd later werd mijn zoon opnieuw getest maar ditmaal door een psychiater die veel ervaring had met MCDD-patiënten. Zijn conclusie was kort en duidelijk: mijn zoon had helemaal geen MCDD. MCCD was veel extremer dan wat mijn zoon had.

Opgelucht

Ditmaal was ik degene die opgelucht was. Niet om mezelf op de borst te slaan, maar ik wil niet weten wat er met mijn zoon zou zijn gebeurd als wij waren meegegaan in deze diagnose. We hadden hem in dat geval zeker aangemeld voor het speciaal onderwijs waar wij ons al een beetje in hadden verdiept. Maar gelukkig is dat mijn zoon allemaal bespaard gebleven en is hij gewoon naar een reguliere middelbare school gegaan waarna het stap voor stap steeds beter met hem ging.

Het liep zoals ik stiekem gehoopt en misschien zelfs een klein beetje verwacht had. Ik weet nog dat ik destijds tegen de psychologe die mijn zoon hielp, zei dat ik er ook rekening mee hield dat mijn zoon zijn moeilijkste periode voor zijn twaalfde zou hebben gehad en dat hij daarna wel eens in rustiger vaarwater terecht zou kunnen komen. Dit in tegenstelling tot veel andere kinderen die juist in de puberteit druk worden en problemen gaan veroorzaken, daar waar je dat op de basisschool totaal niet zag aankomen.

Tot nu toe heb ik gelijk, al juich ik niet te vroeg. Hij is inmiddels zestien.

Deel 1Deel 2Deel 4Deel 5Deel 6Deel 7Deel 8

Tonko

Hoogbegaafd! Volwassenen

Lid worden


© “Tonko Vos”, Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Zit er iemand op te wachten?

By | februari 25th, 2016|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Zit er iemand op te wachten?

Die vraag stel ik me bijna elke dag.

Ik geloof in mijn aanpak en ik krijg zelfs regelmatig enthousiaste reacties en toch durft de twijfel nog wel eens toeslaan.

Genderneutraliteit.

Ik ben volop bezig met de opstart van mijn winkel/conceptstore met kleding, speelgoed en meubels voor kinderen. Ik wil hier o.a. de focus leggen op genderneutraliteit. Ik betracht een zo groot mogelijk aanbod te creëren dat door elk kind kan gedragen worden. Ik zal de kleding opdelen per soort (jas, broek, schoen) en niet op geslacht. Dit laatste zie ik heel vaak in winkels en het irriteert me dat ik enkel kan kiezen tussen roze jurkjes of blauwe broekjes. Ik worstel wel met het idee dat niemand daarop zit te wachten. Denken jullie dat deze aanpak kan werken?

Als ik aan mijn kindertijd terugdenk zie ik mezelf met kort haar en kleding die niet echt genderspecifiek is. We droegen allemaal dezelfde ‘sponzen’ broekjes en droegen elkaars t-shirts af. Wat is er in de mens gevaren dat de persoonlijkheid van een kind nu al zo vroeg heel specifiek moet worden bepaald. Hoewel ik soms jurkjes droeg, liefst in felle kleuren, ben ik nooit een meisje-meisje geweest. Ik hield van Lego want daar kan je je eigen verhaal mee bouwen. Ik speelde ook met Barbiepoppen maar die waren dan vooral onderdeel van mijn ontluikende seksualiteit :). Ik bouwde kampen in het bos achter ons huis, deed ‘belleketrek’ bij de buren, fietste uren in de wijde omgeving met mijn buurmeisje en verslond boeken uit de bib. Ik was als kind gewoon kind.

Ik werd me pas bewust dat ik een meisje was toen ik al in het middelbaar zat. Daar werd me plots heel erg duidelijk dat vrouw zijn iets anders is dan man zijn voor de anderen. Dat meisjes de natte droom zijn van sommige, gelukkig intussen op pensioen, oude leraren. Dat je niet geacht wordt goed te zijn in technieken. Dat er zelfs vanuit wordt gegaan, als je daar dan toch goed in bent, toch maar iets als economie gaat doen. TSO is voor jongens en werd zelfs niet als optie gezien omdat ik een meisje was. Een grote mond opzetten werd zelden geapprecieerd.

Hoe ouder ik werd, hoe meer ik voelde dat ik een combinatie ben van mijn biologisch geslacht, mijn karakter, mijn opvoeding, mijn kennis, mijn inzichten en dat ik me soms kwetsbaar, soms sterk voel maar dat ik dat vrouw-zijn slechts als een onderdeel zie van wie ik ben. Ik zag mezelf niet met kinderen tot ik mijn huidige partner ontmoette. Zijn persoonlijkheid klikte zo goed met de mijne dat het biologisch gevolg nu bijna zelf kan lopen.

Dat kleine mensje is een meisje maar wie ben ik om nu al te bepalen wie zij zal worden. Ik wil haar gewoon kind laten zijn; ravotten, ontdekken, zich vuilmaken, lopen, fietsen, zingen, dansen en lachen. En dat hoeft voor mij niet in een roze jurk. En zolang zij daar zelf niet naar vraagt, zal ze dat ook niet dragen :).

Na 14 maanden de ouder mogen zijn van een prachtkind (uiteraard :)) ben ik het beu om te zoeken naar genderneutrale kleding en daarom ga ik die gewoon zoeken en verkopen. Mijn droom om een eigen collectie uit te brengen, komt dus ook zeker uit. Ik weet alleen nog niet wanneer. Een beetje realisme is gezond :).

Met een tikje extra energie aan mijn maandagochtend gestarte groet,

Nele van Eyken


© Nele van Eyken via Nele Onderneemt | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Een reis naar de glinsterende sterren

By | februari 23rd, 2016|Categories: Kinderen|Tags: |

Daar zit ik weer, op de grond, starend naar de kleine rode reiskoffer. Het ligt voor mij, op een zachte rood bruine tapijt, onder het raam van mijn kamer. Mijn handen zweten en mijn hart bonkt steeds harder, ik krijg een brok in mijn keel en mijn ogen worden waterig. Ik ben bang en verdrietig en durf het niet te openen, mijn handen blijven keurig ver van de koffer vandaan. Al bijna een jaar lang probeer ik de koffer te openen, maar ik durf het steeds niet. Net wanneer de tranen beginnen te komen, hoor ik mijn nichtjes uit het raam. Het is een mooie zonnige dag, ik veeg mijn tranen af en besluit naar buiten te gaan om met mijn nichtjes te spelen.

Voordat ik de deur uitga, hoor ik papa nog enthousiast roepen, ”Zahra, heb je het cadeau al uitgepakt?”. ”Nee papa, nog niet, doe ik een andere keer wel.’’ zeg ik heel vrolijk, terwijl papa wel weet dat ik me sterk probeer te houden. Zodra ik de deur uitstap, ren op ik mijn nichtjes af, naar het groene veld achter ons huis. Wij wonen in een klein dorpje, paar minuten van de hoofdstad Kabul vandaan. De meeste huizen in ons dorpje zijn gemaakt van klei en zijn vaak heel groot. In ons huis woon ik samen met papa op de eerste verdieping en mijn oom en zijn vrouw en mijn neefjes en nichtjes op de begane grond.

Het begint donker te worden, we lopen terug richting huis. ”Zahra, laten we op het dak gaan zitten en naar die glinsterende dingen kijken waar jij en tante zo vaak over praatten.” zegt Mina met een brede glimlach op haar gezicht. ”Nee, niet vandaag.” zeg ik een beetje boos terug. Mina pakt me bij mijn hand, kijkt me een paar seconden aan, en geeft me een hele harde knuffel. ”Ik weet dat je je mama mist, ik mis haar ook, we hoeven niet het dak op als je dat echt niet wilt.” zegt ze snikkend, maar met een zachte troostende stem. We gaan toch maar naar huis. Thuis aangekomen vraag ik aan papa of hij wel eens naar het lokaal van mama gaat. ‘’Ja lieverd, soms als ik een beetje verdrietig ben en iedereen naar huis is, loop ik vanaf mijn faculteit naar het lege lokaal waar je mama lesgaf en dan herinner ik me weer hoe trots ik op haar ben en ben ik niet meer verdrietig.’’ Mama werkte op de universiteit in Kabul, waar papa nog steeds werkt. Hij was een sterrenkundige en gaf daarin les en hield heel erg veel van haar werk, haar passie was het doorgeven van haar kennis aan haar studenten, ze nieuwsgierig te maken naar wat er allemaal daarboven aan de hemel is, zoals de sterren. Maar een nog grotere passie van haar was, om samen met mij naar de sterren te kijken vanaf het dak van ons huis.

Maar die ene dag, waarop papa huilend thuiskwam, veranderde mijn wereld. Er was die dag een bom ontploft bij de universiteit waar mama werkte, honderden studenten en een paar leraren, waaronder mijn mama, waren gewond. Papa zegt dat er een grote chaos was, omdat er niet genoeg plek was in het ziekenhuis voor alle gewonden, mama was er op tijd naartoe gebracht. Maar ze werd niet beter, ze kon nooit meer bewegen en kon nog alleen een beetje praten. Na een paar weken mocht zij naar huis. In de woonkamer hadden wij haar bed gezet, zodat zij zich niet alleen voelde. De vrouw van mijn oom en ik verzorgden haar altijd als papa op werk was. Het ging steeds slechter met haar, ze was heel erg dun geworden, ik herkende haar bijna niet meer. Een paar dagen later zat ik bij haar op het bed. ‘’Zahra.’’ zei ze met alle moed en kracht die ze had verzameld, ‘’ herinner je je die rode koffer nog, die jij zo mooi vond, daarin ligt een cadeau voor je, iets wat mij heel dierbaar is.’’ Maar ik, ik kon alleen aan mama denken, ik voelde dat het haar laatste dag kon zijn en enige wat ik toen nog deed, was haar hand vasthouden en mijn hoofd op haar schouder leggen. Een paar minuten later voelde haar hand heel anders aan dan ik gewend was. Mijn lieve, sterke mama overleed die dag. Sindsdien zit ik bijna elke dag een paar minuten voor de rode koffer, met mama in mijn gedachten.

Na het gesprek met papa, loop ik naar mijn kamer en zit ik weer voor de koffer, deze keer geen zwetende handen, maar nog wel met een bonkend hart. Bang dat wat ik erin tref, mij nog meer verdrietig zal maken. Ik herinner me opeens waarom er een bom was ontploft bij haar universiteit. Het was door toedoen van een paar mensen die niet wilden dat vrouwen gingen werken en studeren en hun dromen waarmaakten. Door de koffer niet te openen, zou ik mama hetzelfde aandoen, zou ik haar dierbaarste bezit in een koffer gesloten houden en juist dat zou zij niet willen. Ik durf mijn handen naar het slot toe te bewegen, trillend open ik de koffer. Er ligt een kleine goud bruine sterrenkijker in, die ene waarmee mama en ik op het dak naar de sterren gingen kijken. Al die tijd wist ik van binnen dat er een sterrenkijker in lag, want dat was haar dierbaarste bezit, ze hield er bijna net zoveel van als van mij en papa. Ik pak het en ga ermee het dak op, het is een heldere avond. Er gaat een warm gevoel door me heen, alsof mama nog steeds leeft, leeft via haar passie en kennis die zij voor mij en haar studenten heeft achtergelaten. Ik kan niet wachten om het aan Mina en de rest te laten zien, maar nu, nu ga ik op het dak genieten van mijn reis naar de glinsterende sterren.

Zainab Sayed

Mijn naam is Zainab en ik kom oorspronkelijk uit Afghanistan. Schrijven is iets waar ik een haat-liefde relatie mee heb, omdat ik me heel slecht in woorden kan uitdrukken, maar het geweldig vind als ik zelfs maar een deel van mijn gevoelens ermee op papier kan zetten. Ik wens de kinderen in Afghanistan hetzelfde leesplezier toe, als die ik in Nederland heb gehad, daarvoor moeten er wel genoeg kinderboeken zijn. Door initiatieven als de Save the Children schrijfwedstrijd hoop ik dat daar een positieve verandering in komt.


© Zainab Sayed | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Anders – 1

By | februari 21st, 2016|Categories: Kinderen|Tags: |

Ik wil jullie even voorstellen aan Kev. Kev is een doodgewoon jongetje. Hij heeft blond haar, blauwe ogen en in de zomer heeft hij sproetjes op zijn neus. Kev is 6,5 en als hij lacht zie je dat hij zijn voortanden mist. Iedereen die Kev ziet, krijgt een lach op zijn gezicht.

“Wat een leuk jongetje”,

hoor je mensen zeggen.

“En wat is hij wijs.”

Kev zelf is meestal blij. Hij houdt van muziek, speelt graag met zijn lego en is heel graag bij zijn ‘grote’ vriend en neef die 3 maanden jonger is.

Toen Kev nog klein was, was het leven één groot feest. Iedere dag viel er iets nieuws te ontdekken en in ontdekken was Kev, zoals zoveel kinderen, heel goed. Kruipend trok hij de tuin in om gras te eten, vogels te bekijken, stenen in de vijver te gooien zodat hij de kringen in het water kon zien, mieren te volgen en als het even kon te proeven… kortom, iedere dag kon hij zijn nieuwsgierigheid bevredigen. Door veel te praten, wat hij al heel jong zeer goed deed, leerde hij steeds meer bij.

Omdat Kev geen broertjes en zusjes had, vonden zijn ouders het goed hem een paar dagdelen per week naar de peuterspeelzaal te brengen. ‘Zo kon hij leren met andere kinderen om te gaan,’was de redenatie. Kev vond dit eigenlijk niet zo’n goed idee, maar omdat zijn ouders zeiden dat het goed voor hem was, deed hij niet moeilijk.

De peuterleidsters maakten zich wel wat zorgen over Kev. Hij speelde wel, maar was daarbij vaak alleen. Als de leidsters een andere activiteit wilden starten, wilde Kev graag verder spelen. Vaak moesten de juffen met hem in discussie, waarbij Kev heel vaak goede argumenten had om niet te hoeven doen wat ze wilden dat hij deed.

In een gesprek met de ouders werd hen verteld dat Kev toch wel anders was dan andere kinderen. Zijn taalgebruik was ongewoon voor een driejarig kind. Hij had een uitgebreide woordenschat en gebruikte de woorden die hij kende ook precies goed. Verder vertelden de leidsters dat ze hem goed hadden bekeken omdat ze dachten dat hij wellicht een stoornis uit het autistisch spectrum had. Bij nadere observatie was echter gebleken dat de andere peuters hem gewoon niet begrepen omdat zijn taalgebruik wezenlijk verschilde van die van hen. Hij was zeer geïnteresseerd in de andere kinderen en wilde wel graag met hen spelen.

Thuis bleef Kev een vrolijk boefje met gevoel voor humor dat zeer extravert was en veelvuldig contact zocht met iedereen om hem heen. Zijn ouders verbaasden zich wel steeds vaker over hem: Hij maakte de meest leuke woordgrapjes, kon toen hij net drie was op een plattegrond in de Dom van Keulen aanwijzen waar hij was en stelde zoveel vragen dat ze er tureluurs van werden.

Regelmatig vroegen derden aan zijn ouders of hij wellicht hoogbegaafd was. Zijn ouders antwoordden dan dat hij inderdaad slim was, maar dat ze niet wisten of hij dat was omdat hij daarop niet getest was. Kevs’ moeder echter ging steeds meer in die richting denken.

Zijn vierde verjaardag vierde hij net voor de zomervakantie. Er werd afgesproken dat Kev nog voor de vakantie een aantal ochtenden zou oefenen op de basisschool en dat hij in het nieuwe schooljaar zou starten in groep 1.

Op de oefenochtenden zagen de juffen een

“jong en doenerig, coöperatief en gewillig jongetje dat moeite had met harde geluiden en lekker kon spelen.”

Hij voelde zich snel thuis in de groep en was sociaal. Na de eerste oefenochtend zei Kev bij thuiskomst dat ze begonnen waren met een gebed – het was een katholieke school –

“Volgens mij is dat allemaal onzin!”

Na de zomervakantie begon dan de schoolcarrière van Kev. Duidelijk werd dat hij zich niet zo lang kon concentreren, dat hij duidelijk sprak en dat hij af en toe de kringgesprekken wel verstoorde. Hij bleef moeite houden met harde geluiden en was weinig taakgericht. Luisteren was niet zijn sterkste kant, maar hij liet wel zien dat hij slim, muzikaal en gevoelig was.

Zijn juffen vertelden dat Kev prachtige verhalen vertelde en dat hij zich heel goed kon uiten in woord en gebaar.

In de klas werd hij goed geaccepteerd. De juffen vonden dat wel bijzonder omdat hij andere interesses had dan de andere kinderen.

In groep 2 bleef het gedrag van Kev eigenlijk hetzelfde. Hij was vaak met andere dingen bezig en zat tijdens kringgesprekken regelmatig achterstevoren op zijn stoel. Toch bleek naderhand dan wel dat hij de gesprekken opving, want als men hem vroeg wat er verteld was wist hij zelfs details te noemen.

Weer viel de term ‘autisme’ en de ouders kregen de voorzichtige mededeling dat Kev wellicht niet naar groep 3 zou kunnen. De ouders van Kev hadden zeer sterk het idee dat het gedrag van Kev niet aan een stoornis te wijten was, maar eerder aan verveling.

Thuis vertoonde Kev heel ander gedrag en zijn ouders konden dit verklaren door te stellen dat hij thuis kreeg waarom hij vroeg, namelijk kennis.

Tijdens de kringgesprekken kon hij niet stilzitten, maar in het planetarium in Franeker luisterde hij een kwartier lang ademloos naar de uitleg van het nagebouwde planetenstelsel en vroeg hij of ze ook informatie hadden over zwarte gaten. Naderhand vertelde hij zelf aan zijn oma waar hij geweest was en hoe het in elkaar zat.

Op school werd besloten dat Kev in de klas geobserveerd zou worden door een extern iemand. Uit deze observatie kwam naar voren dat het voor Kev niet goed zou zijn wanneer hij nog een jaar zou kleuteren. Dit zou zijn gedrag alleen maar negatief beïnvloeden.

Kev zelf ging steeds vaker met tegenzin naar school.

Steeds vaker blijkt Kev inzichten te hebben die niet bij zijn leeftijd passen. Hij legt aan een klasgenootje uit waarom het metalen autootje op het racebaantje, waarmee ze aan het spelen zijn, wel een heel rondje gaat, terwijl het plastic autootje niet verder komt dan een kwart rondje. Hij bedenkt een theorie over het exploderen van zwarte gaten die nog blijkt te kloppen ook en hij stelt vragen als:

“kunnen gifslangen tegen hun eigen gif?”

Zijn fantasie is ongeremd en dat levert hele leuke dingen op. Wanneer hij denkt dat er iemand in nood is doet hij er veel aan om die persoon te helpen.

Wanneer de zomervakantie weer aanbreekt gaat Kev met zijn ouders naar een camping in Limburg. Ze zijn hier al vaker geweest en Kev voelt zich er thuis. Omdat de Tour de France verreden wordt kijken de ouders van Kev regelmatig de finale in de kantine. Op één van deze gelegenheden vraagt de zoon van de campinghouder (25 jaar) aan Kev of die het verschil weet tussen een gewoon vliegtuig en een straalvliegtuig. Kev denkt even na en zegt dan:

“Nee, maar weet jij het verschil tussen magma en lava?”

Iedereen kijkt verbaasd naar dat kleine blonde jongetje dat de zoon van de campinghouder met zijn grote blauwe ogen vragend aankijkt.

In groep 3 blijkt Kev al snel weer op te vallen. Hij heeft moeite met het volgen van instructies, gaat iedere dag huilend naar school en zegt vaak dat hij ziek is. Na de vakantie is Kev ook begonnen met blokfluitles en daarbij blijkt dat hij een hekel heeft aan oefenen. Hij kan liedjes spelen als hij de noten één keer gezien heeft en weet hoe hij ze op de blokfluit moet pakken. Zijn ouders leggen hem uit dat hij dat misschien wel weet, maar dat het soepel spelen alleen lukt door steeds te oefenen. Hij blijft hier echter weerzin in houden, maar hij geeft ook aan absoluut niet van blokfluitles af te willen.

Naar school gaan wordt voor Kev steeds zwaarder. Iedere ochtend wanneer hij zijn ogen open doet, zegt hij dat hij ziek is en dat hij toch echt niet naar school kan. Op een avond voordat hij naar bed gaat, vertelt hij tegen zijn moeder dat hij blaadjes en takjes gegeten heeft zodat hij misschien ziek zou worden en niet meer naar school zou hoeven. De maat is vol en zijn ouders geven bij school aan dat ze hem willen laten testen en maken daartoe een afspraak bij een pedagogisch centrum.

Na het intakegesprek geeft de orthopedagoge aan dat een intelligentietest geïndiceerd is.

Omdat Kev zich nog steeds niet heel lang kan concentreren wordt besloten de test niet in één keer af te nemen.

Als de uitslag van de test bekend is blijkt dat Kev inderdaad hoogbegaafd is. Zijn verbaal IQ ligt op 145 (met een niet meetbaar verbaal begrip) en zijn performaal IQ op 120. Zijn totaal IQ wordt hiermee bepaald op 139.

Alle puzzelstukjes vallen op hun plaats. Kev is hoogbegaafd met een v/p kloof, waarbij van autisme absoluut geen sprake is.

Eindelijk kunnen maatregelen genomen worden om hem een leuke schooltijd te bezorgen.

De ouders van Kev gaan nu in gesprek met de school en met de orthopedagoge, want er moet nog veel gebeuren. De hoop is dat dit op deze school allemaal geregeld kan worden. Vooralsnog gaat Kev met zeer veel tegenzin naar school en kan hij niet wachten tot er werkelijk actie ondernomen kan worden. Nu is schoolgaan nog een hel voor hem…

Dit verhaal wacht nog op een heel gelukkig einde…

Kev is onze zoon, een doodgewone jongen, maar toch zo anders.

Deel 2

Vera Licee


© “Vera Licee” | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Wat heeft Hoogbegaafd! voor mij betekend en wat betekent het nog?

By | februari 20th, 2016|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Op de kleuterschool begonnen voor onze zoon de problemen. Vanaf ongeveer halverwege groep 2 is hij gedurende anderhalf jaar iedere dag huilend naar school gegaan; zei hij dat hij ziek was, smeekte me hem niet daar achter te laten. Hoewel wij er zelf nooit over hadden nagedacht, werd vaak aan ons gevraagd of hij misschien hoogbegaafd zou zijn omdat hij zoveel vragen stelde en zoveel wist en zo gemakkelijk verbanden legde. Deze vragen werden overigens gesteld door mensen van buiten school en soms zelfs door wildvreemden. Op school werd gesuggereerd dat hij autistisch was.

Uiteindelijk zijn we naar een orthopedagoog gegaan met verstand van hoogbegaafdheid. Zij heeft hem getest en hij bleek een IQ van 139 te hebben, maar ze vertelde ons dat het hoger zou kunnen zijn omdat zijn concentratie op voor hem minder interessante onderdelen duidelijk verminderde.

Vanaf toen begon mijn zoektocht naar informatie. Op zijn toenmalige school konden ze niets met de adviezen die de orthopedagoog gaf en ons jongetje werd steeds ongelukkiger. Uiteindelijk hebben we hem naar een andere school laten gaan, waar ze meer naar het individu kijken. Hij was hier beter op zijn plek, maar het was geen halleluja verhaal omdat hij helaas één van de hoogbegaafden is die niet in het systeem passen.

Binnen ons gezin en binnen de familie en vrienden was wel begrip, maar wat een onbegrip, jaloezie (!) en zielige opmerkingen, een uitzondering daargelaten, kregen we daarbuiten. Ik ben op een gegeven moment heel oppervlakkig gaan vertellen over hem. “Hoe gaat het met je zoon?” “Ja hoor, heel goed haha, toedeloe!” Doodmoe werd ik ervan.

Tot het moment dat ik Hoogbegaafd! ontdekte en mijn eerste post plaatste; wat een lieve reacties. Het was net een warm bad. Er was begrip, er waren tips, troost, bemoedigende woorden.

Ik heb zoveel aan Hoogbegaafd! gehad. Nu ben ik zover dat ik juist wel vertel over deze kinderen; omdat het taboe doorbroken moet worden en de fabels over hoe geweldig hoogbegaafd zijn is uit de wereld moeten. Dat kan ik door Hoogbegaafd! met al die verschillende mensen die steun geven en niet oordelen.

Daarnaast heeft Hoogbegaafd! een aantal heel leuke contacten opgeleverd. Mensen die ik regelmatig zie en/of waarmee ik chat.

Vera Licee


© “Vera Licee” | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Faalangst bij hoogbegaafde kinderen

By | februari 12th, 2016|Categories: Kinderen|Tags: |

Faalangst. U heeft er vast weleens van gehoord. Maar wat is faalangst nu eigenlijk en wat valt eraan te doen?

Er zijn drie soorten faalangst:

  • Cognitief: bijvoorbeeld de angst voor toetsen
  • Sociaal: niet durven spreken in het kringgesprek uit angst iets doms te zeggen
  • Fysiek: bijvoorbeeld bij gym, of voetballen op het schoolplein

Vaak komen deze in combinatie voor: bij een spreekbeurt is het kind bang dat het de tekst vergeet (cognitief) omdat alle kinderen naar hem kijken (sociaal) en dat het de plaatjes zal laten vallen door het trillen (fysiek).

Kinderen die faalangst ervaren, krijgen vaak last van lichamelijke klachten: ze slapen bijvoorbeeld minder goed, krijgen op de ochtend van de toets geen hap door hun keel, krijgen diarree enzovoort. Een beetje zenuwachtigheid voor een toets kan geen kwaad: je kunt je er beter door concentreren op je taak. Bij faalangst blokkeert het kind echter: het kan zich niet concentreren door de angstige gedachte dat het toch wel mis zal gaan. Dan ontstaat een self-fulfilling prophecy: door de overheersende angst te falen, faalt het kind inderdaad. Het kind bevindt zich dan in een neerwaartse spiraal.

Ouders kunnen hun kind helpen door het in de eerste plaats te accepteren zoals het is en dit duidelijk te laten merken. Faalangstige kinderen hebben nogal eens de neiging te denken dat hun ouders hen alleen waarderen als ze goed presteren. Ook positieve opmerkingen buigen zij in gedachten om in iets negatiefs. De ouders kunnen benadrukken dat het kind niet perfect hoeft te zijn en dat zij dit zelf ook niet zijn. Wanneer een ouder iets verkeerd heeft gedaan moet hij dit dus niet wegmoffelen, maar openlijk vertellen wat er misging en hoe hij het gaat oplossen. Hier leert het kind belangrijke copingstrategieёn van.

De leerkracht kan het kind helpen door nieuwe taken in kleine, minder overweldigende, stapjes te verdelen. Het kind moet weer succeservaringen opdoen. Bij een hoogbegaafd kind is het echter wel van belang de stof daarna weer zo snel mogelijk steeds wat moeilijker en onoverzichtelijker te maken. Steeds zó dat het kind het nog net kan overzien en het nog net aandurft. Een nieuwe opdracht kan worden geïntroduceerd als iets leuks, waar men veel van kan leren. Fouten zijn geen probleem: daar leer je van. Ook iets eenvoudigs als aangeven wat goed ging, in plaats van alleen met rood aangeven wat niet goed ging, kan helpen.

Voor zowel ouders als leerkrachten geldt: beloon het kind voor de inspanning, niet voor de prestatie. Het hoogbegaafde kind hoeft zich bij het reguliere werk vaak nauwelijks in te spannen om tot een goed resultaat te komen en is dus gewend alles in één keer te kunnen. Als iets eens níét zo gemakkelijk lukt, kan faalangst de kop opsteken. Het kind denkt hier niet slim genoeg voor te zijn en geeft het op. Maar dat is niet de ware oorzaak: het kind moet gewoon nog leren door te zetten. Probeer het kind dus zeker niet te ontzien door de taak over te nemen. Dit leidt tot aangeleerde hulpeloosheid en dan is het kind alleen maar verder van huis. Het kind moet leren het zelf te doen.

Jessica van der Spek

Jessica van der Spek is Orthopedagoog-Generalist en Specialist in Gifted Education. Ze werkt bij Adviesbureau Hoogbegaafdheid Pluspunt in Maassluis, een expertisecentrum voor dubbel bijzondere kinderen. Onder de naam Jessica Colins schrijft zij boeken voor kinderen bij wie de ontwikkeling net wat anders verloopt dan anders.


© Jessica van der Spek | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Wat zegt speelgoed over de toekomst van je hoogbegaafde kind?

By | februari 4th, 2016|Categories: Kinderen|Tags: |

Kijk hoe je kind speelt en je weet waar hij gelukkig van wordt! Handig om te weten als hij straks een studie moet kiezen. Daarom maak ik in mijn praktijk gebruik van de KernTalenten methode en methode die uitgaat van waar kinderen graag mee spelen bij de bepaling van de Talenten op tiener- en volwassen leeftijd. Graag vertel ik er hieronder meer over.

De basis van de kerntalentenmethode

Ieder kind wordt geboren met een specifieke voorkeur voor speelgoed en de manier waarop hij speelt. Vertoeft de jongste uren achter elkaar gelukzalig in zijn eigen wereldje met zijn treinbaan, Lego of Kapla, terwijl de oudste niet zonder vriendjes kan spelen, liefst buiten en zo wild mogelijk? Dat zal niet veranderen. Sterker nog: de oudste moet op zijn dertigste nog steeds niet in zijn eentje in een kantoorkamertje opgesloten worden, terwijl de jongste altijd de behoefte zal houden zich van tijd tot tijd terug te trekken.

Kinderen zijn tussen hun 4e en 12e jaar nog helemaal zichzelf. Ze doen van nature wat ze het liefste doen, waar ze goed in zijn en wat ze nodig hebben om zich gelukkig te voelen. De manier waarop ze spelen zegt daarom alles over hun aangeboren talenten, die wij KernTalenten noemen. De bedenkster van deze methode Danielle Krekels zegt dan ook: ‘Ieder kind heeft een unieke mix van talenten. Als hij straks een profiel, studie en beroep kiest waarin hij al deze talenten kwijt kan, zal hij zich moeiteloos, met passie zelfs, ontwikkelen.’

Mensen die van hun passie hun werk hebben gemaakt, zullen het zeker herkennen. Acteurs voerden als kind al huiskamertheater op, architecten ontwierpen als 8-jarige de mooiste huizen van Meccano of Lego.

Wélk speelgoed kinderen kiezen is minder belangrijk. Wat ze ermee doen en waarom ze er graag mee spelen, daar gaat het om. Dat is ook waar ik als KernTalentenanalist naar kijk wanneer ik een analyse doe en waar een heel belangrijk deel van mijn toegevoegde waarde in zit.

Wie later in zijn studie of werk één of meer van zijn talenten nooit kan aanspreken, kan heel onzeker worden en zich zelfs mislukt voelen. Dit geldt dubbel voor hoogbegaafden. Het komt heel vaak voor dat deze volwassenen (veel) meer KernTalenten hebben dan “gemiddeld”. Dan wordt het extra lastig om alle KernTalenten een plekje te laten krijgen in studie of werk. Om het ergens voor langere tijd naar je zin te hebben zal 80% van de sterke KernTalenten (die dingen die je graag doet) aangesproken moeten worden, anders ligt een Bore Out op de loer. Nog lastiger is het wanneer je wordt aangesproken op je kleine KernTalenten. Dat zijn die dingen die je niet graag doet en waarvoor je minder potentie hebt. Dit is vaak de onderliggende reden voor een Burn Out.

Waarschijnlijk zie je nu ook al bij uw kind, dat deze veel meel interesses heeft dan andere kinderen of misschien juist maar 1 of 2, maar dan wel veel diepgaander dan andere kinderen.

Tijdens de periode tussen 4 en 12 jaar oud kan ik nog geen KernTalentenanalyse afnemen bij het kind zelf. Het is namelijk heel belangrijk dat het kind objectief kan terugkijken naar deze periode en dat het zelf kan aangeven hoe leuk alle activiteiten voor hem waren. Wat kan je als ouder van een kind tussen de 4 en 12 dan al wel doen? Je kunt je kind tijdens zijn spel observeren, zodat jij hem leert kennen en hem kunt helpen zichzelf te leren kennen, waardoor hij zijn leven lang kan groeien en genieten van zijn eigen krachten.

Een voorbeeld van een kinderactiviteit en de kerntalenten erachter

De activiteit graag met poppen of poppetjes (bijvoorbeeld Barbie, Lego, Playmobil) spelen. Hieruit valt heel veel af te leiden wanneer u kijkt wat uw kind daarmee precies doet. (NB waar hij/hem staat kan ook net zo goed zij/haar gelezen worden en omgekeerd!)

  1. Teams maken: Zijn poppen voor jouw kind met name bewoners van met veel zorg ingerichte poppenhuizen? Is hij vooral bezig te verzinnen waar alles moet staan? Stelt hij Lego- of Playmobilpoppetjes eerst zorgvuldig op in de ruimte voordat hij ermee gaat spelen? Dan brengt hij structuur aan. Als volwassene zal hij plezier hebben in organiseren, plannen en coördineren! Tactiek en structuur is één van zijn talenten. Hij ziet de grote lijnen en zal uitblinken in een beroep waarin hij systemen, procedures en tactieken mag verzinnen. Misschien is hij wel een geboren manager.
  2. Schooltje: Zitten de poppen bij jullie thuis gedwee op een rijtje in de poppenschool? Legt je kind ze uit hoeveel twee plus twee is? Schooltje spelen duidt vaak op plezier in en talent voor Informatieoverdracht; jouw kind wil anderen graag vertellen wat hij allemaal weet. Het kan heel goed zijn dat hij een geboren leerkracht is.
  3. Verzorgen: Baddert, voert en kleedt hij de (baby)poppen (of knuffelbeesten), en zorgt hij dat ze allemaal een lekker plekje in zijn bed hebben? Dan is een van zijn KernTalenten waarschijnlijk Empathie en zorgdragen. Hij staat met plezier open voor anderen en is hulp- en dienstvaardig. Hij voelt als volwassene gemakkelijk met mensen (en dieren) mee en neemt graag de zorg en verantwoordelijkheid voor anderen op zich. Grote kans dat hij een verzorgend beroep gaat uitoefenen, bijvoorbeeld in de verpleging.
  4. Stylen: Is je kind niet zozeer verzorgend voor haar poppen, maar heeft zij bijvoorbeeld al haar Barbies voorzien van een apart nieuw kapsel en zelf ontworpen en gemaakte outfits? Dan past het KernTalent Artistiek origineel en innovatieve creativiteit bij jouw kind; je kind heeft oog voor vorm en kleur en schoonheid, verzint graag dingen die nog niet bestonden en werkt graag met haar handen. Beroepen als fotograaf, kunstenaar of modeontwerper passen goed bij haar/hem.
  5. Poppenkast: Sommige kinderen laten hun poppen hele zelfverzonnen toneelstukken opvoeren. Zij zijn bijvoorbeeld getalenteerd op het gebied van Fantasievolle, grenzeloze creativiteit, maar ook in Kameleonschap, aanpassen & flexibiliteit. Zo’n kind kan zich makkelijk verplaatsen in een ander, voelt zich soms zelfs als de ander en geniet ervan in andermans huid te kruipen. Hij is gevoelig voor spanningen, sfeer en emoties. Hij houdt van de schoonheid van muziek, poëzie of filosofie, heeft een grenzeloze fantasie. Toneelspeler, schrijver of kunstenaar zijn denkbare beroepen.
  6. Leger vormen: Fungeren de Playmobil-, Lego- of Mattel poppetjes steevast als kanonnenvoer? Worden ze zorgvuldig in regimenten opgedeeld, van (denkbeeldige) wapens voorzien en in aanvalstactiek naar de voorste linies verplaatst? Wees niet bang voor agressieve kantjes in zijn aard; veldslagen verzinnen en legers opstellen duiden op een talent voor Strategisch inzicht. Jouw kind denkt als volwassene graag een flink aantal stappen vooruit. Hij zal behoefte hebben aan controle en invloed en blijk geven van gevoel voor machtsverhoudingen, politiek en zaken. Waarschijnlijk voelt hij zich als een vis in het water in een beroep waarvoor hij langetermijnplanningen moet maken, knopen moet doorhakken en gokjes wagen. Hij gaat berekenend te werk en is goed in het inschatten van consequenties van beslissingen. Een geboren directeur!

De hierboven genoemde voorbeelden zijn zeker niet uitputtend en ook is er geen rekening gehouden met hoe de verschillende KernTalenten op elkaar inwerken. Dat is werk voor een geschoolde KernTalentenanalist.

Tips om je kind te begeleiden in het spel

  1. Bied je kind zo veel mogelijk verschillende soorten speelgoed aan. Je hoeft dat uiteraard niet allemaal te kopen, lang leve de speelotheek zeg ik maar. Zo zie je vanzelf waar hij een voorkeur voor heeft;
  2. Speelgoed uit de speelgoedwinkel is lang niet altijd noodzakelijk. Aan het spelen met takjes bijvoorbeeld kun je al van alles aflezen. Het ene kind knutselt er iets mee, het andere schrijft ermee in het zand, een derde legt een weg van takjes aan…;
  3. Praat elke avond even de dag door. Wat vond je het leukst vandaag? Daar kun je veel uit aflezen;
  4. Benoem niet te veel wat je vindt van het spel van je kind en zijn talenten, of het beroep dat hij volgens jou zou moeten uitoefenen. Benoemen is sturen. De keuze moet uit hemzelf komen;
  5. Geef geen waarde aan het spel van je kind. En als je dat per ongeluk toch doet, laat het dan vooral niet merken. Hangt jouw kind tot je ergernis regelmatig aan de hoogste tak van de gevaarlijkste boom, in de dakgoot of aan een lantaarnpaal? Pikt-ie iets, terwijl hij weet dat de pakkans groot is, en krijgt hij er een kick van als het hem nog lukt ook zonder gesnapt te worden? Bedenk dat deze ‘stouterds’ van nature goed zijn in risico’s nemen. Zij zijn degenen die later hun huis verkopen of enorme leningen afsluiten om een eigen onderneming op te starten: onze toekomstige werkgevers!;
  6. Luister en kijk open en onbevangen. Vraag je af: Wat was hij in zijn fantasie aan het doen? Wil hij altijd de bank zijn bij Monopoly? Is dat een behoefte aan controle houden of interesse in geld? Of….?;
  7. Voorkom moraliseren. Als je dochter bijvoorbeeld haar groep vriendjes precies verteld wat ze moeten doen en hoe, wanneer… Zeg dan niet tegen haar dat ze niet zo ‘bazig’ moet doen, maar prijs haar om haar leiderschapskwaliteiten;
  8. Sport zegt ook veel. Houdt je kind van teamsporten of zoekt hij juist de solosporten op? Wil hij zich vooral meten met anderen of houdt hij van de tactische regels van een spel? Heeft hij overzicht of is hij meer van recht vooruit en zo hard mogelijk knallen?;
  9. Denk voorbij het voor de hand liggende. Een kind dat graag leest, hoeft niet per se naar de universiteit, ook niet als het hoogbegaafd is. Leest hij alles wat los en vast zit? Dan heeft uw kind waarschijnlijk het meeste plezier in een algemene opleiding. Leest hij alles over één specifiek onderwerp, dan past een vakopleiding wellicht beter.

Vanaf welke leeftijd kan een kerntalentenanalyse worden afgenomen?

De ervaring heeft ons KernTalentenanalisten geleerd dat hoogbegaafde kinderen vaak al rond de leeftijd van 14/15 jaar zeer goed in staat zijn om objectief terug te kunnen kijken op de periode tussen 4 en 12 jaar. Hierdoor kan de analyse dus ook worden gebruikt om de keuze voor de verschillende bovenbouwprofielen in het VO te onderbouwen. Ik geef een advies over welke profielen het beste bij de KernTalenten van uw kind passen. Het rapport dat ik schrijf met daarin het unieke profiel van jouw kind is geldig voor de rest van zijn leven. Dat betekent dat je kind er op elk gewenst moment op terug kan grijpen. Dus ook weer bij de studiekeuze en later bij de loopbaankeuze!

Pauline Coret

Mijn naam is Pauline Coret en ik ben de KernTalentenanalist achter KernKompas. Na mijn afstuderen heb ik me 15 jaar lang niet op mijn plek gevoeld in de verzekeringsbranche. Nu heb ik het roer omgegooid door me om te scholen en voel ik me op mijn plek. Ik ga met veel plezier op zoek met mensen tussen 14 en 99 naar de KernTalenten!


© Pauline Coret | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Ik kan het (alleen)?

By | februari 4th, 2016|Categories: Kinderen|Tags: |

In mijn praktijk merk ik vaak dat veel ouders nog de hand van hun kind vasthouden, uit angst voor slechte punten. Ze vragen toetsen op, controleren of ze alle huiswerk hebben gemaakt, maken hun planning, woordenlijsten, boekentas, pluizen voor taken uit wat er juist verwacht wordt van hen of zitten naast hen bij het studeren. Mooie dagelijkse resultaten.  “Knap gewerkt”, zegt de leerkracht.

Ik stel hen dan steeds enkele vragen: Wiens punten zijn het nu? Hoelang denk je dit vol te houden? Tot hun 16e, 18e, 25e jaar?

Tot welke leeftijd mag je je kind helpen bij huiswerk en toetsen? En wat houdt ‘helpen’ in? Moet je dan verwachten van een kind dat hij het helemaal alleen kan? Neen! De hersenen van een kind zijn nog niet in staat tot volledig zelfstandig werk, ook niet die van een vijftienjarige. Organiseren, plannen, structuur aanbrengen is bij een puber nog niet ontwikkeld. De onbestaande gemiddelde puber, uiteraard, de ene is hier al beter in dan de andere.

Het voor hem doen, dan maar?

Wanneer we een kind willen helpen, moeten we hem vooral begeleiden. Het voordoen maar niet voor hem doen. Hem bevragen en af en toe gewoon laten doen. Wanneer we tot in het middelbaar met onze kinderen blijven studeren, creëer je een omgeving van aangeleerde hulpeloosheid. Na een tijd raakt de motivatie om het zelf te proberen zoek. Hij raakt ervan overtuigd dat hij toch geen invloed kan uitoefenen op de omgeving. Bijvoorbeeld: waarom zou een kind eerst alles alleen studeren, als het straks gegarandeerd alles nog eens met mama en papa moet overlopen? Wanneer het dan fout loopt, is het zijn fout niet, want ze hebben hem opgevraagd!

En als we ze meer vrijheid geven, wat dan met de punten? Als coach maak ik me meer zorgen in een kind met allemaal tienen, dan in een kind met een zes.

Een deel van het groeiproces van een kind is zichzelf leren kennen. De eigen kennis en vaardigheden ontdekken, uitproberen welke invloed ze hebben op de omgeving (daar is ze, de puberteit). Alle positieve woorden die starten met zelf- mag je hier wel plaatsen. Het vergaren van zelfrespect, zelfontwikkeling, zelfvertrouwen, zelfkennis, zelfcontrole. Hebben we die, dan krijgen we zelfsturing: het autonoom denken en sturen van hun eigen gedrag.

Door hun planning te maken, geef je hen geen kans om zelf na te denken. Hoe slecht hun voorstellen ook zijn, ze zijn van hen. Als het fout loopt, moeten ze leren zoeken naar wat ze zelf volgende keer anders kunnen doen. Maar omgekeerd ook: als het goed gaat, kunnen ze zichzelf een schouderklopje geven. Geef een kind de kans om te falen, want daar ligt de kans om te leren.


© Els de Wit | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Maak van jouw leerpunt, jouw keerpunt!

By | februari 4th, 2016|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

In mijn praktijk kom ik hoogbegaafden tegen die dubbel bijzonder zijn, omdat zij hoogbegaafd zijn in combinatie met…… (vul maar in).

Een gezin ontmoeten die allen hoogbegaafd zijn komt vaker voor. Een hoogbegaafd gezin ontmoeten waarbij het ene kind homoseksueel is en het andere kind transgender is met recht een dubbel bijzonder gezin.

In hun jonge jaren lag de focus op de problemen die zij hebben ervaren als hoogbegaafden, zoals onderpresteren, niet begrepen worden door hun omgeving, zich eenzaam voelen, geen aansluiting in de groep vinden. Toen dat stuk eenmaal in goede banen geleid was, kwam tijdens de puberteit de genderidentiteit om de hoek kijken. Tijdens hun zoektocht naar genderidentiteit kregen ze te maken met culturele verschillen, acceptatie binnen vrienden- en familiekring, spanning, piekeren, concentratie, schaamte, angsten, discriminatie, onbegrip en geweld. Dit leidde tot slechte schoolprestaties, eenzaamheid en het gevoel hebben dat jij jezelf niet mag en kan zijn. Dit gezin kwam erachter dat er weinig specifieke gendersensitieve hulpverlening op psychosociaal vlak is. Om hen en andere mensen verder te helpen, heb ik mij hier verder in verdiept en is dit nu een specifiek onderdeel van mijn praktijk Direct Counseling geworden. Problemen die met genderidentiteit te maken hebben, vergt een gerichte benadering voor alle betrokken partijen o.a. het kind, de ouders, school, omgeving, maar ook als volwassene, partner of gezin.

Als psychosociaal counselor heb ik individuele gesprekken gehad met elk gezinslid waarbij ik uit ging van hun eigen capaciteiten en vindingrijkheid. Elk gezinslid liep tegen andere vragen of problemen aan. Dit varieerde van verwarring, acceptatie, verdriet, boosheid, familiebanden die onder druk komen te staan, maatschappelijke druk ervaren, verwachtingen bijstellen, stigmatisering, angsten en sociale isolatie.

Dit gezin heeft mijn leven verrijkt. Door hen heb ik geleerd niet te denken in man, vrouw, maar te kijken naar de persoon die voor mij staat. Door dit gezin mag ik werken met mooie doelgroepen, hoogbegaafd, gendersensitieve hulpverlening of een combinatie daarvan. Daar ben ik ze nog steeds dankbaar voor. Het heeft gezorgd voor een wending in mijn leven. Maak van jouw leerpunt, jouw keerpunt! is niet voor niets de slogan van mijn praktijk.

Het gaat goed met het gezin; het zijn twee prachtige, moedige individuen geworden die met een open mind de wereld betreden. Dubbel bijzonder dat zijn zij nog steeds. Zij zullen nog vele hobbels moeten nemen in het leven, maar voor wie geldt dat niet? Mochten zij daar hulp bij nodig hebben dan weten zij mij te vinden.

Saskia Niezen

Ik ken meerdere bijzondere families en gezinnen. Eén van deze gezinnen betekende voor mij een wending in mijn leven. Toen ik begon aan mijn HBO opleiding psychosociaal counselor, wist ik al dat ik later een eigen praktijk wilde beginnen. In die praktijk, Direct Counseling, moest hoogbegaafdheid zeker een plek krijgen.


© Saskia Niezen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Een hoogbegaafd kind in het basisonderwijs – 3 – Op school zie ik het niet

By | februari 1st, 2016|Categories: Kinderen|Tags: |

Op school zie ik het niet

Ik ga iets heel moeilijks van je vragen

Beste leerkracht, wat fijn dat je de tijd neemt om deze blog te lezen. Je hebt het al gezien, ik ga iets heel moeilijks van je vragen. Ik ga je iets vragen dat je compleet uit je comfort zone brengt. Het is iets waarbij alles in je wat maar nee kan zeggen, dat ook zal gaan doen. Je zult veel weerstand gaan voelen en onzeker worden. Je zult niet meer weten waar je staat, waar je aan begint, waar je mee bezig bent. Je zult je bewust onbekwaam gaan voelen en dat is, zo weet ik uit eigen ervaring, echt niet altijd even prettig.

Ben je er nog?
Durf je het samen aan?
Fijn!

Wat ga ik je dan vragen?

Ik wil je vragen om alles wat je tot nu toe hebt geleerd, in je opleiding, in je werkervaring, in je levenservaring helemaal los te laten. Dat betekent, dat realiseer ik me heel goed, dat je al je houvast kwijt bent en dat je opnieuw moet beginnen. Ik ben er nog en ik neem je mee. Ik zal je uitleggen waarom ik dit aan je vraag.

Dit is waarom

Hoogbegaafde kinderen hebben het, net als iedereen, nodig dat ze worden gezien voor wie ze zijn. Als je dat niet doet, dan kan je dit kind niet bieden wat het nodig heeft en dan beschadig je dit kind. Natuurlijk is dat niet je bedoeling! Je wilt er juist zijn voor ieder kind, je wilt ieder kind recht doen en ondersteunen in de ontwikkeling. Je geeft om kinderen. Anders was je geen leerkracht geworden.

En dat is waarom ik denk dat ik je die hele grote vraag mag stellen: “Laat de manier waarop je tot nu toe hebt geobserveerd, instructie hebt gegeven, hebt gewerkt met de kinderen in je klas los en stap samen met mij en de ouders van de hoogbegaafde kinderen in het diepe. Ga mee op onze ontdekkingsreis.”

Als je dat samen met ons aandurft, dan vinden we je een kanjer! Dan ben je precies de professional die we zo graag willen vinden als begeleider van dit kind, dit prachtige hoogbegaafde kind, met alle potentie die erin zit maar die er nu nog niet uitkomt.

Je hebt nieuwe expertise nodig

Het klinkt zo makkelijk, je hebt nieuwe expertise nodig. En toch is dat wel wat er nodig is. We willen je vragen om een ‘shift’ te maken in je denken. We willen je vragen om volledig in de beleving van de hoogbegaafde te kruipen. Lastig? Onmogelijk? Wie weet…. Toch wil ik graag met jou samen een poging wagen, voor het hoogbegaafde kind dat je zo hard nodig heeft.

Stel je voor dat je samenwerkt met een team dat 30 of meer IQpunten onder jouw IQ functioneert. Hoe zou je het vinden om samen te moeten werken met collega’s die veel langzamer zijn in hun denken, die jou niet begrijpen, die vinden dat je ingewikkeld doet, die vinden dat je wel hele hoge eisen stelt?

Collega’s die hun eigen manier van denken, hun eigen grappen, hun eigen sociale omgangsvormen als leidraad nemen voor de groep. Collega’s die jouw oplossingen niet als oplossing zien, die eerst heel veel gaan praten en bedenken wat wel zou kunnen werken. Uiteindelijk komen die collega’s tot een oplossing, ze zijn helemaal blij, kijk eens wat een goed idee. Jij blijft verbaasd en verbluft achter, dat zei jij meteen al, dit is jouw idee.

Begin je te voelen wat hoogbegaafden voelen? Begin je te voelen waarom je nieuwe expertise nodig hebt? We hopen het echt.

Maak gebruik van de expertise die er is

Wat je ook doet, begin altijd met heel veel luisteren. Maak je hoofd zo leeg mogelijk (bewaar de expertise op regulier gebied even in een apart doosje). Ga niet proberen te begrijpen, ga niet interpreteren of vergelijken. Luister, dat is voor nu echt genoeg. De rest komt straks.

De ouders van hoogbegaafde kinderen zijn ervaringsdeskundigen, ze kunnen je heel goed uitleggen hoe hun kind leert, waar het behoefte aan heeft, wat het tekort komt, waar de verveling en frustratie ontstaat. Ze kunnen je ook helpen om te zien hoe hun kind omgaat met en reageert op verveling en frustratie. Ze hebben ook tips voor je om hun kind uit te dagen en daarmee weer te motiveren om te leren. Ga er gerust van uit dat ze al veel informatie hebben verzameld op internet en in boeken.

Hebben de ouders al een externe deskundige aan je voorgesteld? Dat is fijn. Daar kan je heel veel expertise vandaan halen. Maak veel, heel veel gebruik van deze persoon! Je vindt er echt een schat aan informatie. Ook jij hoeft het niet alleen te doen.

Jouw nieuwe expertise begint een bodem te krijgen

Bij het stellen van vragen is het belangrijk dat je naar de antwoorden luistert zonder er een betekenis of interpretatie aan te willen verlenen. Ga op zoek naar de rode draad in de verhalen en antwoorden die je krijgt. Ik help je vast een beetje op weg. Dit zijn een aantal belangrijke kenmerken van hoogbegaafde kinderen:

  • ze zijn autodidact,
  • ze leren TopDown, dat betekent dat ze pas gaan leren als ze een probleem of vraag hebben die ze willen oplossen of beantwoorden, een uitdaging zet ze aan het werk, van herhalen leren ze niets,
  • ze hebben een groot rechtvaardigheidsgevoel,
  • ze hebben een groot gevoel voor humor,
  • ze kunnen heel goed redeneren en doen dat graag,
  • ze zijn heel sociaalvaardig (denk bijvoorbeeld aan aanpassen aan het niveau van de groep, niet begrijpen waarom andere kinderen zich niet aan de sociale omgangsvormen houden),
  • ze maken veel heftige emoties mee (ongezien, ongewaardeerd, eenzaamheid, onbegrepen, onhandig, zelftwijfel, negatief zelfbeeld).

Aan de slag, je nieuwe expertise verder uitbreiden en verder opbouwen

Begin je te zien wat wij zien als we kijken naar en werken met hoogbegaafde kinderen? Wij ervaren een eigen doelgroep, een kwetsbare doelgroep, die het nodig heeft om op eigen waarde geschat te worden.

Deze kinderen zijn niet anders dan de reguliere kinderen. De reguliere kinderen zijn anders dan zij. En nee, dit is geen woordspelletje. Voor hoogbegaafde kinderen is het echt zo dat reguliere kinderen, anders zijn dan zij. Dat wat hoogbegaafde kinderen doen en kunnen is voor hun dagelijkse realiteit, zo is het voor ze en niet anders.

Als je aan de slag wilt vanuit deze nieuwe manier van denken dan ben je natuurlijk op zoek naar tips, ervaringen, mogelijkheden, materialen en ga zo maar door. Heel veel leerkrachten zoeken dat binnen hun eigen team, jij zult die beweging ook voelen. Begrijpelijk en natuurlijk heel logisch. Maar, voordat je dat doet… Sta even stil bij de vraag of er binnen jullie team al iemand is die zo vanuit hoogbegaafdheid kan kijken naar dat wat hoogbegaafde kinderen nodig hebben. Kan jouw collega de shift al maken? Of ziet hij of zij hoogbegaafde kinderen nog als anders of sneller dan regulier, als gemiddelde kinderen met een plus voor het leren?

Degene die je zoekt om mee te sparren kan zien dat hoogbegaafde kinderen echt een andere manier van denken en leren hebben. Deze kinderen hebben het nodig dat je in ieder geval dit ziet, herkent en ondersteunt:

  • ze kunnen goed analyseren, zien verbanden en ontdekken nieuwe verbanden (uitvindingen doen),
  • ze hebben het nodig om te leren hoe ze leren (leerstrategieën, inzicht in eigen leerstijl),
  • ze maken gebruik van hun korte termijn geheugen en hun enorme denksnelheid, ze moeten leren om het geleerde op te gaan slaan in het lange termijn geheugen (en dat is niet hetzelfde als automatiseren),
  • ze lopen in hun denken en cognitieve vermogens jaren voor op het bij hun leeftijd gebruikelijke niveau,
  • ze hebben tijd nodig voor hun fysieke ontwikkeling, deze kan niet worden versneld,
  • er lijkt een duidelijk tendens te zijn dat hoogbegaafde kinderen nog veel winst kunnen behalen in hun fysieke ontwikkeling door te werken aan reflexintegratie.

Dank je wel, jouw inzet verdient een compliment!

Nu je zover bent dat je weet wat je zoekt en de shift in je denken hebt gemaakt wil ik je alvast een heel groot compliment maken! Dank je wel dat je tot hier met ons mee bent gegaan!

Je hebt het aangedurfd om een compleet nieuw pad te gaan ontdekken. Je bent een leerkracht die gaat voor wat het kind nodig heeft en dat is zo fijn voor deze kinderen. Ze vinden nu voor het eerst een leerkracht die echt kijkt naar en begrijpt wat zij nodig hebben. Een leerkracht die durft te leren, die samen durft te groeien, die samen stappen durft te zetten en fouten durft te maken. Een leerkracht die laat zien dat je hulp kunt vragen, samen kunt werken, fouten mag maken en samen kunt oplossen wat er nodig is. Precies dat wat je deze (en alle andere) kinderen wilt leren.

Nu doorpakken, nog meer behoefte aan expertise

En dan komt je extra behoefte aan expertise, middelen en mogelijkheden natuurlijk weer boven. Dat is logisch. Ik wil je deze tips vast meegeven:

  • ECHA opleiding – Radboud Universiteit Nijmegen
  • DHH – Digitaal Handelingsprotocol Hoogbegaafdheid
  • SLO – Steunpunt Leerplan Ontwikkeling
  • CPS – Onderwijsontwikkeling en advies
  • Begaafdheidsprofielscholen
  • Rijksoverheid – Vraag en antwoord: Hoe krijgt mijn hoogbegaafde kind onderwijs?
  • Vergeet de externe begeleider niet, dat is ook een prachtige ingang. Het is iemand met praktijkervaring, tips, do’s en dont’s.

Wanneer ben je goud waard?

Heb je behoefte aan sparren, aan overleg, aan samen ontdekken, aan meer? Weet dat je altijd terecht kunt bij de ouders en de externe begeleider van het hoogbegaafde kind in jouw klas! Geen vraag is gek, vreemd of raar. Alle vragen zijn logisch, er gaat een hele nieuwe wereld voor je open en wij zijn dankbaar dat je die stap met ons samen wilt zetten. Samen overleggen, samen puzzelen, samen onderzoeken en proberen. Dat is waar de ouders op hopen en om vragen. Ze vragen niet van je om meteen alles te weten en te kunnen. De professional die zij zoeken is degene die durft te zien dat er nog veel te leren en te ontdekken is, degene die dat pad met ze samen loopt is ze goud waard.

Zie je het nu wel op school?

De opmerking ‘Op school zie ik het niet’ is een opmerking die veel ouders van hoogbegaafde kinderen krijgen van leerkrachten. De opmerking kan ervoor zorgen dat je tegenover de ouders komt te staan en dat is natuurlijk niet wat je voor ogen hebt.

Als je de opmerking ‘Op school zie ik het niet’ vervangt door één van deze vragen:

  • ‘Wil je er meer over vertellen, want ik herken het nog niet?’,
  • ‘Waar zien jullie het aan, waar zou ik op kunnen letten in de klas?’.

Dan kom je tot uitwisseling met de ouders en de externe begeleider, dan staan jullie samen sterk en hebben jullie gezamenlijk de driehoek kind-ouder-school verstevigd. Het zal je helpen om steeds meer te gaan zien wat je tot voor kort nog zo moeilijk vond om te zien op school.

Wat doe je dan met de expertise die je al had?

De expertise die je al had blijf je natuurlijk gebruiken, er zijn heel veel kinderen die er baat bij hebben. Ook hoogbegaafde kinderen kunnen er baat bij hebben, het is alleen heel erg belangrijk om er gedegen expertise van hoogbegaafdheid naast te zetten. Groepsbegeleiding, groepsprocessen, emotionele ondersteuning, ervaring in observeren, ervaring in persoonlijke gesprekken, er is nog zoveel dat je kunt blijven gebruiken. Je hebt nu alleen twee rugzakken om uit te putten en dat maakt je een ‘bredere’ of zo je wilt ‘rondere’ professional.

Deel 1 – Deel 2


© Marjolijn Peters via >>Marjolijnpeters.nl | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Een hoogbegaafd kind in het basisonderwijs – 2 – Zeurende ouders

By | januari 18th, 2016|Categories: Kinderen|Tags: |

Zeurende ouders

Maar, ben ik dan geen zeurende ouder? Het is een vraag die ik vaak krijg van ouders. Het is een vraag waar vaak veel tobben, zoeken en emotie onder schuil gaat.

Wat is er aan de hand?

De ouders die mij deze vraag stellen hebben gemerkt dat hun kind niet lekker draait op school en ze maken zich zorgen. Ze willen hun zorg delen met de leerkracht en samen werken aan een oplossing. Als reden voor hun twijfel of schroom om op de leerkracht af te stappen noemen ze vaak:

  • het niet groter willen maken dan het is,
  • ze hebben het al zo druk op school,
  • we hebben het er al over gehad, ze zijn op de hoogte, moet ik nu weer gaan praten, ben ik dan niet te dwingend,
  • hun kind niet negatief onder de aandacht willen brengen van de leerkracht en
  • niet lastig willen zijn.

Als ik de ouders vraag naar wat de leerkracht zegt over contact, dan is het antwoord eigenlijk altijd hetzelfde: “De leerkracht zegt dat ik altijd even voor of na de les kan komen om een vraag te stellen.”

Ben je nou wel of niet een zeurende ouder?

Door als ouder stil te staan bij je gevoel en emotie, komt er vanzelf een antwoord op je vraag ‘Ben ik een zeurende ouder?’ Als je de signalen die je van je kind krijgt volledig op je in laat werken, dan voel je vanzelf of het echte en oprechte zorg is. Zorg voor je kinderen zorgt er als vanzelf voor dat je als ouder in beweging komt. Je voelt dan van binnenuit de noodzaak om je kind te ondersteunen.

Het gesprek met de leerkracht

Verreweg de meeste leerkrachten reageren positief als je komt met je zorg. Ook zij willen het beste voor je kind. Niet alle leerkrachten zullen op school gezien hebben wat jij als ouder aan signalen krijgt. Er zijn kinderen die zich op school aanpassen, niet op willen vallen, doen wat ze denken dat er van ze wordt verwacht. Er zullen ook leerkrachten zijn die blij zijn dat je komt, ze hebben zelf ook al signalen gezien en willen graag met je praten.

Als je de reactie krijgt dat er op school ook al signalen zijn geweest, dan kan je je bedonderd voelen. Zeker als blijkt dat dit al langer speelt. Waarom hebben ze niets gezegd? Wat was er gebeurd als ik niet was gaan praten? Hoe erg moet het worden voordat ze iets zeggen?

De leerkracht die goed reageert en doorpakt versterkt de driehoek

Als de leerkracht goed reageert op wat je zegt en samen met jou kijkt naar wat er aan de hand is, wat oplossingen zouden kunnen zijn en hoe je kind ondersteund kan worden, dan geeft dat een positieve impuls aan de relatie ouder-kind-school. De driehoek wordt versterkt.

Belangrijk daarbij is natuurlijk wel de opvolging door de leerkracht op school. Worden de afspraken daadwerkelijk uitgevoerd en/ of geïmplementeerd? Als dat het geval is, dan zal er vanzelf verder overleg zijn waar nodig. De leerkracht zoekt jou op en jij kunt met je vragen terecht. De kans is groot dat je je opgelucht voelt. Je merkt dat je wordt gehoord en gezien.

Een eerste deuk in de driehoek

Als de leerkracht goed reageert, maar niet doorpakt, dan is daar de eerste deuk in het vertrouwen. Het wil niet meteen zeggen dat de leerkracht niet welwillend is. Er kan een reden voor zijn. Geef de leerkracht de mogelijkheid om te herstellen wat misging. Als ouder heb je dus weer een gesprekje te voeren. En nee, je zeurt niet. Je vraagt om opheldering, werkt samen en geeft iedereen binnen de driehoek de mogelijkheid om de relatie goed te houden.

Het effect van nog meer deuken in de driehoek

Als de relatie ouder-kind-school steeds meer deuken oploopt dan is dat een hele nare ervaring voor alle partijen. Voor jou als ouder betekent het dat je ziet dat je kind niet lekker draait, niet goed begeleid wordt en nog meer vastloopt.

Je ziet je kind gedrag ontwikkelen dat je niet herkent. Je kind kan bijvoorbeeld boos worden, buik- of hoofdpijnklachten ontwikkelen, een kort lontje ontwikkelen, slecht slapen, veel dromen, veel huilen, gaan schelden, gaan gooien met spullen, zich af gaan sluiten, gaan twijfelen aan zichzelf, een negatief zelfbeeld ontwikkelen, schoolziek worden en in zeer ernstige gevallen gevoelens gaan ontwikkelen die leiden tot vragen als ‘Wie zit er nou op mij te wachten?’ en ‘Wie zal mij nou missen?’.

Pijnlijke opmerkingen

Als ouders kom je in een achtbaan terecht. Opmerkingen die je als ouder kunt krijgen van leerkrachten en andere ouders kunnen pijnlijk duidelijk maken dat de ontstane situatie niet goed wordt onderkend:

  • “Je moet wel op onze expertise vertrouwen.”,
  • “Als hij het nou maar liet zien, dan konden we wel moeilijker werk aanbieden.”,
  • “De cito-scores zeggen iets anders dan dat jij aangeeft.”,
  • “Ze kijkt alleen maar naar buiten, haar werkhouding is slecht.”,
  • “Je maakt het probleem groter dan het is, op school is er niets aan de hand.”,
  • “Hij is ook wel erg jong.”,
  • “Pushen is niet goed.”,
  • “Hij moet ook wel heel erg op zijn tenen lopen.”,
  • “Het ligt echt aan thuis, hebben jullie geen ondersteuning nodig bij de opvoeding?”,
  • “Ja, dat huilen is inderdaad heel vervelend voor jullie. Als jullie weg zijn is het zo over hoor.”,
  • “Jouw kind is wel erg vaak boos of verdrietig hè, moet je daar niet eens iets aan doen?”,
  • “Mijn kind voelt zich onveilig in de klas, dat komt door jouw kind.”

Thuis spelen er veel emoties

Een kind dat niet goed begeleid wordt en daardoor niet lekker in zijn of haar vel zit, krijgt te maken met grote emoties. Waarschijnlijk voelt je kind zich onbegrepen, niet gezien, niet herkend, anders, eenzaam, boos, gefrustreerd, teleurgesteld, gekwetst in zijn/ haar vertrouwen. Dat heeft zijn impact op het welzijn en gedrag van je kind. Wat op zijn beurt weer invloed heeft op de sfeer thuis.

Ook jij als ouder hebt te maken met heftige emoties. Je knokt voor je kind, voor jezelf en voor je gezin. Je bent teleurgesteld en raakt moe gestreden. Als je steeds weer gaat praten en steeds weer ziet dat jouw kind verder afglijdt dan ga je je leeg voelen, niet gehoord, moedeloos en machteloos. Er is sprake van groeiende onzekerheid. Hoe moet het nu verder? Wat gaat er nu gebeuren? Komt dit ooit nog goed?

Scholen dragen onbedoeld bij aan de spanning thuis

Voor leerkrachten is het vaak niet duidelijk wat ‘de situatie op school’ betekent voor je thuissituatie. Ze hebben alleen jou om ze te vertellen wat er gebeurt. En dan blijft het een verhaal dat ze horen en waarin ze zich proberen in te leven. Als je een leerkracht tegenover je treft die zelf heeft meegemaakt wat jij nu meemaakt, dan merk je dat meteen. Dan is er herkenning.

Op school ben je en blijf je één van de mensen uit hun populatie. Je bent onderdeel van het werk van de leerkracht, de IB’er, degene die je spreekt op school. Voor jou als ouder en voor jouw kind is het dagelijkse realiteit, dat wat jullie nu leven. Op school is jouw kind één van de kinderen uit de groep, voor jou is jouw kind het allerbelangrijkste en kostbaarste dat er bestaat. Dit maakt heel veel verschil. Voor jou als ouder is ieder uur en iedere dag er één, voor een leerkracht is een week zo voorbij.

Jij als ouder ziet dat iedere dag wachten er één teveel is. Je merkt aan alles dat er nu iets moet gaan gebeuren. Op school zijn ze druk met al hun leerlingen, vergaderingen, studiedagen, feesten, vakanties, roosters en ga zo maar door. Deze mismatch zorgt ervoor dat jullie heel veel wachten, in onzekerheid zitten over wat er gaat gebeuren, de frustratie en onbegrepenheid zien opbouwen bij je kind en dat betekent een extra belasting voor jullie allemaal.

Tel daarbij op dat veel scholen eerst intern willen bekijken, bespreken, regelen wat er mogelijk is en dat er daarna een afspraak wordt gemaakt om jullie mede te delen wat er intern is afgesproken. Dan ben je zo weer twee weken verder. Als je dan te horen krijgt dat je wordt uitgenodigd voor een gesprek, maar niet mag weten waar het gesprek over gaat of wat je dan te horen krijgt, dan heb je een recept voor extra spanning te pakken. Scholen willen het zuiver en netjes doen, maar hebben niet in de gaten dat ze hiermee een grote bijdrage leveren aan de onzekerheid en het lange wachten waarin veel hoogbegaafde kinderen en hun ouders terecht gekomen zijn.

Steeds weer praten op school is nodig

De enige manier om samen met school de bij jouw kind passende oplossing te vinden, is in gesprek blijven. Als ouders is het dus heel belangrijk om steeds weer naar school te gaan, om steeds weer aan te even dat het niet goed gaat, dat je geen verbetering of zelfs verslechtering ziet bij je kind.

Je bent geen zeurende ouder, je bent een bezorgde ouder!

Deel 1 – Deel 3


© Marjolijn Peters via >>Marjolijnpeters.nl | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Mijn boek af dankzij schouderpijn

By | december 23rd, 2015|Categories: Kinderen|Tags: |

Het jaar 2015 begon voor mij erg slecht. Ik had een frozen shoulder, een erg pijnlijke ontsteking in het kapsel van mijn rechterschouder. Ik had ruim een half jaar doorgelopen met de pijn en was gewoon mijn freelance werk als filmend journalist blijven doen. Nu kon ik er echt niet langer omheen. Ik kon mijn arm niet meer bewegen en zelfs met zware pijnstillers en spierverslappers sliep ik amper van de pijn. De maand januari heb ik niets anders gedaan dan proberen de pijn te vergeten.

In februari begon het een beetje beter te gaan. Ik nam wat kleine schrijfklussen aan. Filmen lukte nog niet. Ik besefte dat ik ook wel altijd veel hooi op mijn vork had gehad. Filmen in het hele land en toch elke dag om drie uur op het schoolplein staan om mijn zoon Heron (11) van de Leonardoschool in een andere stad te halen. Dat moest anders. Ik besloot voorlopig door te gaan met schrijfwerk en de blogs, die ik voor J/M voor Ouders over mijn hoogbegaafde zoon had geschreven, te bundelen.

Dat blog Hoogbegaafd en … ben ik begonnen toen Heron, in groep 5, naar de Leonardoschool overstapte. We wisten toen nog maar net dat hij hoogbegaafd was. Wij hadden hem, in samenwerking met zijn oude school, door een psycholoog laten onderzoeken omdat hij niet lekker in zijn vel zat en gedragsproblemen ontwikkelde. We zouden niet verbaasd zijn geweest als hij adhd of een autistische stoornis had gehad, maar hij bleek alleen maar hoogbegaafd te zijn.

Pas toen ontdekten we dat hoogbegaafdheid helemaal niet zo geweldig hoeft te zijn. Ook werden we geconfronteerd met vooroordelen van mensen die vonden dat een labeltje niet nodig is, dat ouders van hoogbegaafden opscheppers zijn en dat je een geluksvogel bent als je hoogbegaafd bent en niet moet zeuren, omdat alles je veel makkelijker afgaat. Vooroordelen die ik een paar weken daarvoor ook had gehad…

Ik heb drie jaar geblogd voor J/M voor ouders: ruim honderd verhaaltjes. Ik kreeg veel reacties op de site en via de mail. Daar zaten ook hartverscheurende verhalen bij. Lezers waren blij met de herkenning en de erkenning. Het probleem met een blog is dat het verstopt zit op een website. Je moet gericht zoeken om op het juiste verhaal te komen. Ik bedacht dat een boek met de beste verzamelde verhalen beter zou werken. Omdat ik niet kon filmen, had ik daar nu de tijd voor. Het is ook altijd een droom van mij geweest om een boek te schrijven.

Samen met mijn man heb ik de blogs gethematiseerd in een boek. We hebben zelf de vormgeving gedaan en geven het uit in eigen beheer. Mijn man is hoogbegaafd en dat is in dit geval een groot voordeel. Hij leert snel en heeft zich, naast zijn gewone baan, razendsnel ingelezen in het uitgeven van een boek. In januari 2016 komt De Domste Thuis – Moeder in een hoogbegaafd gezin uit.

Ik hoop lezingen te kunnen gaan geven om ouders van hoogbegaafde kinderen een hart onder de riem te steken. Herons zusje Ilse (6) is dit jaar ook getest en met twee hoogbegaafde kinderen mag ik mezelf inmiddels wel ervaringsdeskundige noemen.

Mijn schouder is genezen. Ik ben nog aan het oefenen om alles weer te kunnen, maar mijn eerste filmklus is alweer achter de rug. Het jaar 2016 ga ik met een veel fijner gevoel in dan vorig jaar. Het is heerlijk om weer pijnvrij te zijn en te kunnen werken. En bovendien heb ik mijn oude droom: een boek uitgeven, eindelijk verwezenlijkt.

De domste thuis

Linda van der Klooster


© Linda van der Klooster | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

It’s OK not to be OK

By | december 22nd, 2015|Categories: Kinderen|Tags: |

Ik ben dol op tekst. Altijd al geweest. Ik kan intens genieten van een mooie column of spreuk, uren doen over de blogs die ik schrijf over mijn werk in de jeugdzorg en goede recepten leer ik uit mijn hoofd om ze in gedachten eindeloos te herhalen. Op papier ben ik beter dan in het echt. Teksten gaan altijd met me mee. Sommigen heel lang, anderen hangen af van de fase van mijn leven. Een groot deel van 2010 ben ik in verwachting. Vanaf het moment dat ik de 40 weken passeer wentel ik mezelf in zelfmedelijden door dagelijks de treurigste teksten op Facebook te plaatsen. Godzijdank wordt mijn zoon al vlug na de uitgerekende datum geboren, ik vrees dat mijn ‘volgers’ mij anders onder dwang hadden laten opnemen uit angst dat ik mijzelf iets aan ging doen.

Een snelle rekensom leert dat onze zoon inmiddels 5 jaar oud is. Als je hem kent dan hou je van hem of je vind hem verschrikkelijk, keihard maar waar. Ik ben bang dat meer ouders van hoogbegaafde kinderen dit zullen herkennen. Het erge is, ik kan het ze niet kwalijk nemen. Onze zoon is van het type ‘himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt. Hoge pieken diepe dalen maar nooit eens normaal en god wat verlang ik soms naar normaal. Voor mij, ons gezin maar bovenal voor hemzelf want het is dodelijk vermoeiend.

Onze zoektocht begint eigenlijk direct na zijn geboorte maar met name het laatste jaar is een echte rollercoaster. Eind 2014 mocht hij naar school; wát had hij zich verheugd en wát viel het tegen. Tierend staat hij daar in de gang; ‘mam, je denkt toch zeker niet dat ik alweer dat kuthamertjetik ga doen?’. Nou jongen, dat dacht mama eigenlijk wel. Dat doen toch alle kindjes in je klas? Al snel ga ik het gesprek aan met zijn juf, en nog eens en nog eens. In februari van dit jaar spreekt de inmiddels betrokken schoolarts de legendarische woorden ‘kan het ook zijn dat hij niet een beetje slim is en strontvervelend maar heel erg slim en juist daardoor strontvervelend? Waarom ben ik daar nou zelf niet opgekomen? Ik, zijn moeder, die hem in de voorliggende maanden al autisme, ADHD en ODD of een combinatie van dit alles had toebedeeld, heb echt geen seconde in overweging genomen dat zijn IQ het afwijkende deel zou zijn. Dat de schoolarts gelijk had blijkt al snel, in mei van dit jaar wordt hij getest. Met zijn IQ van 145 wijkt hij net zoveel af van het gemiddelde als een zwakbegaafde. Voor ons is het dus inmiddels heel begrijpelijk dat hij niet als vanzelf functioneert. Maar als het dan niet vanzelf gaat, hoe dan wel?

Ergens in die beginperiode zie ik een tekst die me op dat moment enorm aanspreekt; ‘een oester maakt van zijn probleem een parel’. Nou, die oester was ik hoor en ik zou van die hoogbegaafde zoon van mij wel even een pareltje gaan maken. Met heel veel inzet lijkt dat in eerste instantie te lukken. Mijn man en ik bezoeken lezingen en ouderbijeenkomsten, ik sluit me aan op fora en Facebook, we halen hulp in huis in de vorm van een hb-coach en ik koop alle boeken die er maar te vinden zijn over hoogbegaafdheid. Het resultaat, het gaat eindelijk goed met onze zoon. Eenmaal over van groep 1 naar groep 3 lacht het leven hem toe. Tot er uit het niets na de herfstvakantie een terugval komt die zijn weerga niet kent. Vreselijke driftbuien; er komen woorden uit zijn mond rollen die ik hier niet wil herhalen. Hij schopt tegen alle grenzen die hij maar kan vinden en is voor geen rede vatbaar. En daardoor zit de oester nu dus overspannen thuis, zonder parel. Het continue zorgen eist zijn tol. ‘Mensen breken niet omdat ze zwak zijn maar omdat ze veel te lang sterk waren’ lees ik ergens. Het klopt dat weet ik, maar toch voel ik me een zwakkeling…

Zo met de feestdagen op komst struin ik graag rond op leuke webshops en ik kwam achter het bestaan van het tekstboard, een leuk houten letterplankje met 3 regels en een setje letters en afbeeldingen waar je naar hartenlust teksten op kunt leggen en weer kunt veranderen. Ideaal zo vind ook mijn man die inmiddels wel klaar is met alle afgedankte teksten die naar de bovenverdieping verhuisd zijn. Vorige week stond er uiteraard ‘wie zoet is..’. Inmiddels staat er ‘Never grow up’, een tekst met voor mij een dubbele lading, daar hou ik van. ‘Ik kook van jullie’ hangt in een prachtige zwarte letterslinger in de keuken, onder de uitvergrote zwart wit foto’s van mijn bloedjes. Want ik kook voor hen, ik hou ook van hen maar kook ook af en toe ván hen.

Vanmorgen valt er een kaart van een lieve vriendin op de mat met een prachtige tekst; it’s ok to be not ok. En op dit moment ben ik not ok. Maar dat wordt ik wel weer. Er staat namelijk ook een tekst hier in huis die zegt ‘if you want to be happy…BE!’ Daarmee dwing ik het af…over een poosje. Ik richt al onze pijlen op 2016. In de tijd dat ik thuis ben van mijn werk wordt ik geacht weer eens wat fijns voor mezelf te doen. Mindfullness leek de huisarts wel wat. Nee dank u ik heb kinderen beste man, mijn mind is al full genoeg. Ik schrijf het liever van me af. Reuze therapeutisch en mogelijk daarnaast voor een ander herkenbaar, een schrale troost omdat je niet de enige bent of gewoon vermakelijk om te lezen, al is het maar op het toilet.

Tamara


© Tamara | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Leren leren, meer dan studeren

By | december 15th, 2015|Categories: Kinderen|Tags: |

Ouders kloppen bij mij regelmatig aan om hun kind studievaardigheden aan te leren. Het doel? Graag goede resultaten op het rapport, want die toetsen lopen toch nog niet zoals zou moeten. Hij weet het wel, maar… Ze komen dan ook met bepaalde verwachtingen over wat die studievaardigheidstraining moet inhouden: onderlijnen, samenvatten, mindmap, studieplanning, studiekaartjes, …

Groot is vaak de verbazing als ze merken dat ik daar eigenlijk relatief weinig bij stilsta. De realiteit is dat ze dit vaak al in school hebben gezien en dat het kind daar meestal weinig problemen mee heeft (of ze die technieken ook gebruiken, is een totaal andere kwestie). Wat ik wel aanbied, zijn alternatieven en omkadering.

Ik ben geen aanhanger van leerstijlen, van de recentste hype in leermethodieken en time management die voor iedereen is weggelegd en vooral zeer makkelijk aan te leren zouden zijn. Wel van eigenaarschap, voorkeuren en van inhoud naar methode.

Wiskunde studeer je nu eenmaal anders dan geschiedenis, sommige onderdelen lenen zich beter tot visualisatie of auditieve hulpmiddelen dan andere en we zijn niet allemaal ochtendmensen of stilzitters. Wat bedoel ik met eigenaarschap? Wie zijn doelen kan meebepalen, zal zich hier ook gemotiveerder voor voelen, zal mee willen dat deze doelen behaald worden.

Ook daar moet je allemaal rekening mee houden. Dat is zoeken en maatwerk, zowel voor het kind als voor mij. Leren leren is méér dan je cursussen instuderen, het zijn ook alle factoren daarrond.

Studeren bestaat uit drie delen: de voorbereiding, het studeren van de inhoud en het herhalen. Die driedeling gaat aan hoogbegaafden vaak voorbij. De voorbereiding is er niet of amper: noteren tijdens de les? Waar is dat boek nu weer? Moeten wij dat ook kennen? Planning? Studeren is herkennen, herlezen of samenvatten en herhalen is al compleet uit den boze (waarom zouden ze ook?).

Ik wil hier niet elke hoogbegaafde over dezelfde kam scheren, er zijn kinderen met minutieuze planningen en samenvattingen, maar die het doel compleet voorbij schieten. Wie zich strak aan de ingeplande vijf bladzijden per uur houdt, studeert niet. Die volgt een planning.

Deze drie stappen vragen veel van een kind, meer dan we soms als ouder of leerkracht beseffen. In mijn praktijk werk ik daarom allereerst aan het zelfinzicht van het kind: wat kan ik (niet), wanneer kan ik het goed (genoeg), hoeveel tijd heb ik nodig, wanneer studeer en pauzeer ik het beste, welke studietechnieken liggen mij, heb ik nu gelezen of geleerd,…?

En we zijn er nog niet: leren is durven mislukken en zoeken tot je vindt wat je ligt. Dat is doorbijten als het nog niet lukt. Dat is durven geloven dat het ‘leren leren’ een persoonlijk groeimoment is. Dat is voor ouders leren loslaten, dat is voor het kind leren geloven dat hij het alleen kan.

Dat zijn een hoop vaardigheden om een toets tot een goed einde brengen, niet?


© Els de Wit | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Een hoogbegaafd kind in het basisonderwijs – 1 – Jij bent anders dan ik

By | december 9th, 2015|Categories: Kinderen|Tags: |

Drieluik over een hoogbegaafd kind in het basisonderwijs

Hoogbegaafde kinderen en hun ouders maken veel mee in de zoektocht naar het juiste, bij hun passende onderwijs. Door aandacht te besteden aan dat wat er op emotioneel gebied speelt bij hoogbegaafde kinderen en bij jullie als hun ouders hoop ik dat je je gesteund voelt in je zoektocht en de gesprekken met school.

Jij bent anders dan ik

Als jij speelt dan doe je dat op een andere manier dan ik. Als jij leert dan doe je dat op een andere manier dan ik. Als jij praat dan gebruik je andere woorden dan ik. Jij snapt mijn grappen niet en ik snap jou niet. Jij bent echt anders dan ik.

De eerste twijfel over mezelf

Als ik kijk naar de kinderen bij ons in de klas, dan voel ik me anders dan jou en jullie allemaal. Jullie lijken elkaar wel te begrijpen. Jullie vinden dezelfde dingen leuk en lachen om elkaars grappen. Plannen maken jullie samen. In de pauzes spelen jullie altijd samen, ik ben dan vaak in mijn eentje aan het spelen. Je houdt je niet aan je afspraken, ik vind dat niet eerlijk. Zou ik dan toch anders zijn dan jij?

Mijn papa en mama zijn vaak op school, om te praten over hoe het gaat. Ze zijn er veel vaker dan jouw vader en moeder. Juf weet niet goed hoe ze me kan helpen om het leuk te vinden op school. De meester vindt het allemaal wel meevallen. Hij vindt me een vrolijk jongetje en zegt dat ik goed meedoe. Hij zegt ook dat we allemaal weleens iets moeten doen wat we niet leuk vinden.

En ik doe ook echt mijn best om mee te doen met de groep. Ik kijk naar wat jullie doen en pas me daaraan aan. Als ik dat niet doe dan val ik zoveel op, dat wil ik echt niet. Weet je dat ik heel vaak het antwoord weet op wat juf vraagt? Ik zeg niets, want dan val ik op. Ik wil graag bij de groep horen.

Ik ga extra mijn best doen

Papa en mama hebben weer gepraat op school en het lijkt wel of ze zich steeds meer zorgen maken en ook verdrietig worden. Ze hebben een coach voor me gezocht. Iemand die me gaat helpen om het weer leuk te vinden op school. Zie je wel, het is dus toch waar. Ik heb hulp nodig… Jij bent niet anders, ik ben anders!

Dat moet ik toch kunnen oplossen. Ik ga nog meer mijn best doen om mee te doen met de groep. Maar, ik vind het werk echt niet leuk. Het is saai en makkelijk en steeds hetzelfde. Liever zou ik experimenteren, dingen onderzoeken. Ik wil ook graag leren over biologie en ik wil eigenlijk eindelijk wel eens ècht moeilijk rekenwerk doen.

Zo boos

Weet je dat ik daar best heel boos van kan worden. Dat slome gedoe, steeds weer hetzelfde. Wanneer snappen jullie het nou eens? Waarom moet ik steeds wachten? En dan in de kring, steeds weer die verhalen over het konijn of de verjaardag van opa of oma. En als ik dan zit te wiebelen of begin te praten dan vinden de juf en de meester dat ik stil moet zitten en moet luisteren. De laatste tijd zit ik steeds meer naar buiten te kijken. Dan hoor ik wel wat er gezegd wordt hoor, maar ik heb er gewoon geen zin meer in.

Kunnen we het niet eens hebben over het heelal, de oerknal en het ontstaan van de aarde? Dat is toch veel interessanter. Het menselijk lichaam mag trouwens ook hoor, dat vind ik ook leuk. Anders de Romeinen, die konden goed bouwen.

De oplossing van juf

Juf heeft een stickerkaart voor me gemaakt. Iedere keer dat ik niet boos wordt en stil zit krijg ik een sticker. Die stickerkaart hangt in de klas, waar iedereen hem kan zien. Dat vind ik heel vervelend, maar ik durf het niet te zeggen, dan worden ze weer boos.Ik moet getest worden.Papa en mama zijn samen met mijn coach met de juf gaan praten.

Ik moet getest worden

Papa en mama willen weten wat ik kan. Ze hebben me uitgelegd dat ik waarschijnlijk veel meer kan dan de kinderen bij mij in de klas. Zou mijn coach dan toch gelijk hebben? Dat de andere kinderen anders zijn dan ik?

Daar word ik wel heel verdrietig van. Is het daarom zo moeilijk om vrienden te vinden? Dan ben ik helemaal alleen. Ik weet niet of ik nou blij moet zijn met de test of niet? Ik vind het spannend, zou ik het wel kunnen? Is het niet te moeilijk? Zou ik niet te dom zijn?

De test was leuk! Ik mocht allemaal moeilijke dingen doen. Sommige dingen waren ook wel makkelijk hoor, maar ik moest ook nadenken. Was het op school maar meer zoals bij de test. Dan ik moet nadenken.

Ik ben hoogbegaafd

Papa en mama zeggen dat mijn coach gelijk had. In de brief die we kregen staat dat ik hoogbegaafd ben. Dat betekent dat ik snelle hersenen heb en veel dingen sneller begrijp en kan dan andere kinderen. Ze hebben me verteld dat de meeste mensen in Nederland minder snelle hersenen hebben dan ik. Dus ik ben toch anders…

Daar moet ik best even over nadenken. Ik ben anders dan jij, jij bent anders dan ik. Wat betekent dat voor ons?

Papa en mama gaan praten met juf en meester

Papa en mama zijn samen met mijn coach gaan praten met juf en meester. Ze hebben afgesproken dat ik minder hoef te oefenen en dat er moeilijker werk voor me komt. Werk waar ik mijn hersenen bij aan moet doen. Dat zal nog best even wennen zijn. Hoe doe ik dat, mijn hersenen aan?

Juf en meester hebben samen afgesproken wat ik nog wel moet doen. Die makkelijke sommen hoeven niet meer, lezen nog wel maar dan moeilijker en ik moet antwoord geven in hele zinnen, die netjes geschreven zijn. Dat klinkt nog best makkelijk.

Nog steeds te makkelijk

Toen ik tegen juf zei dat het nog steeds te makkelijk is zei ze dat ik eerst moet laten zien wat ik kan, daarna maakt ze het nog moeilijker. Ik was daar zo verdrietig van en werd toen zo boos! Nu hangt mijn stickerkaart er weer.

Ik moet naar een andere school

Papa en mama vinden dat ik naar een andere school moet, naar een school waar allemaal hoogbegaafde kinderen bij elkaar in de klas zitten en waar ze de hele dag door moeilijk werk doen. Ik wil helemaal niet van school veranderen. Hier weet ik nu net een beetje hoe het werkt, met wie ik vrienden wil zijn en bij wie ik uit de buurt moet blijven omdat ze me anders gaan pesten.

Oh wat was het spannend vandaag, ik ben bij een andere school geweest. Ik durfde eigenlijk niet zo goed naar binnen. Ik dacht dat ze me vreemd zouden vinden. De juf vertelde dat er meer kinderen van een andere school kwamen, dat hielp, toen durfde ik naar binnen te gaan. Het ging hier helemaal anders. Ze beginnen niet met die saaie kring, maar gaan meteen lezen. Ik mocht zelf een boek uitzoeken. Dat was fijn, niet meer die saaie AVI-boekjes, maar een moeilijk boek. Toen er iemand een grapje maakte moest ik lachen. En ik was niet de enige, er moesten er meer lachen. Ik ging me steeds beter voelen, hier zijn ze hetzelfde als ik. Hier ben ik niet anders!

Het mag van papa en mama

Van papa en mama mag ik naar deze nieuwe school. Mijn coach heeft beloofd om met juf te gaan praten als het nodig is, maar ik denk niet dat het nodig is. Deze juf begrijpt me wel.

Het is wel wennen hoor, op deze nieuwe school. Alles is anders, ze hebben andere regels, de kinderen moet ik allemaal weer leren kennen en ik moet nu echt nadenken. Maar dat is ook heel fijn. Als ik nu naar huis ga zijn mijn hersens moe. Thuis kan ik dan lekker spelen. Ik verveel me niet meer!

Deel 2 – Deel 3


© Marjolijn Peters via >>Marjolijnpeters.nl | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Die ellendige Coopertest..

By | oktober 19th, 2015|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Wil je weten wat je op de Coopertest gehaald hebt? Helaas, dat delen we nooit mee aan leerlingen. Oh, je hebt een brief van je atletiektrainer bij je. Nou ja, vooruit dan maar.

Even zoeken. Ja. Hier staat het, geloof ik. Ja, dat is eehhh, ja, een best een hoge score, inderdaad. Ja, beste van dit schooldistrict, volgens deze tabel, ja. Okee, genoeg gelezen, geef het nou maar weer terug, dat testrapport.

Wat zeg je nou? Trots? Een mooie score?

Ga maar eens even zitten mevrouw. Tijd voor een lesje in levenswijsheid, want dat heb jij wel nodig. Je moet vooral beseffen wat zo’n test allemaal niet zegt. Het zegt niks over hoe goed je bent in tennis. Of voetbal. Of wat voor mens je bent. Ik ken een paar mensen die ook heel hoog scoorden op de coopertest, en dat waren echt ver-schrik-ke-lijke mensen, weet je?

Oh. Je snapt zelf ook dat een atletiektest inderdaad geen dingen meet die niks met atletiek te maken hebben. Nou, ik leg er nog maar even extra de nadruk op. Want je moet het als goede atleet vooral niet te hoog in je bol krijgen.

Waarom we die tests dan afnemen, als ze toch zo weinig zeggen? Zie, daar heb je het al, die arrogantie! Je denkt het beter weten dan ik.

Maar goed, als je het echt wil weten: Het wordt mij van hogerhand opgelegd. Zelf vind ik het maar niks, al die coopertests, die trainingen, die schoolcompetities. Als gymleraar vind ik dat onze maatschappij sporten en fit zijn veel te hoog aanslaat. Bewegen is niet alles. Voetbal kijken op TV, dat is óók sport.

Ja, jij begrijpt ook dat er in het leven meer is dan alleen sportprestaties neerzetten. Gelukkig maar.

Maar toch ben je trots, want het is een mooie score, die jij toch maar even hebt gelopen. Zucht. Waarom denk jij toch dat je trots op jezelf mag zijn? Omdat je heel hard kan lopen? Dat is gewoon toeval, een cadeautje van Moeder Natuur. Niks om jezelf op de borst te kloppen.

Heb je dat ene klasgenootje zien zwoegen? Hij is lang niet zo atletisch als jij. Haalde maar een benedengemiddelde score. Maar hij heeft voor die lage score net zo hard moeten knokken als jij. Hij mag terecht trots zijn op zichzelf.

Waarom hij wel trots mag zijn en jij niet? Nou eeh, gewoon!

Je zegt dat het niet jouw schuld is dat je niet altijd alles op alles kan zetten, zoals hij dat deed? Omdat daar in de gymles geen ruimte voor is? Je wil mee trainen met de hogere klassen? Uitkomen voor wedstrijden op school? Zodat je de school trots kan maken?

Zucht. Kennelijk loopt je emotionele ontwikkeling mijlenver achter op dat snelle lijf van je. Leer eerst maar eens omgaan met medesporters die niet zo goed zijn als jij. Daar word je pas echt een goede sporter van.

Oh, zeg je nu dat het helemaal niet zo goed is, voor je ontwikkeling als sporter? Dat de sporters die de Spelen gehaald hebben juist wel op hun eigen niveau konden trainen? Okee, daar heb je gelijk in. Je gaat de Spelen niet halen als je mee blijft draaien in je huidige groep. Maar is dat erg? Laat mij je maar vertellen wat echt belangrijk is in het leven. Dat is niet de Spelen.

Het is vooral heel belangrijk dat jij het niet te hoog in je bol gaat krijgen. Dat jij vooral niet het leven van een topsporter gaat leiden. Een leven waar ik me heel weinig bij voor kan stellen. Hoogtestage, met de koning op de foto, toernooien overal ter wereld, ook in China.. Moet je nagaan, ik vind Frankrijk al ver! Nee blijf vooral lekker ‘gewoon’. Doe zoals ik en de andere mensen hier in onze stad. Een echt succesvolle sporter, zo zeg ik maar altijd, dat is een aangepaste sporter!

Laten we nu die testscore maar weer in een la doen en het er nooit meer over hebben. Voor je het weet gaan de mensen verkeerde dingen denken.

Die ellendige tests, die doen meer kwaad dan goed..

Keepitsimplesailing


© “Keepitsimplesailing” | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Tsjechië, nazomer 2015

By | september 16th, 2015|Categories: Kinderen, Volwassenen|Tags: |

Voor een aantal Facebookgroepen heb ik een tijdje terug een stukje geschreven over diverse aspecten van en ervaringen tijdens mijn vakantie naar Tsjechië, passend bij het thema van die groepen. Ik vond het een fijne reis en wilde er wat stukjes van meenemen naar jouw woonkamer. Ik heb stukjes geplaatst, op volgorde van schrijven, in: Jongvolwassenen, Natuurlijk leven, Liefde & Relaties, Hoogsensitief, Kunst & Kunstenaars, Muziek & Muzikanten en Knowledge & Research.

Jongvolwassenen

Even weg? Dat zal je vast regelmatig nodig hebben. Je bent bezig met je opleiding of werk, of juist werkloos met een uitkering, allicht proberend een baan te krijgen. Je bent in elk geval druk met het vormen van je verdere levenspad, en ziet allerlei mogelijkheden, die je soms voor lastige keuzes kunnen stellen, die je echter tot de mooiste doelen kunnen leiden.

Reizen kan je helpen om de dagelijkse sleur even los te laten, er letterlijk even afstand van te nemen, en geeft je allicht meer ruimte om na te denken over je toekomst op kortere, maar toch zeker ook op langere termijn.

De fysieke afstand van de dagelijkse sleur van werk en zogenoemde nevenactiviteiten heeft enig effect gehad, maar dit effect is toch kleiner dan ik had gehoopt. Naast nadenken over de toekomst en het uiten van mijn ideeën daaromtrent richting M., heb ik helaas ook een verlies te verwerken. Twee dagen voor mijn vertrek naar Tsjechië heb ik vernomen dat mijn Engelse stiefopa plotseling is overleden aan een bloedprop. Lang geleden heeft hij dus niet, maar het plotseling wegvallen heeft niemand in staat gesteld een definitief afscheid van hem te nemen.

In Engeland kan het gerust wat langer duren tussen overlijden en begraven. De begrafenis is dus nadat ik op zaterdag ben teruggekomen van mijn vakantie – op de donderdag daarna pas. Samen met M. heb ik onderweg naar het Tsjechische vakantiehuisje nog een nacht doorgebracht in een hotel in een pittoresk Duits dorpje, waar we nog internetopgang hadden en zochten naar de goedkoopste opties om, zo kortdag, nog een volledige trip naar Engeland te boeken. Maar zonder fijn resultaat. De opties die er waren, kon ik me niet veroorloven. Geld kon ik niet lenen. Alleen naar Engeland zonder M. kost natuurlijk wat minder, maar dan zou ik eenzaam zijn terwijl ik veel steun nodig zou hebben, daar zijn terwijl de rest zich in koppels zou bewegen. dat is hen van harte gegund, maar ik zou niemand hebben om mij de gehele tijd aan vast te houden.

Hier in Tsjechië probeer ik er alsnog het beste van te maken en ik sta vooral niemand toe om oordelend te zijn, ook niet over de manier waarop ik heb laten weten dat het me niet gaat lukken om naar Engeland te komen. Heel af en toe heb ik mobiel contact met de buitenwereld, maar een internetconnectie is er niet in het vakantiehuisje.

Vaak bij noodzaak een binnenvetter was ik vroeger in staat om een masker op te zetten als het ging om het tonen van mijn verdriet, omdat dit vaak belachelijk gemaakt werd als zijnde een soort zelfmedelijden. Ook nu schakel ik uit in sommige situaties, om het vervolgens op mijn eigen manier te verwerken, daar de tijd en gelegenheid toe te nemen – door schade en schande geleerd – en niet langer op me te laten projecteren hoe ik iets zou moeten verwerken, of hoe ik me hierover zou moeten uitlaten.

Natuurliefhebbers

In Tsjechië hadden M. en ik voor een week een vakantiehuisje grenzend aan de natuur. Het was gelegen even voorbij het gehuchtje Janske Udoli in het bosrijke zuidwesten, de Zuid-Bohemen. Een onverhard weggetje leidde net buiten het gehucht omhoog langs een huis, waarna een klein stukje bos, waarna het weggetje eindigde in het grasveldje voor ons vakantiehuisje, dat verder volledig omgeven was door bossen. In feite ging de tuin dus rechtstreeks over in de natuur, zonder duidelijke begrenzing.

In principe konden we, zeker gedurende de eerste helft van ons verblijf voor de weeromslag, in onze blote reet rondlopen in de tuin, zonder dat er ook maar iemand ons zou opmerken. In elk geval kan je niet in Nederland in die mate zo omgeven zijn door de natuur, in zo een spaarzaam bevolkt gebied, dat de kans dat je tijdens een boswandeling iemand tegen zou komen vrijwel nihil is.

Gedurende de eerste helft van ons verblijf was het erg warm en droog. We maakten boswandelingen, hoorden de subtiele voetstapjes van hertjes in de verte, signaleerden ze soms ook, roken de intense geur van dennennaalden, en hadden het enorm gezellig met elkaar in het bos.

Gedurende de tweede helft van ons verblijf was het koel en vochtig, een permanente miezer legde andere nuances in de geuren. We liepen richting het dorpje, roken de pruimenbomen en zagen een boomrijk veld met zwijntjes van allerlei formaten, de meesten donkerbruin, enkelen met vlekkenpatroon, die op ons afkwamen in een concert van geknor. Er was ook een haan met tien hennen die tevreden en in volle verendos in de grond pikten, er liep een gakkende troep ganzen rond en er was een schaap dat af en toe van zich liet horen. Er stond een grote appelboom in het veld waar af en toe een appel af viel. Het gelukkige zwijntje dat deze te pakken kreeg, rende steeds snel naar een hoekje om het appeltje op te peuzelen.

In een klein veldje even verderop stond een kudde schapen te schuilen voor de regen onder een klein afdakje waar ze met zijn allen net aan in pasten. Schaapachtig en koddig staarden ze ons al blatend aan.

Misschien wil ik zelf ooit wel, als daar ruimte voor is, een veldje met twee kleine zwijntjes om het groenteafval te eten, en een gezellig morrelende kip om eieren te leggen.

’s Avonds brandden we steeds een haardvuur in het huisje met grote blokken hout die in het ingebouwde schuurtje opgeslagen waren. Ik ben er niet achtergekomen hoe het systeem van de verdeling van hout hier werkt, maar het lijkt me een veelgebruikte warmtebron voor specifiek de winters in dit landklimaat. Hier brandt men graag een haardvuur in plaats van alle verwarmingen open te draaien.

Op de tafel zetten we ‘s avonds kaarsjes en wierookjes. We waren spaarzaam met elektriciteit, scheidden ons afval, leefden minimalistisch en geordend maar zonder vaste dagplanning, en werden in stilte wakker zonder wekker of andere geluiden zoals treinen of autowegen in de verte en mensen op straat.

Ondanks het vlak voor de reis geleden verlies was er hier niemand die tussenbeide kon komen en niets wat tussen ons in kon gaan staan.

Liefde & Relaties

Het was knus ’s avonds voor de open haard, op een andere manier dan bij mij thuis in Nederland, op de bovenste verdieping van een portiekflat, waar je bij kou de verwarming aan kan zetten en anders een flink deken nodig hebt.

Het vuur brandende houden was een kunst, maar in het ingebouwde schuurtje was een grote voorraad hout aanwezig. Branden doet het pas als aan de basisvoorwaarden is voldaan. Als er voldoende hitte is in de haard, willen ook de grootste stukken hout branden, knapperend en knisperend, en wil het vuur de gehele haard vullen, en de warmte het hele huisje.

Het is een vuur wat jaren van groei vergt. Maar in een relatie in een stroomversnelling hebben we dit niveau al na een jaar bereikt. Er zullen er hopelijk nog heel wat volgen om tot rijping en groei te komen.

Hoogsensitief

Ik ben hoogsensitief. Dit geeft mij een set van karakteristieken en gebruiken die ik zelf als normaal beschouw, maar blijkbaar zijn ze opvallend voor veel anderen, waaronder andere hooggevoelige mensen, die elk weer een unieke set karakteristieken hebben.

Op onze reis naar Tsjechië zijn deze karakteristieken M. nog eens extra opgevallen en benoemd op een positieve manier.

Mijn manier van spullen vastpakken is heel “vol”. Het kan soms onhandig overkomen, omdat het veel meer tijd lijkt te kosten dan gewoonlijk, alsof ik alles peil en inschat voordat ik er letterlijk mijn handen aan vuil maak. En als ik het pak, dan bekijk ik het van alle kanten, lees ik etiketten, betast ik het.

Mijn manier van het in me opnemen van de omgeving is intens. Ik kijk veel om me heen, zie details. Ik heb de neiging om aan heel veel wat ik vastpak, te ruiken. Het is voor mij een sterke smaakbepaler. Misschien ben ik daardoor ook wel heel gevoelig voor andermans feromonen.

Verder kwamen de geuren van het haardvuur, van de dennennaalden, van de wierookjes, van de pruimenbomen, van de nazomer en de eerste gele en vallende bladeren heel intens aan.

En kleuren zijn soms klanken, geuren hebben soms kleuren..

Kunst & Kunstenaars

Behalve de natuur heb ik ook een beetje van de cultuur van Tsjechië geproefd. Mensen zijn gewend om hier heel dorps te leven. In de wat grotere dorpjes zijn een kerk en een lokale supermarkt. De tijd lijkt daar te hebben stilgestaan. Ik heb twee stadjes bezocht, namelijk Český Krumlov en České Budějovice. Deze noemden we grappend Tsjechische kruimeldief en Tsjechische buidelfiets. Het eerste stadje is gebouwd langs enkele meanders van de Moldau en is reliëfrijker en speelser dan het tweede stadje, dat gecentreerd is rond een groot plein. Dit geeft de twee stadjes een heel verschillend karakter, ook al liggen ze niet ver bij elkaar vandaan.

Muziek & Muzikanten

Met elke reis die ik maak leg ik een sterke associatie met bepaalde muziek. Deze muziek is lang niet altijd lokaal, eerder de muziek die ik op dat moment veel luister. Deze muziek zal ik in het vervolg ook sterk associëren met betreffende reis en deze versterkt bepaalde herinneringen dan ook zeker.

In het geval van mijn reis naar Tsjechië ging het om Anathema en om Steven Wilson. De precieze herinneringen zullen zich nog vormen, maar in elk geval zijn daarbij het knusse gevoel van in de woonkamer van het vakantiehuisje in het bos bij het haardvuur zitten, even vrij van verplichtingen, al lezend of schrijvend (of gamend op de Nitendo in geval van M.), en het voeren van goede, gevoelige gesprekken.

Muziek helpt mij met het verwerken van verliezen doordat ik met muziek die naar mijn smaak is wat beter in staat ben om, in dialoog met M., zaken beter te bespreken, zonder mijn gevoelens onder tafel te schuiven. Het helpt mij in zijn algemeenheid met het verwerken en het inzien van de mogelijke consequenties van zowel positieve als verdrietige gebeurtenissen.

Twee dagen voordat ik naar Tsjechië vertrok overleed mijn stiefopa opeens. Door naar muziek te luisteren probeerde ik me te beseffen dat ik me niet schuldig hoefde te voelen over dat ik het me niet kon veroorloven om vlak na de vakantie met M. naar de begrafenis in Engeland af te reizen omdat prijzen voor vluchten op zulke korte termijn zo hoog liggen en ik geen geld kan lenen van iemand. Of dat ik het emotioneel nog niet aan zou kunnen om zonder mijn houvast M. naar Engeland af te reizen, omdat ik die houvast juist nu extra nodig heb. Als ik alleen zou gaan, zou ik me eenzaam voelen in mijn verdriet.

Je kan je afvragen of dat wel terecht is, maar het in Engeland wonende deel van mijn familie is bezig met het organiseren van de uitvaart en de rest van het gezin waarin ik ben opgegroeid is bezig met zijn of haar eigen verdriet. Ik kan daar niks aan toevoegen. Er is geen plek voor me daar omdat hetgeen ik doe heel gauw verkeerd kan worden opgevat. Dat wil ik niet omdat het niet helpt bij het verwerken van hetzelfde verlies op mijn manier. En dat is wat ik wil doen. En ga doen! Met muziek.

Knowledge & Research

Terwijl ik in Tsjechië was vroeg ik me af hoe het staat met de kennis over hoogbegaafdheid aldaar en de manier waarop deze geïmplementeerd wordt in o.a. het Tsjechische schoolsysteem.

Ik kwam hierbij een onderzoeksgroep tegen die zich richt op hoogbegaafde kinderen in Tsjechië. Ik zou de doelen daarvan graag hier delen. Zij roepen op tot internationale samenwerking en ik nodig alle onderzoekers in deze groep dan ook uit om eens contact met ze te zoeken.

Over faciliteiten voor en onderzoek naar hoogbegaafde volwassenen in Tsjechië kon ik niks vinden behalve dat er een afdeling van Mensa bestaat (omtrent hoge intelligentie gebaseerd op een percentielscore).

Centrum voor de ontwikkeling van hoogbegaafde kinderen (“Nadane deti”): Het Centrum voor de ontwikkeling van hoogbegaafde kinderen is een vereniging van onderzoekers, promovendi en studenten van de afdeling Psychologie, Faculteit der Sociale Studies aan de Masaryk Universiteit in Brno, die zich bezighouden met de kwestie van hoogbegaafde kinderen. De doelstellingen van dit onderzoekscentrum zijn het ondersteunen van het diagnostische proces op scholen en het faciliteren van begeleiding, het opleiden van mensen die met hoogbegaafde kinderen werken, kennis en verheldering bieden over het onderwerp richting ouders van hoogbegaafde kinderen, onderzoeksactiviteiten die zullen leiden tot een nauwkeuriger inzicht in de problematiek van hoogbegaafdheid en aanverwante onderwerpen, het creëren van een netwerk van deskundigen en ouders die geïnteresseerd zijn in hoogbegaafdheid, en vooral ook om de samenwerking met internationale deskundigen te bevorderen en op basis daarvan de beste buitenlandse onderwijsvormen voor hoogbegaafden ook in Tsjechië te vestigen.

Van de website:

About Giftedness in the Czech Republic

Situation in former Czechoslovakia (before 1989)

Former Czechoslovakia was a country with prevailing Marxist philosophy where privately owned schools could not exist and students were educated on the basis of unified curricula, irrespective of their handicaps or talents. Students were educated on the basis of government controlled curricula with no space for enrichment, acceleration, home schooling and other valuable educational approaches as well as with limited possibilities for teachers’ creativity. Any effort leading to providing stimulating tasks for gifted students was considered a breach of the so-called class struggle, and as such considered hostile to the system. Children were allocated to the unified schools on the basis of the residence of the family. Exceptions to this rule were not tolerated.

The leading direction of education was oriented towards average students. In order to be integrated into a group of classmates, a gifted child had to hide his or her abilities and potential and conform to the established average. Mediocrity penetrated everywhere – to the schools, to the jobs, to everyday life. This led to neglecting of all the children that were different in any way – children with special needs, including learning abilities, and also gifted children.

Positive changes in the Czech Republic: opening the school system following the 1989 Revolution

The situation in former Czechoslovakia changed after the revolution of 1989. The changes in society had an impact on the education process and methods too. Private schools were established, students could be educated according to different curricula, and teachers possessed a freedom to choose their own methods of approaching text books. After the division of Czechoslovakia in 1993, the education system of the Czech Republic also incorporated different Western-based educational programs with long tradition, such as Montessori system etc. Along with the changes previously mentioned, intensive care started to be oriented on children with physical impairmenet and mental health problems. Teachers started to attend special courses and handicapped children were integrated within standard classes.

Current situation

Since 2005, there has been new education legislation in the Czech Republic which defines gifted children and provides directions for their education. We consider this change to be very crucial. Unfortunately, we are still struggling to find the right ways and methods to work with gifted children. Teachers are not educated to deal with gifted children on the secondary and university level. There is a substantial amount of teachers who do not show any interest in taking post graduate courses for dealing with gifted children, as they realize that when in practice, their educational priority will be oriented towards problematic children, leaving no time for the gifted ones.

Many very gifted children in our schools are missing the adequate development. This unfavorable situation is highlighted in the findings of Czech school inspection document of 2008, which notes that “in schools, there is prevailing helplessness, sometimes indifference and unwillingness (lack of motivation), the contrast between the declared terms and actual conditions (e.g. conditions of integrated education for pupils of all levels of talent in the same class etc.), but also general misunderstanding the whole issue of development needs of exceptionally gifted students.”

Former minister of education Ondrej Liska expressed the similar concerns when he said that “many schools are not interested whether and in what way the student is gifted, what makes the student stand out above the average…The waste of talents begins already at the elementary schools.”
Many smart children thus do not see any challenging goals or tasks and they do not learn how to reach them and how to overcome the obstacles. Learning is usually very easy for them, but they do not realize that their talent is not developed adequately. The talent stagnates starting from an early age, thus giving them a considerable disadvantage compared with peers from other countries.

How to solve this unfavorable situation?

We believe that the way to improve the current situation is the education of teachers and psychologists in the area of gifted children as well as research of specific educational needs of gifted children. Our workgroup aims for both goals in a long term. However, we would like to be more open to international cooperation. A very valuable opportunity might be establishing closer relationships with foreign universities who have vast experience in the issue of identification and education of gifted pupils and students. We welcome any opportunity to engage in joint projects, research, or other form of international cooperation.

We would like to provide Czech teachers and psychologists with the knowledge and experience which are common in the rest of the world, but rather unknown in our country. We want to give gifted Czech students a better opportunity to develop their potential and excel.

Website (Engelse versie) – Facebook-groep – Twitter

© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Close