De derde en laatste ronde van de Delphi Study over het onderzoek naar hoogbegaafde volwassenen zit er alweer op. Tijdens de vragenrondes in de vorm van enquêtes werden onderzoekslijnen voor de komende vijf jaar gepeild. Aan de hand daarvan werp ik mijn blik op enkele ideeën die uit de eerdere rondes naar voren zijn gekomen.

Moet er een onderzoeksprogramma worden gekaderd, waarin een veelheid aan visies is opgenomen?

Ik vind het belangrijk dat er ruimte bestaat voor verschillende visies, zodat we niet afstevenen op navelstaarderij. Dat moet echter niet zodanig vooropgesteld worden dat het ten koste gaat van daadwerkelijk onderzoek op basis van onderzoeksvragen en relevante context. En dan nog, al komt er zo een programma, dan kunnen mensen altijd zelf nog onderzoek buiten het programma beginnen.

Zijn helder geformuleerde onderzoeksvragen essentieel voor het ontwerpen van studies en het vergroten van kennis binnen het hoogbegaafdenonderzoek?

Er zijn me veel papers bekend die meer draaien om modellen en filosofische constructen dan dat ze zijn opgebouwd als onderzoeken met aan de hand van onderzoekspopulaties geteste vraagstukken. Ik denk wel dat dergelijke studies een prioriteit moeten hebben, omdat ze bepaalde fenomenen gelinkt aan hoogbegaafdheid meer inzichtelijk en minder hypothetisch maken. Aan de hand daarvan kunnen inzichten ook beter in de praktijk worden gebracht. Uiteindelijk moet het onderzoek bijdragen aan het verbeteren van het algemene welzijn van hoogbegaafden in de maatschappij.

De bestaande beschrijvende en conceptuele modellen van hoogbegaafdheid zijn veelal niet getoetst. Moet hun waarde worden onderzocht en getoetst door professionals en aan de hand van hoogbegaafde volwassenen zelf?

Veel tijd en geld gaat zitten in het bediscussiëren van modellen, waarbij het bereiken van een consensus onwaarschijnlijk is. Het onderzoek naar praktische problemen van hoogbegaafden moet dan nog beginnen. Hoogbegaafdheid is zo divers dat het ontzettend moeilijk is om de hele populatie in een enkel model te vatten. Ik ben het er wel mee eens dat bestaande modellen getest moeten worden, maar dan wel modellen die tot dusver weinig of geen schadelijke effecten hebben laten zien bij praktische toepassing ervan.

Sommige modellen zijn domweg schadelijk, beledigend, discriminerend of weinig bruikbaar en houden hoogbegaafden die gebruik maken van hulpverlening op termijn in dezelfde zwakke positie, terwijl er wel geld aan ze wordt verdiend. Dat alleen al laat zien dat deze modellen niet werken en het testen van deze slechte modellen is bij voorbaat al nutteloos. Bijvoorbeeld spiral dynamics, een hiërarchisch en volkomen onwetenschappelijk ontwikkelingsmodel dat het moderne westerse wereldbeeld als summum en uitgangspunt neemt. Aan het testen ervan in de context van hoogbegaafdheid kunnen we beter geen cent verkwanselen. Ik begrijp niet wat dit model doet voor hoogbegaafden, laat staan voor anderen. Trap niet in de verkooppraatjes voor dit model.

Kortom: modellen die redelijk zijn en die weinig schadelijke effecten hebben laten zien bij praktische toepassing ervan kunnen zeker getest worden, maar van anderen kunnen we beter geheel af stappen. Bovendien vraag ik me af waar het neurowetenschappelijke deel zit bij veel van deze modellen. De manier waarop het hoogbegaafde brein bedraad is laat zich niet zo makkelijk vangen in een beschrijvend en conceptueel model.

Zijn context en interdisciplinariteit van onderzoeksprojecten belangrijk?

Ik zie het hoogbegaafdenonderzoek als zeer interdisciplinair en samenwerking tussen verschillende disciplines is daarom erg belangrijk. Verschillende disciplines zijn nu nog erg gescheiden bezig. Mijn inschatting is dat dit een uitdaging wordt. Niet alleen omdat er in verschillende disciplines sterke eigen paradigma’s gelden, maar ik kan me op basis van mijn eigen ervaringen ook goed voorstellen dat er aardig wat eigenwijze, sterk gefocuste en competitiegevoelige onderzoekers zijn in deze disciplines.

Leidt discussie over het gebruik van het woord “hoogbegaafd” af van verder onderzoek?

Het fenomeen hoogbegaafdheid is op dit moment nou eenmaal het meest bekend onder deze noemer. Een nieuwe noemer zou alleen maar verwarring brengen en houdt heersende taboes op hoogbegaafdheid alleen maar in stand. Het is wel zo dat er verschillende invullingen zijn van het woord. Hierbij is het belangrijk om dat per onderzoeksproject helder te formuleren, zodat de invulling helder en relevant is voor de onderzoekscontext. Los daarvan zullen er waarschijnlijk altijd verschillende houdingen richting het woord blijven bestaan.

Moet het onderzoek faciliterend zijn richting de complexiteit van het fenomeen, zonder aanname van een universele definitie van hoogbegaafdheid bij volwassenen?

Hier is een belangrijke rol weggelegd voor inclusie. Inclusie vind ik belangrijker dan zo groot mogelijke populatiegroottes, gekwantificeerd op basis van het IQ. Natuurlijk kunnen een meer inclusieve benadering een een IQ-gebaseerde benadering elkaar wel aanvullen, maar als je alleen naar het IQ kijkt mis je wat mij betreft erg veel. Los gebruik van een benadering waarbij het IQ centraal staat zorgt bovendien voor uitsluiting van sommige deelpopulaties van hoogbegaafden die vaak lager scoren op een test vanwege “twice exceptionality” (bijvoorbeeld hoogbegaafdheid in combinatie met Developmental Coordination Disorder of PTSS).

Er is nood aan een algemeen bewustzijn van hoogbegaafdheid bij volwassenen en voor evidence-based best practices. Hoe gaat dat samen?

Er is op dit moment nog niet genoeg onderzoeksbewijs voor veel vraagstukken omtrent hoogbegaafdheid. Er is dus ook nog geen eenduidige, op bewijs gebaseerde richting voor het voorlichten van een algemeen publiek. Dit is een overkomelijk dilemma, al zullen er altijd mensen met vooroordelen blijven.

Er moeten duidelijke onderzoeksvragen worden geformuleerd gebaseerd op veelvoorkomende problemen van hoogbegaafden in de maatschappij. Deze zijn het meest urgent wat betreft toegepast onderzoek naar hoogbegaafdheid. Binnen het kader van deze onderzoeksvragen is het verstandig om van onderzoeksparticipanten zelf te horen wat er nodig is om hun situatie te verbeteren in de context van het vraagstuk.

Het valt me op dat het algemene publiek vrij vaak niet zo kritisch is op hoe evidence-based uitspraken zijn. (Bijvoorbeeld: waarom zijn er zo veel totaal niet op bewijs gebaseerde HR-modellen in de omloop binnen werkomgevingen? En waarom geloven zo veel mensen in het vertekende wereldbeeld van goeroes, zelf opgegroeid in privilege?)

Zelf gaf ik recentelijk een interview voor een populair magazine. Mensen hebben interesse in goede verhalen. Als we een algemeen publiek willen bereiken, moeten we betrouwbare persoonlijke verhalen vertellen en deze linken aan veelvoorkomende vooroordelen over hoogbegaafdheid. Dit houdt de aandacht voor hoogbegaafdheid vast terwijl er in de tussentijd meer onderzoek wordt verricht. We kunnen nu niet stilzitten, wachten en nietsdoen totdat er meer onderzoek is gedaan.

>Uitzonderlijk Hoogbegaafd!


© Dr. Alice K. Burridge via >>Waves & Currents<< | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Print Friendly, PDF & Email