Ik had eigenlijk al lang een burn-out moeten hebben. Ik heb mezelf uitgewoond, vermoeid, bijna door de toeslaande verveling in de academische mallemolen laten vermalen, ik heb lood in mijn schoenen gehad, jeuk gehad van protocolneukers en rondjes gezwommen in de circulaire bureaucratie. Uiteindelijk werd ik moe van mezelf, oververmoeid, maar het is me niet gelukt om een burn-out te krijgen. Ik bleef hongerig naar kennis en inzicht.

Dat betekent dat ik je ook geen “I came from the darkest depths of hell and now I rose to fame and fortune, and so can you” motivatieverhaal kan vertellen, zoals goeroes dat zo mooi nep kunnen met een grote grijns op hun gezicht en een nietsontziend ego dat zó aanwezig is dat het velen verblindt en tot volgzaamheid maant.

De laatste jaren wordt ineens veelvuldig het woord millennial in één zin genoemd met het woord burn-out. Ik zie mezelf niet als millennial. Eigenlijk ben ik ook geen 28, maar 50. En toch ook weer 28. En 40. En soms zelfs 20 of 60. Maar dat hangt van de context af; fysieke leeftijden zijn maar getalletjes. Eigenlijk is niets in mijn ontwikkeling normaal, en normaal hangt dan weer af van de cultuur en het milieu waarin je geboren en opgegroeid bent. Vaak is me gevraagd of ik expres zo abnormaal doe.

Burn-out is niets meer dan de funeste ontrafeling van het te lang niet in een passende omgeving verkeren. Als je hoogenergetisch bent heb je jezelf dus wel heel hard en heel lang moeten uitputten door in een context gevangen te zitten die te veel afbreuk doet aan de essentie van je zijnswijze.

Als kind was ik al hoogenergetisch. In plaats van uren wakker te liggen omdat ik nou eenmaal naar bed moest terwijl ik nog lang geen slaap had, kroop ik met een leesboek en een zaklamp onder de dekens. Ik zat letterlijk met mijn neus in de boeken, want vooral de geur van versgedrukte boeken op zwaar, glanzend papier was een genot en had al lang als parfum op de markt gebracht moeten zijn.

Ik trok me terug in het veilige semi-kluizenaarschap van mijn rijke innerlijke leven, waarbinnen ik intens genoot van het bezoeken van vreemde landschappen en sterrenstelsels. Mijn vrienden vond ik vooral in heimelijke innerlijke dialogen. Ondertussen las ik over de levenscycli van verschillende soorten sterren, de klimatologie van manen om de planeten in ons zonnestelsel, de vorming van landschappen, het ontstaan van leven. Ik bedacht systemen waarmee een neerstortend vliegtuig op zee veilig zou kunnen landen en waarmee energie kon worden opgewekt uit golfkracht. Ik verzamelde en sorteerde insecten in de achtertuin, uit het zicht van schreeuwerige buurtkinderen, en zeediertjes langs rotskusten.

De confrontatie met mijn externe leven maakte me in vlagen verdrietig en eenzaam. Mijn leeftijdgenoten hadden geen kaas gegeten van mijn gedachtegangen, kennis, vocabulaire en fantasie. Mijn taalgebruik in de klas maakte me daar tot het professortje, terwijl ik zocht naar raakvlakken met kinderen die om wat voor reden dan ook afweken van het vulgair-populaire. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat ik in verre van alles raakvlakken vond bij anderen. School was niets meer dan een dagbesteding zonder dat ik er wezenlijke aandacht aan besteedde. Als ik me aanpaste was er weer iets anders waarin ik afweek. Ik probeerde mezelf dan gerust te stellen door de mensheid als nietig evolutionair product te zien in een immens groot heelal.

Het was een kunst om mijn hoofd koel te houden. Het zichzelf in eenzaamheid staande moeten houden in die claustrofobische scholen zonder werkelijke steun van enige volwassenen zorgde voor een verzengende hitte in mijn hoofd. Ik beeldde me dan in dat ik opstond, mezelf voorzag van een vlammenwerper, en daarmee de schoolmuren wegfakkelde. Of ik stelde mezelf voor met mijn hoofd in een krat met ijsklontjes. Toen ik op scouting zat, enigszins een verademing ten opzichte van school, heb ik uiteraard meermaals gerotzooid met een deodorant-bus en een aansteker.

Dat intense kind is een intense volwassene geworden. Ik zal mijn leven lang een intensipaat zijn. Nog altijd is mijn innerlijke wereld onzichtbaar voor velen en dat zal wel zo blijven. Wel ben ik me nu meer bewust van de kracht die ervan kan uitgaan richting de externe wereld en met dat besef kan ik zorgen dat ik in de context van andere personen en organisaties zichtbaarder word zonder in egomania door te schieten, het tegenovergestelde van onzichtbaarheid.

Grenzen doen remmen. Ik kijk over landsgrenzen heen omdat ik weet dat ik me in veel organisaties zó moet inhouden – dat is natuurlijk ook richting de mij niet passende organisaties hartstikke intimiderend – dat het zowaar tot een burn-out kan leiden. Landsgrenzen impliceren een harde “binnen versus buiten de grens”, waarbij er een totaal andere culturele wereld lijkt te bestaan aan de andere kant. Als ik maar breed genoeg durf te kijken zie ik één groot geheel. Wel verbaast het me dat de wereld nog niet compleet in elkaar is geploft en nog enigszins lijkt te functioneren, terwijl er zo veel faliekant fout en tergend traag en deerniswekkend dom gaat.

Intensiteit zonder richting is samengebalde woede, oververhitting en entropie. De intensipaat komt optimaal tot haar recht als hoogspanningskabel, niet richtingsloos, wél grensoverschrijdend. Soms over een donker woud heen gespannen, soms zigzaggend door bergen en dalen, waardoor de richting uit het zicht verdwenen lijkt. De intensipaat is in elk geval geen slachtoffer van de aan haar gegeven hoogspanning.

De intensipaat die dit stuk schreef zal uit de anonimiteit treden als ze het zicht op de richting van de hoogspanningskabel hervonden heeft. Onzichtbaarheid? Dan niet langer!

Update: de intensipaat is n.a.v. overweldigend veel reacties uit de kast gekomen.

Gross MUM, 2004. Exceptionally gifted children. Routledge Falmer, London, UK.
Daniels M, Piechowski MM, 2009. Living with intensity. Great Potential Press, Tucson, USA.

Hoogbegaafd! Onderwijs

Nederland

 Lid worden

Vlaanderen

 Lid worden


© Alice Karen | Stichting Hoogbegaafd!

E-magazine ontvangen

Print Friendly, PDF & Email