Ik heb een hechtingsstoornis met de alfamannen van de bètawetenschap. Ik ben mezelf steeds meer gaan aanschouwen, zittend achter een computer ergens achteraf, terwijl iedereen op zijn apenrots zit, bezig met zijn eigen stukje wetenschap. Over een paar maanden zet ik er een punt achter. De laboratoria en territoria hebben mij niet nodig.

Het is een gevoelsvrije zone waarbinnen iedereen zich dient te wagen aan de rush to professorship en waar de professoren zich hoofdzakelijk bezighouden met onderzoeksvoorstellen om geld binnen te halen voor een volgende linie goedkope promovendi die het onderzoek moeten uitvoeren. De wetenschappelijke hiërarchie krijgt een steeds bredere basis en een steeds breder midden met steeds kleinere baankansen.

Zo had ik het nooit voor ogen gezien toen ik als piepjong talent aan mijn promotie begon. Ik zou een wetenschapper pur sang zijn. Maar iemand met veel talent wordt op een gegeven moment saai. Of beter: de talentvolle gaat zich snel vervelen. De letters op de prijzen, diploma’s en certificaten vervagen, de tijd vergeelt het papier. Ik ben verworden tot het struweel in een volgroeid loofbos. Daarvan kan je niet eens papier maken.

Op snelheid gekomen loopt mijn snelweg af en gaat deze over in een zandpaadje richting een brandstapel. Vastgenageld aan de paal op het brandhout kijkt de keuzedwang me streng in de ogen. Omdat die van mij nu pas komt, en omdat dit onmogelijk kan kloppen, heb ik niet het recht verworven om in aflaatbrieven te handelen en getuigen mijn woorden van hekserij.

Waar moet ik heen? In het heuvelachtige zuiden is geen werk. Ontladen onder de rook van Amsterdam heeft haar glans verloren. Anoniem verdwijnen in een massa gehuld in eenzelfde saaie Scandinavische mode heeft weinig zin. En in de ratjetoe van New York streven miljoenen mensen naar de limieten van het hemelgewelf – het zou kunnen dat Atlas al genoeg assistentie heeft.

Even voel ik me alsof ik daarnet mijn mislukking van de daken heb geschreeuwd. Verfomfaaid, glansloos, te lang verwaarloosd. Even ben ik als een vederlichte novelle, een veel te laat debuut dat zo snel mogelijk verpulverd moet worden door cynische criticasters met daverende recensies over de massieve debuutwerken van op mijn leeftijd al gevestigde soortgenoten. Even ben ik de kaalgesleten bank die nog naar het grof vuil moest, want hij past niet bij het hippe nieuwe interieur van het kantoor op toplocatie waar alle enthousiaste, flexibele dozijners een reuzegezellige baan hebben. Ik ben nummer dertien.

Het lijkt erop dat de meeste anderen op mijn leeftijd al stabiliteit hebben gevonden, al van jongs af aan een kraakheldere richting hadden, en bij belangrijke levensgebeurtenissen en prestaties een grotere compassie en meer aandacht verdienen. Het lijkt alsof ik slechts in hun schaduw hang, als een Little Miss Complicated, te complex om te doorgronden, en mijn prestaties met mij. Ik word gefeliciteerd met hun prestaties, waar ik niks voor heb hoeven doen, en ik moet nog trots zijn ook. Zal ik binnenkort in deze schaduw promoveren? Absoluut niet. Ik stond van huis uit al in de schaduw. Dit wordt mijn moment.

Misschien zet ik zelf iedereen in de schaduw en ben ik de boom die moet worden gekapt omdat ik ieders licht zou wegnemen. Even verbeeld ik me hoe ik straks, geveld door knetterende kettingzagen, met een meedogenloze meewarigheid word opgeveegd van de vloer van mijn promotieborrel. Een beschonken afterparty in plaats van wat een daverend feest had moeten worden. De laatste, krakende kreet van een stervend schepsel, verdwaald in andermans feestgedruis. Nee, dat gaat niet gebeuren. Dit wordt mijn feest.

Daarna geef ik mezelf de vrijheid om te gaan en staan waar ik wil. Dit is mijn leven, voor altijd.

© Tekst “Anoniem” (naam bekend bij de redactie) | Redactie & Beeld Alice K. Burridge van Green Writing | Stichting Hoogbegaafd!